BESCHOUWING

Triomf van de gebakken aarde

De obligate bonustrack van de beeldende kunst, dát was keramiek. Maar kijk nu: het is uitgegroeid tot het ambacht du jour.

Zaaloverzicht van Ai Weiwei in het Bonnefantenmuseum.Beeld Peter Cox

In 1889 maakte schilder Paul Gauguin een gruwelijke vaas. Die zag er zo uit: een mannenhoofd (Gauguin zelf), de ogen gesloten, de hals bloedend, het schedeldak afgesneden als een eierkopje. Het aardewerk kende pendanten (een kikkerachtige foetus, twee jongenshoofden met haar van zeewierachtig blauw glazuur) en bood tegenwicht aan het volgens de Fransman 'zouteloze' Sèvres-porselein. Curieus genoeg diende het in al zijn morbiditeit ook een commercieel doel. Anders gezegd: Gauguin hoopte er wat mee te verdienen.

Dat was geen gekke gedachte van Gauguin. In de tweede helft van de 19de eeuw maakte Franse keramiek een stevige heropleving door. In navolging van de Britse arts and crafts-beweging, een op handgemaakte producten gerichte groep kunstenaars en ontwerpers, was in Frankrijk de vraag naar authentiek - en bewust volks - aardewerk op gang gekomen. Moderne keramisten als Jean-Joseph Carriès (1855-1894) maakten objecten die opvielen door hun grofstoffelijke, robuuste en vaak fantastische karakter (studies van tronies, beesten die half kikker, half muis waren) en in trek raakten bij een jonge, koopkrachtige burgerklasse. Een ware keramiekhausse. Gauguin probeerde daarvan een graantje mee te pikken.

Dat lukte welbeschouwd van geen kant - de vazen verkochten niet - maar de kunstenaar zelf, geen man die zich makkelijk liet betrappen op valse bescheidenheid, keek er toch met tevredenheid op terug. Hij noemde ze, we parafraseren, uitzonderlijke werken, zoals tot op heden geen enkele keramist had gemaakt. 'De primitivistische vrijheid' en het 'glanzend glazuur' beschouwde hij als 'parel[s] van de emancipatie van de moderne keramieksculptuur'.

Elsa Sahal: Acrobate (2012).Beeld Bonnefantenmuseum Maastricht

Schaduwgeschiedenis

Op het gevaar af paternalistisch over te komen, tien tegen één dat deze 'parel[s]' u onbekend waren. En nu we toch op de schoolmeesterachtige toer zijn: ook de kans dat u regelmatig denkt aan de keramiek van modernistische kopstukken als Matisse, Malevitsj of Derain is verwaarloosbaar klein. De aardewerken poppenhuisjes van Dufy of de koraalachtige baksels van Lucio Fontana (die van die doeken met snee),u was ze waarschijnlijk nog niet tegengekomen.

Dat komt zo: de geschiedenis van keramiek als artistiek materiaal gold lang als een schaduwgeschiedenis. En de objecten die deze geschiedenis gestalte gaven, kregen in musea precies daar hun plek, namelijk in het schemerduister. In het zij-kabinetje van de expositie dus. In het laatste hoofdstuk van de catalogus. Keramische kunst was de obligate bonustrack bij een oeuvre, vaker níet dan wel beluisterd.

Die tijd, kunnen we gerust stellen, is voorbij.

Booming

Keramiek is namelijk, zoals dat in pr-taal heet, booming. Enkele mijlpalen: in 2003 won pottenbakker Grayson Perry (naast keramist ook verdienstelijk travestiet) de meest prestigieuze kunstprijs van Groot-Brittannië, de Turner Prize. In 2009 kreeg de Zweedse Nathalie Djurberg de prijs voor aanstormend talent op de Biënnale van Venetië voor haar presentatie die bestond uit gigantische bloemen van keramiek en stop-motion animaties van kleipoppetjes.

Ook aan Nederland gaat de opleving niet voorbij. In het Haagse Gemeentemuseum, bijvoorbeeld, opende recentelijk Céramiques sublimes, een riant overzicht waarin de heropleving van het 19de-eeuwse Franse keramiek uit de doeken wordt gedaan. En 200 kilometer noordelijker toont Het Princessehof in Leeuwarden porseleinen objecten als 'spiegel van de 20ste eeuw'.

Ten slotte is er in het Bonnefantenmuseum Maastricht Ceramix, een overzicht van de geschiedenis van keramiek als artistiek medium de laatste 120 jaar.

Auguste Rodin en Paul Jeanneney: Balzac, tête monumentale. (Ca. 1899)Beeld Bonnefantenmuseum Maastricht

Curieuze ontstaansgeschiedenis

Die tentoonstelling kent een nogal curieuze ontstaansgeschiedenis. Een hoofdrol daarin is weggelegd voor een visitekaartje, en wel dat van de directeur van het Bonnefantenmuseum: Stijn Huijts. Na een etentje belandde het in handen van Camille Morineau, freelance curator en voormalig medewerker van de tentoonstellingsruimte Grand Palais in Parijs. Zij werkte destijds met collega Lucia Pesapane aan een Parijse show over keramiek. 'Avenue Céramique' las Morineau op het kaartje onder de naam van het Bonnefantenmuseum, een straatnaam die het hart van de Française sneller deed kloppen.

Huijts lichtte toe dat Maastricht van oudsher een keramiekstad is en dat het aan de Maas gelegen Bonnefantenmuseum zich bevindt op de plek waar voorheen de aardewerkfabrieken van Petrus Regout stonden. Daarop besloot men in Maastricht een expositie met 20ste- en 21ste-eeuwse keramische kunst te maken. Een die het medium in één klap de verdiende plek in de kunstgeschiedenis zou geven.

In de oven

Als aarde of klei gebakken is, mag het keramiek heten. Wie geen grote oven heeft, kan terecht bij Struktuur 68 in Den Haag. Zij bakten sinds 1968 voor onder anderen Karel Appel en Corneille en, meer recentelijk Anne Wenzel en Johan Creten. Het Europees Keramisch Werkcentrum in Oisterwijk (Brabant), op zijn beurt, biedt kunstenaars een verblijf aan voor drie maanden om het materiaal te verkennen en groots te kunnen bakken. Hun grootste ovens meten 1,20 x 1,20 x 2,30 meter, genoeg dus voor een paar kuub keramiek.

Daarbij gingen ze ambitieus te werk. In Maastricht werd 2.000 vierkante meter expositieruimte vrijgemaakt, een formaat waarop je veel kwijt kunt, en dat is de expositie dus ook: veel. Zij begint met oude rotten als Rodin en Gauguin en eindigt met contemporainen als de Duitse beeldend kunstenaar Thomas Schütte en de Chinees Ai Weiwei. Het parcours daartussen is gevuld met stukken uit Japan, Italië, de Verenigde Staten (de funk-groep en de Otis-groep uit Californië) en Nederland (CoBrA). Daarmee eindigt de opsomming, maar niet de ambities van de samenstellers.

Die bekennen in de catalogus dat indien tijd en budget het hadden toegelaten zij óók nog Jeff Koons' Banality-reeks en een geautoriseerde replica van Duchamps Fountain (zijn beroemde pispot) in het Bonnefanten hadden getoond. Was het budget dan nóg niet op geweest, zo vervolgt de bekentenis, dan had men graag Gaudí's complete Parc Güell uit Barcelona per graaf- en vliegmachine naar Maastricht gehaald.

Over de kop

Het resultaat is een tentoonstelling die volledig over de kop gaat. Zij begint chronologisch, met voornoemde Fransen en modernisten, maar versnippert al snel in een reeks zijpaden en vignetten, monografisch (Elsa Sahal, Thomas Schütte) of thematisch (het mannelijk lichaam, het profane, de vaas) van aard. Dat is overdadig en soms een beetje vermoeiend, maar dit illustreert goed dat keramiek sinds eind 19de eeuw iets onbestemds heeft. Immers, de gipsen naakte dames die Rodin in oude potjes stopte hadden best gisteren gemaakt kunnen zijn. Fontana's bloemenvaas (1953) en de rozenvulva's (2005) van Johan Creten - ze wekken de indruk uit hetzelfde atelier afkomstig te zijn. De rudimentaire decoraties geven keramiek een tijdloze kwaliteit die je in bijvoorbeeld schilderkunst of traditionele beeldhouwkunst nauwelijks aantreft. Wat de expositie in Maastricht ook overtuigend aantoont: dat keramiek anno 2015 een meer dan bloeiende kunstvorm is.

Het is een ontwikkeling die niet op zichzelf staat, eentje die makkelijk uit te leggen valt als een van de loten aan de stam van de boom die we noemen: hernieuwde ambachtelijkheid. Die trend, die niet zo veel verschilt van de arts and crafts-beweging uit Gauguins tijd, reikt ver en is zo alomvattend dat je er nauwelijks nog bij stilstaat. Denk aan kleine supermarkten die 'direct van de boer' importeren of aan hippe dames en heren die in handwerkclubjes sjaals en truien breien. In het geval van beeldende kunst en vormgeving laat die trend zich prima verklaren vanuit een steeds digitaler en dus letterlijk ongrijpbaarder wordende wereld en de daarmee gepaard gaande behoefte aan tastbare, aardse zaken. Keramiek voorziet als geen andere kunstvorm in die behoefte.

Elmar Trenkwalder: WVZ206 (2008).Beeld Bonnefantenmuseum Maastricht

Heropleving

De heropleving, die een jaar of tien terug begon, kende baringsweeën. Ze ging gepaard met Sturm und Drang. Het vermeend tuttige imago van keramiek - de bekende potjes en schaaltjes - diende te worden afgeschud. Derhalve zag je vooral in Engeland (een land met een sterk keramische traditie, denk: Wedgwood) opvallend veel kunstenaars met een uitgesproken hang naar het pornografische en obscene. Op de prijswinnende vazen van bijvoorbeeld Grayson Perry wordt goed gevoosd. Zijn landgenote Rachel Kneebone veroverde haar plek in de kunstwereld met wit porselein dat bestaat uit een kluwen van benen en vulva's. Niet uit een drang tot uitvergrote wansmaak à la Jeff Koons, maar juist uit een tegengesteld motief: om het medium te ontdoen van zijn nuffige en huisvlijterige imago. Kutten tegen de kneuterigheid, zoiets.

Das war einmal. Keramiek lijkt dergelijke provocaties voorbij. De beoefenaars, zo toont de expositie in Maastricht, hoeven niet meer rellerig te zijn. Ze hoeven sowieso niets. Een duidelijke hoofdstroming laat zich amper nog aanwijzen. Hooguit kun je spreken van substromingen: makers met een gelijkaardige poëtica of methode. Wij noemen er vijf.

De pottenmakers

Picasso deed het. Matisse kon de verleiding niet weerstaan. En ook onder jonge makers is het geen taboe: terugvallen op de heilige keramische drie-eenheid: bord, vaas, pot. Het ligt voor de hand te denken aan Edmund de Waal en zijn spookachtige vitrines gevuld met kleine potjes, een soort driedimensionale Morandi-schilderijen, maar hij vertegenwoordigt slechts een kant van het de-pot-als-kunstvorm genre, de verstilde. Het andere uiterste wordt vertegenwoordigd door keramisten als Grayson Perry, die zijn amforen versiert met collages van herinneringen, papiersnippers, obscene tekeningen en meer, of Yee Sookyung, die in Koreaanse keramiekateliers scherven verzamelt om hiervan vervolgens met 24-karaats bladgoud mooie misvormde lekke vazen te maken. Sommigen zijn nog barokker. Anne Wenzel maakt duistere vazen gevuld met bloemen die ogen als opengereten dieren. Die hoeven geen water.

Installatiebouwers

Voornoemde Grayson Perry, een van 's werelds beroemdste keramisten, prees keramiek ooit om zijn 'bescheiden' en 'nederige' karakter, maar veel van zijn tijdgenoten zijn helemaal niet zo nederig; die nemen een hele ruimte in beslag. Door keramiek als stukjes lego aan elkaar te zetten, of door uit heel veel kleine stukken één installatie te maken. Piet Stockmans beeldde bijvoorbeeld met flinters porselein gedoopt in blauwe verf de wind uit - zijn wapperende vaantjes hangen hoog aan een muur. En Gabriel Orozco vulde een vloer met omgekrulde dakpannen en noemt ze vissen. Het individuele object, die dakpan, is hier van ondergeschikt belang. Het draait om het totaalbeeld.

De luguberen

Keramiek kan mierzoet in de vensterbank staan te prijken. Het kan je ook de stuipen op het lijf jagen, tenminste: het kan een poging daartoe doen. Het materiaal leent zich er goed voor. Het glazuur heeft van nature iets organisch en schmutzigs; bovendien: de transformatie van iets ogenschijnlijk braafs naar iets gruwelijks is een beproefde kunstgreep. Suikerstroop wordt dan bloed. Iets bruin en glimmends, het schild van een insect. Zulke nachtmerries komen tot leven in het werk van Marlène Mocquet en Carolein Smit. Die eerste toont een reusachtige omelet waarop een hellehond zijn tanden ontbloot; de tweede een skelet dat in languissante pose een Disney-vogeltje bekijkt. Macabere dingen, maar vrolijke macabere dingen.

De erotomanen

Oké, keramiek is de puberale provocatie voorbij, maar dat betekent niet dat het seksuele geheel uit de kunstvorm is uitgebannen. In Maastricht zijn ze ruim vertegenwoordigd, de keramisten die het mannelijk, en vooral, het vrouwelijk tussenbeense verbeelden. Zij maken dan bijvoorbeeld een meer dan levensgrote aardewerken bruidstaart, die bij nadere beschouwing blijkt opgebouwd uit gespreide vrouwenbenen waartussen zich onbeschrijflijke zaken afspelen, alsmede uit dingen die bungelende kinderarmen zouden kunnen zijn, maar ook iets anders, een tamelijk curieuze bruidstaart al met al (Elmar Trenkwalder). Andere makers zijn sensueler en maken boeketten van vormen die het midden houden tussen naakte ledematen en bloemen (Rachel Kneebone). Fraai.

Marilyn Levine: Bob's bag (1982).Beeld Bonnefantenmuseum Maastricht

De oog-bedriegers

De beste manier om de veelzijdigheid en volwaardigheid van keramiek te tonen: iets maken dat helemaal geen keramiek lijkt. Zo'n trompe l'oeil kan van alles zijn, van een verfomfaaide leren tas (Marilyn Levine) tot een kartonnen doos (Kimiyo Mishima) tot een opengeslagen boek - alle kom je in Maastricht tegen. Dat is best knap, en ook een beetje flauw, en het is wachten op een keramist die een trompe-l'oeil maakt van een stuk... keramiek. Een bord bijvoorbeeld. Of een vaas.

Ceramix, Bonnefantenmuseum, Maastricht, t/m 31/1. Catalogus: CERAMIX Kunst en Keramiek. Van Rodin tot Schütte, 320 pag., 39 euro

Franse keramiek 1875-1945 - Céramiques sublimes, Gemeentemuseum, Den Haag, t/m 3/4/2016

Nieuw! Ontvang elke dag de Volkskrant Avond Nieuwsbrief in uw mailbox, met het nieuws van vandaag, tv-tips voor vanavond, en alvast zes artikelen uit de krant van morgen. Schrijf u hier in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden