Tot in de ziel van savoye koolen

Ook in zijn taalgebruik was Vincent van Gogh een eigenzinnig colorist. Dat zouden we haast vergeten, nu zijn brieven, tekeningen en schilderijen zo worden samengebracht – in boekvorm, online, en op een expositie – dat het woord geduchte concurrentie krijgt van het beeld....

Dat Vincent van Gogh (Zundert, 1853 – Auvers, 1890) behalve een sublieme eigenzinnige schilder ook een buitengewoon epistolair talent was, weten ze ook in letterkundige kringen. Niet voor niets zal Van Gogh later dit jaar deel uitmaken van het Pantheon, de nieuwe permanente expositie die nu wordt voorbereid in het Letterkundig Museum in Den Haag, en waarvoor slechts 100 schrijvers uit de gehele vaderlandse literaire geschiedenis konden worden geselecteerd.

Toch kan het geen kwaad dat andermaal vast te stellen, nu Van Goghs totale correspondentie uit de jaren 1872-1890, bestaande uit de 902 bewaard gebleven brieven (819 van hem, 83 aan hem), in een editie verschijnt die dermate oogstrelend is, dat de aandacht welhaast magnetisch naar de picturale kant overhelt. De schetsjes waarmee hij dikwijls zijn ontboezemingen onderbreekt, en die de latere doeken en tekeningen aankondigen, maken van die brieven, voornamelijk gericht aan zijn vier jaar jongere broer Theo (kunsthandelaar bij de firma Goupil & Cie in Den Haag, later in Parijs), een ongeëvenaard kunsthistorisch document.

Dat wordt nog eens versterkt doordat in deze editie (zes delen in een cassette; in het Engels te bekijken op www.vangoghletters.org) ook alle schilderijen, etsen en tekeningen waar hij in de brieven naar verwijst, naast de tekst zijn afgedrukt. De woorden voeren naar de beelden. Zoals de zwarte kriebelstreepjes van zijn handschrift lijken uit te monden in de late schilderijen die soms geheel uit streepjes zijn opgebouwd. Heviger dan hiervoor, toen we nog gedwongen waren te pendelen tussen de (zuinig geïllustreerde) brievenedities en de afzonderlijke kunstcatalogi, bespringt ons de sensatie dat we er bij zijn en over de schouder van de kunstenaar kijken. De facsimile’s van de brieven tonen de kalligrafie van een halve woesteling, die na een dag van werken en denken zijn broer in Holland (‘Waarde Theo’) eerst bedekt dankt voor de immer welkome financiële ondersteuning (‘Ik dank je voor je brief en voor wat erin zat’), en hem daarna vertelt wat hem bezielt en hoe hij die bezieling hoopt uit te drukken in portretten en landschappen.

Zo gaat dat nu: Vincent hoeft maar hardop aan een plaatje te denken (iets van hem zelf of van Millet, Rembrandt, Delacroix of zijn Haagse leermeester Mauve), dan wel de namen te noemen van de meesters die hij met Gauguin in het museum van Montpellier heeft bekeken, of de bezorgers van de brieven zijn zo behulpzaam er de illustraties bij te leveren. Zodat we nu niet alleen kunnen lezen wat Van Gogh voelt, maar ook nog zien wat hij denkt – nooit is die connectie zo pontificaal gepresenteerd, en de ervaring een blauwdruk van Van Goghs geest in handen te houden, is behalve ontroerend ook lichtelijk begoochelend.

Van het noordelijke donker – de mist, klei, regen en wind van Londen, Scheveningen, Drenthe, Nuenen – trekken we mee naar het uitbundige zuidelijke licht – de korenvelden, cipressen en zonnebloemen in Arles en Saint-Rémy-de-Provence, en zien de cirkel gesloten worden wanneer de schilder in Auvers-sur-Oise in juni 1890 de dorpskerk weergeeft (paars, ‘tegen een lucht van diep & simpel blauw, van zuiver kobalt’, op de voorgrond roze zand in de zon) en zelf opmerkt dat dat werk bijna hetzelfde is als de studies die hij in Nuenen maakte van de oude toren en het kerkhof: ‘Alleen is de kleur nu waarschijnlijk expressiever, voller.’

Parallel hieraan is dan ook zijn schrijfstijl geëvolueerd van een ietwat geleende plechtstatigheid naar een karakteristieke en beweeglijke volheid. De brieven moeten worden gezien als een substantieel onderdeel van het oeuvre, geen bijzaak, al zijn ze nooit met het oog op publicatie geschreven. Net als bij Multatuli, E. du Perron, Jan Hanlo, Willem Walraven en Gerard Reve zou men de kunstenaar te kort doen door zich te beperken tot de kunst die hij als zodanig heeft voortgebracht. Daarbij meen ik dat Vincent van Gogh de lezer diens onbedwingbare voyeurisme niet euvel zou duiden. Het is immers niet zonder betekenis dat hij geen dagboek bijhield: al wat Van Gogh werkelijk beroerde dreef hem tot mededeelzaamheid, hij moest laten zien wat er in hem huisde en bewoog, door zich tot anderen te richten brak hij de kluisters van zijn binnenste open: ‘(Ik) ben niet als een straatpomp of lantaarnpaal hetzij uit steen of ook uit ijzer vervaardigd, alzoo dat ik er buiten zou kunnen zonder, evenals een meest beschaafd en hoogst fatsoenlijk ander man een ledig te ontwaren en gemis te gevoelen – en zeg U deze dingen om U te doen weten hoezeer Gij mij hebt beweldadigd met Uw bezoek.’ Annotatie: ‘een ledig’ is een leegte.

Zijn schilderkunstige ontwikkeling is te volgen op zijn doeken, maar ook in zijn taal wordt de eigenzinnige colorist zichtbaar. Als zoon van een protestantse dominee wilde Van Gogh aanvankelijk prediker worden (geen theoreticus, maar een lekenprediker onder arbeiders in Londen), ‘Droevig zijn, maar altijd blijde’ zoals hij de apostel Paulus citeert, om zich gaandeweg te bevrijden uit de evangelische retoriek en zijn eigen eenzame weg te gaan, een prediker in verf en inkt, die de natuur kon lezen zoals hij poëzie en kunstenaarsbiografieën las – verslindend, gulzig inhalerend, verzengend bijna, om zich aan het eind van zijn leven uit te drukken in beelden die voor zich spraken. De gemankeerde prediker hervond zichzelf door zichzelf uit te vinden als tijdloze boodschapper.

Dat die overwinning gepaard is gegaan met enorme offers en dramatische gebeurtenissen (vereenzaming, aanvallen van krankzinnigheid, opsluiting in een gesticht), en zijn boodschappen in zoverre geen ontvanger bereikten dat hij tijdens zijn leven net niet helemáál niets verdiende met zijn kunst, heeft Van Goghs leven in het licht van zijn postume wereldfaam het karakter van een exempel verleend.

Een mythe; de lijdende armoedige zonderling die het heilige geloof niet opgeeft. Daar komt dan in de loop van de twintigste eeuw een hoop romantische vertekening bij (want Van Gogh was niet de autodidact die bevangen door geniale gekte het doek te lijf ging, maar een belezen en toegewijd kijker die weloverwogen keuzes maakte, ook al gingen die vaak ten koste van zijn fysieke en psychische welbevinden), en ook daarom is het zo heilzaam weer terug te keren tot de bronnen zelf: het werk en de brieven.

Die laten zien hoe concreet, plastisch en onrustig alles bij hem verliep – en daarom zijn het juist brieven (geen dagboeken of bezonken essays) die het voertuig werden voor zijn gedachten – verlengstukken van zijn ziel, in woorden vervat omdat hij zich uiten moest, tot een ander, een verwante, een oor dat open stond voor zijn roerselen. Zonder Theo geen brieven van Vincent; we kijken met de laatste mee, maar als lezers van zijn brieven zijn we allen nazaten van die ander, de bedoelde ontvanger.

Vanuit de Borinage berichtte Van Gogh hem op 26 december 1878: ‘Gelijk bij ons in Brabant het hakhout & de eikenstruiken en in Holland de knotwilgen zoo ziet men hier om de tuinen, velden en akkers die zwarte dorenheggen. Met de sneeuw dezer dagen maakte dat een effect als van een letterschrift op wit papier zooals de bladzijden van het Evangelie.’

Vier jaar later in Holland pakt hij het penseel om beukenstammen te schilderen, maar ziet het effect niet terug van wat hem zo had getroffen, namelijk hoe stevig ze in de grond zaten. Dus knijpt hij vervolgens wortels en stammen erin uit de tube, ‘en modeleerde die wat met ’t penseel. – Ja, nu staan ze er in, spruiten er uit – staan er in geworteld met kracht. In zekeren zin ben ik blij dat ik geen schilderen geleerd heb. Alligt had ik dan GELEERD zulke effekten als dit voorbij te loopen – nu zeg ik, neen – maar juist dat moet ik hebben – is ’t niet mogelijk dan is ’t niet mogelijk – ik wil ’t beproeven ofschoon ik niet weet hoe het hoort.’

Hij is ontevreden als hij de prachtige natuur ‘te veel in den geest’ heeft. ‘Maar toch, ik zie in mijn werk een terugklank van ’tgeen mij trof, ik zie dat de natuur mij iets verteld heeft, tot mij gesproken heeft en dat ik in snelschrift dat heb opgeschreven. In mijn snelschrift mogen woorden zijn die niet te ontcijferen zijn – fouten of leemtes – toch is er iets over van ’t geen het bosch of strand of figuur zeiden, en is het niet een tamme of conventioneele taal, die niet uit de natuur zelf voorkwam maar uit een geleerde manier van doen of een systeem.’

Hoe verleidelijk is het, dergelijke passages als onderschrift bij het schilderwerk te beschouwen – maar dek je de plaatjes even toe (met excuses aan de nijvere bezorgers), dan zie je hier óók een verbaal talent zijn poëtica ontvouwen. ‘De weg is toch: diep indringen in de natuur’, schrijft hij, en dat betekent: tot in het wezen van savooiekolen. ‘Ik zie in de heele natuur, b.v. in boomen, expressie en als ’t ware een ziel. Een rij knotwilgen heeft iets van een processie weesmannen soms. Het jonge koren kan iets onuitsprekelijk reins en zachts hebben dat een dergelijke emotie opwekt als de expressie van een slapend kindje b.v. Het platgetrapte gras aan den kant van een weg heeft iets vermoeids en bestovens als de bevolking van een achterbuurt. Toen het laatst gesneeuwd had zag ik een groepje savoye koolen die stonden te verkleumen, dat me herinnerde aan een groepje vrouwen die ik s’morgens vroeg in een water- en vuurkelder had zien staan en hun dunne rokken en oude shawls.’ Noot: dat is een kelder waar heet water en gloeiende kolen konden worden gekocht.

En nu niet meteen gaan zoeken naar die hartverwarmende beelden – geniet eerst van de beschrijving, de stuwing van het ritme, de oorspronkelijke en zo natuurlijke vergelijkingen, de woorden die al beeld zijn voordat Van Gogh ze daadwerkelijk zou veruiterlijken.

‘Al dat geleuter over goed en kwaad’ uit zijn jeugd laat hij achter zich, zoals hij ook op zijn vakgebied rigoureuze inzichten opdoet: ‘Laat men lullen van techniek wat men wil met pharizeesche holle schijnheilige woorden – de ware schilders – laten zich leiden door die conscientie die men sentiment noemt, hun ziel, hun hersenen zijn niet voor ’t penseel, maar ’t penseel is voor hun hersenen. Ook is het doek bang voor een echt schilder en niet de schilder bang voor ‘t doek.’ En ook de volgende overtuiging wordt in een praktische stelregel vervat, die een vermaning lijkt aan schilderbeesten die losbollerij aanzien voor leven naar de natuur: ‘Schilderen en veel neuken, dat gaat niet samen, de hersenen verweken ervan, en dat is verdomd vervelend.’

Wat niet wil zeggen dat Van Gogh matigheid zou voorstaan. ‘Mijn plan is mij niet te sparen.’ Maar de onmatigheid moet het doel dienen. Je dient te kennen wat je weer wilt geven, en dat kost inspanning: ‘Door het verschil van het sterkere licht, de blauwe lucht, leer je kijken, en dan vooral en zelfs alleen als je er lang naar kijkt.’ Hij wordt een boerenschilder waar het impressionisme helemaal overheen is gegaan (zoals hij het zelf zou kunnen zeggen), na het lezen van een heftig Shakespeare-drama moet hij een grasspriet, een dennentak, een korenaar bekijken om weer tot rust te komen, en als hij in 1889 een maaier schildert in vreselijk dikke verflagen, schrijft hij zijn broer: ‘Ik zag toen in die maaier – een vage gestalte die in de volle hitte zwoegt als een paard om zijn werk af te krijgen – ik zag daar toen het beeld van de dood in, in die zin dat de mensheid het koren voorstelt dat wordt gemaaid () Maar in die dood schuilt niets droevigs, het speelt zich af in het volle licht, bij een zon die alles onderdompelt in een fijn gouden licht.’

Hier kunnen we zonder mankeren velerlei verhandelingen aan vastknopen – theologische, kunsthistorische, biografische –, maar laten we dat eens niet doen. Wat hier staat, zegt voor het moment genoeg. Zelfs het overweldigende geel op de volgende pagina’s kan wachten. In die stilte kan de luister van Van Goghs beeldspraak het stellen zonder symbolische duiding. Zoals we ons dan voelen, zo kan Theo zich gevoeld hebben, toen hij als eerste die brief las.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden