Toren van Babel

Biënnale-directeur Robert Storr gelooft hartstochtelijk in de politieke zeggingskracht van kunst. Gevolg: zijn editie geeft wel een overzicht van wat de wereld aan onrecht te bieden heeft, maar niet aan kunst....

Grand Tour 2007
Deze zomer vallen veel jaarlijkse, tweejaarlijkse of vijfjaarlijkse festivals samen: De Documenta in Kassel, de Venetië Biënnale, de Skulptur Projekte Münster en de kunstbeurs Art Basel. De artikelen uit de Volkskrant over deze festivals zijn hier bijeengebracht.

Tot welke omvang kan een biënnale uitgroeien? Hoeveel verschillende kunstenaars kunnen er aan deelnemen? Kunstenaars die allemaal een andere stem hebben, een ander thema aansnijden en een andere visie vertolken. En die allemaal – niet onbelangrijk – een eigen stijl er op nahouden. Met andere woorden, hoe groot kan een tweejaarlijks, mondiaal kunstspektakel worden, voordat het voor niemand meer te behappen is en dreigt in te storten onder het eigen gewicht?

De vragen zijn dit jaar voor de Biënnale van Venetië prangender dan in afgelopen tijden. Niet alleen is de Venetiaanse biënnale de enige onder de tweejaarlijkse kunstmanifestaties die naast een hoofdtentoonstelling nog steeds een wereldwijd overzicht van kunstenaars wil bieden in afzonderlijke landenpaviljoens, met een aantal dat dit jaar weer is toegenomen. Het is ook de oudste (opgericht in 1895) en de meest toonaangevende. Bovendien: dit jaar moet de biënnale zich nadrukkelijker dan voorheen manifesteren, door de concurrentie van twee andere megatentoonstellingen die in Europa deze zomer te zien zijn, de Documenta in Kassel en Skulptur Projekte in Münster.

Je zou haast vermoeden dat de directie van de Biënnale zich dat heeft afgevraagd, toen ze in 2004 Robert Storr vroeg de hoofdtentoonstelling samen te stellen. Niet alleen kreeg Storr drie jaar de tijd om zijn programma rond te krijgen (een jaar langer dan normaal, wat nog niemand was gegund). De criticus, schrijver, kunstenaar, gewezen senior curator van het MoMA in New York en huidige dean van de Yale School of Art staat ook nog eens bekend als zwaargewicht binnen het kunstcircuit. De eerste Amerikaan die door de biënnaledirectie is aangezocht de klus te klaren. Het moet geen gemakkelijke opgave zijn geweest.

De gedachte bestaat al geruime tijd dat de kunst met centrifugale kracht uit elkaar is gespat. De ruimte in geslingerd in een oneindig aantal scherven en fragmenten. Op de biënnale van 2007 laat zich dat goed merken. Wie de rondgang langs de landenpaviljoens maakt zal ondervinden dat er van een gemeenschappelijke taal geen sprake meer is. Dankzij de toename groeide het aantal afvaardigingen op deze biënnale uit tot het record van 78. Allemaal presenteren ze hun eigen nationale helden (als het beste wat het land te bieden heeft) die allemaal een eigen plaatselijke dialect spreken, in romantische, abstracte, expressieve, bevlogen, ingehouden, theoretische of confronterende bewoordingen.

Bijkomstig probleem: wat in het ene land revolutionair en eigentijds is, geldt voor een ander land als oubollig en achterhaald. Dat in Albanië rauwe televisiebeelden worden gepresenteerd als kenmerk van de meest recente ontwikkeling, strookt op geen enkele wijze met de gestileerde manier waarop Aernout Mik zijn videokunst beoefent. En de lichtvoetige promotievideo voor twee presidentskandidaten van de Italiaan Francesco Vezzoli laat zich niet vergelijken met de verbluffende animatiefilm van het Russische kunstcollectief AES+F. Hetzelfde onderscheid doet zich voor in de schilderkunst, beeldhouwkunst, installaties en fotografie.

Storr heeft gelijk, zoals hij vooraf zei, niet in een mondiale kunst te geloven. En dat er geen mondiale (beeld)taal bestaat, vergelijkbaar met het Esperanto, die door iedereen in alle uithoeken van de wereld gesproken wordt en te begrijpen is. Reden waarom hij zich had voorgenomen een tentoonstelling samen te stellen, onder de titel Think with the Senses, Feel with the Mind. Art in the Present Tense, die geweven moest worden ‘door vele handen in verschillende snelheden’. Een uitgangspunt dat op papier aansluit bij hoe de internationale kunst zich de laatste tijd heeft ontwikkeld.

Maar zou de Amerikaanse criticus hebben beseft wat hij zich daarmee op de hals had genomen? En wat het zou betekenen voor zijn eigen tentoonstelling?

Dat het grote aantal landenpaviljoens, verspreid over het biënnaleterrein in de Giardini en de hele de stad, tot nu toe steeds een versnipperd beeld heeft gegeven van wat er in de kunst gaande was, kan je ook als de charme van zo’n groots opgezette tentoonstelling zien.

Maar de hoofdtentoonstelling in de Arsenale bleef tot nu toe daarvan altijd gespaard. Het bood de gelegenheid om de beeldende kunst in een alomvattend perspectief neer te zetten. Een samenstelling die misschien dan niet met de chaotische werkelijkheid van de kunstpraktijk overeen kwam, maar er wel naar streefde alles in een overzichtelijk geheel neer te zetten. Ondanks de grote onderlinge verschillen tussen de kunstenaars en de onderwerpen die werden aangesneden.

Twee jaar geleden nam Rosa Martínez, samensteller van de tentoonstelling Always a Little Further, die handschoen nog op door een pamflettistische presentatie te maken vol activistische vrouwenkunst. Haar tentoonstelling mocht dan wat belegen overkomen door de gezwollen jarenzestigretoriek, de expositie was wel krachtig en eenduidig. Vergelijkbaar was de poging van Germano Celant in 1997, onder de noemer Future, Past, Present, om de continuïteit van de kunstontwikkeling zichtbaar te maken. Of de legendarische presentatie van Jean Clair, uit 1995, die het menselijke lichaam tot onderwerp nam. Hij stelde destijds, onder de titel Identity and Alterity, een cultuurtentoonstelling samen die het verband tussen kunst, medisch onderzoek en humanistische wetenschappen liet zien.

Of Storr een soortgelijke poging wilde doen, was op voorhand niet te zeggen. Zijn motto, ‘denken met de zintuigen, voelen met het verstand’, duidde op een compromis. Of positiever gezegd, op een alomvattende poging een brug te slaan tussen hard core conceptualisme en de wat softere sensualiteit van de waarneming.

Wel wilde Storr, afgaande op de ondertitel ‘kunst in de huidige (spannende) tijd’, duidelijk aansluiten bij de woelige actualiteit. En dat heeft hij geweten ook. Het gegeven heeft een doos van Pandora geopend. De woelige actualiteit blijkt namelijk all over the world tot de meest uiteenlopende beelden en onderwerpen te leiden, die niet bepaald tot optimisme leiden.

Veel, zo niet alles op Storrs overzicht van ‘de toestand in de wereld’ verwijst naar de desastreuze gevolgen van armoede, oorlog, immigratie, seksisme, machtsmisbruik en religie.

In het voormalige havengebouw en de opslagloods zijn de muren behangen met foto’s van gevangenkampen voor immigranten in Australië, van wachthuisjes van waaruit de bevolking in Brazilië ongezien wordt geobserveerd, en ontruimingen van joodse nederzettingen. De Bulgaar Nedko Solakov geeft een uiteenzetting over de onsmakelijke manier waarop Rusland het monopolie van de productie van kalasjnikovs in handen probeert te krijgen. De Japanner Tomoko Yoneda brengt ongemarkeerde terreinen en buurten in beeld waar landmijnen liggen te wachten op nietsvermoedende burgers. Emily Prince tekent de landkaart van de Verenigde Staten met afbeeldingen van Amerikaanse soldaten die in Irak gesneuveld zijn.

Eigentijds, inderdaad, maar de actuele waarde van de onderwerpen camoufleert het gebrek aan artisticiteit en beeldend vermogen van de meeste kunstenaars. Dit is geen tentoonstelling voor fijnbesnaarde kunstliefhebbers – het is een pamflettistisch exposé geworden van waar de kunst volgens Storr voor moet staan: een stormram en breekijzer te zijn, waarmee het onrecht in de wereld te lijf moeten worden gegaan.

Op zich een nobel standpunt. Geboren uit een groot, en wellicht wat naïef, vertrouwen in de reikwijdte van de kunst. Dat het naast het verschaffen van onwelgevallig beeldmateriaal, ook een daadwerkelijke rol kan spelen in de mondiale politiek.

Wat Storr evenwel niet in de hand heeft kunnen houden, is dat zijn tentoonstelling, net als bij de landenpaviljoens, wel een overzicht geeft van wat de wereld aan onrecht te bieden heeft, maar niet aan kunst. Bewust of onbewust, heeft hij de chaos over zijn eigen tentoonstelling afgeroepen. Een kakofonie van stemmen (en dialecten) die schreeuwen om aandacht voor de meest uiteenlopende kwesties die door de kunst aan de kaak moeten worden gesteld, als je de kunstenaars mag geloven. Met als resultaat een Babylonische spraakverwarring waar geen touw meer aan vast te knopen valt. Ergens moet Storr de regie zijn kwijtgeraakt.

Zeker, op het eerste gezicht is zijn expositie er een van museale allure, wat zijn voormalige professie als museumman verraadt. Iedere kunstenaar krijgt genoeg vierkante meters om zich volledig te kunnen tonen. Dat leidt in sommige gevallen tot zeer geslaagde inzendingen. Zo heeft de Belg Francis Alÿs een schitterende zaal ingericht, met belendende videopresentatie, waar hij zijn Shoe Shine Blues kan etaleren: een ode aan het nobele vak van schoenpoetsen. De Brit Steve McQueen krijgt in het Italiaanse paviljoen, waar Storr een pendant van zijn expositie heeft ingericht, alle gelegenheid de omstreden en arbeidsintensieve winning in Afrika van tantalium (wat gebruikt wordt in elektrische apparatuur en gevechtsvliegtuigen) tegen het licht te houden.

Maar de bijdragen van Alÿs en McQueen zijn gunstige uitzonderingen. De wens een tentoonstelling te maken die zo dicht op de actualiteit zit, blijkt ten koste te gaan van het beeldend gehalte. In de meeste bijdragen is de maatschappelijke boodschap belangrijker geworden dan het kunstwerk zelf.

Dat Storr deze fout heeft kunnen maken is opmerkelijk. De Amerikaan was destijds, als conservator van het Museum of Modern Art , verantwoordelijk voor de legendarisch aankoop van Gerhard Richters meesterwerk 18. Oktober, 1977. Een serie schilderijen over de nooit opgeloste zelfmoord van drie leden van de even legendarische Rote Armee Fraktion, door Richter gemaakt tien jaar nadat het voorval had plaatsgevonden. Dat tijdsverschil is in die zin belangrijk, omdat het Richter blijkbaar in de gelegenheid had gesteld zich een goed beeld te vormen van wat de impact en betekenis van de gebeurtenis is. Bovendien bewees Richter dat hij een geëngageerd meesterwerk kon maken, zonder dat iemand hem ooit op een politieke uitspraak heeft kunnen betrappen.

Storr had (dus) een gewaarschuwd mens moeten zijn. Wie kunst wil maken van politieke en maatschappelijke brandhaarden kan niet over een nacht ijs gaan. De ‘Present Tense’ laat zich niet direct verbeelden in werken die meer willen zijn dan illustraties van onrecht, onlust en onvrede. En dat is wat er op de biënnale nu precies gebeurd is, in honderdvoud.

Nationale paviljoens die onderling geen gelijke tred meer houden; een hoofdtentoonstelling die zich geen raad weet met de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste jaren – wie de biënnale overziet kan niet anders dan in verwarring raken.

‘Venetië’ bevestigt daarmee wat al langer speelt en wat door iedereen wordt onderkend, maar feitelijk pas de laatste tijd duidelijk wordt: de biënnale is zijn rol als gids kwijtgeraakt. De tweejaarlijkse tentoonstelling in Venetië heeft afgedaan als baken te functioneren voor wat werkelijk van belang is in de huidige kunstpraktijk. Het geeft een overzicht van de verwarring, niet een eenduidig inzicht van wat op globaal niveau betekenisvol is.

De Biënnale van Venetië t/m 21 november.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden