Achtergrond

Topviolist zoekt kennismaking met topviool: liefde op het eerste gehoor is het zelden

Hoe vindt een topviolist een topviool? Dat kan een lange zoektocht zijn en als de nieuwe vlam lijkt gevonden, is het meestal niet meteen een match. Vier violisten over hun (gebrek aan) liefde voor hetzelfde instrument: de Grancino uit 1714.

de Grancino Viool. Beeld Aafke Bouman
de Grancino Viool.Beeld Aafke Bouman

Violist Bas Treub heeft zijn nieuwe vlam nog niet gevonden. Hij zoekt herkenning en inspiratie, tegelijkertijd wil hij worden uitgedaagd – hij wil zijn grenzen verleggen. ‘Klinkt nogal cheesy, hè?!’ In een Tinderprofiel zou het inderdaad behoorlijk suf staan, maar Bas Treub (33) is niet op zoek naar een wederhelft, hij zoekt een andere viool. Zoals veel professionele violisten gebruikt hij voor zijn instrument het vocabulaire van de liefde, want je kunt met zekerheid stellen dat violist en viool intieme partners zijn, al is het lang niet altijd voor het leven.

‘Je viool voelt als je kindje’, zegt violist Noa Wildschut (19), ‘je bouwt een band op met het instrument, net als met een mens.’

‘Je groeit in de loop der jaren meer naar elkaar toe’, meent Marianne Geugjes (74), violist en viooldocente.

‘Je gaat elkaar na verloop van tijd beter kennen’, beaamt collega Jeroen Dupont (33), ‘en is er geen interactie meer, dan verlaat je elkaar.’

De gemene deler van de vier musici is dat ze een relatie hebben of hebben gehad met één en hetzelfde instrument, een viool uit 1714 gebouwd door de Milanees Giovanni Battista Grancino. Hoewel het voor Bas Treub bleef bij een korte affaire die op niks uitdraaide: ‘Ik bind me niet zo snel, ook niet in mijn relaties met mensen.’

Nog niet zo lang geleden kreeg deze ‘Grancino’ een nieuwe bespeler. Noa Wildschut vond een ander instrument, Jeroen Dupont bespeelt nu de Grancino, nadat Treub het instrument had afgewezen. Geen klik. Het roept de vraag op wat die klik precies is tussen violist en viool.

Jeroen Dupont met de Grancino Viool ( huidige eigenaar). Beeld
Jeroen Dupont met de Grancino Viool ( huidige eigenaar).

De matchmaker in deze partnerruil was het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds (NMF), eigenaar van de viool, een instrument uit de gouden eeuw van de Italiaanse vioolbouwers. Omdat topviolen voor de meeste beroepsmusici onbetaalbaar zijn – onder de ton vind je geen Italianen uit deze periode – hebben ze er vaak eentje in gebruik van rijke particulieren of fondsen zoals het NMF. Het fonds geeft zo’n vierhonderd strijkinstrumenten in bruikleen die af en toe wisselen van bespeler, als die toe is aan een nieuwe boost.

Zoals Noa Wildschut, een snel rijzende ster op de internationale muziekpodia. Ze bespeelde de Grancino sinds haar 12de en nam er een cd mee op. Met de Grancino veroverde ze als solist de Concertgebouwen en Elbphilharmonieën van de wereld. ‘Hij heeft een prachtig, jong geluid’, zegt ze, ‘maar ik was toe aan een wat warmere en diepere klank.’

Noa Wildschut, met de Grancino Viool. Beeld Simon van Boxtel
Noa Wildschut, met de Grancino Viool.Beeld Simon van Boxtel

Speelde Wildschut de Grancinoviool naar de internationale schijnwerpers, het was Marianne Geugjes die het instrument in de jaren zestig uit de nevels van de geschiedenis viste. Ze moest hem weer tot leven wekken, vrijwel letterlijk. Als vioolstudent in Amsterdam speelde ze op een leenviool toen haar docent een oude viool te koop wist bij een particulier. ‘Ik erheen, en daar lag hij, in een la, twintig jaar niet bespeeld. Het ding moest 1.250 gulden kosten. Zoveel geld had ik niet. Het conservatorium schoot het bedrag voor. Ik betaalde het af met baantjes in een schoenenwinkel en een ijssalon.’

Liefde op het eerste gehoor was het niet. Signor Grancino bleek stram en nukkig. ‘Ik héb wat staan stampvoeten voordat ik precies dát geluid eruit kreeg dat ik wilde’, zegt Geugjes. ‘Violen die lang niet zijn bespeeld, worden stug. Hout werkt, het moet meevibreren met de trillingen voor een mooi akoestisch effect. Ik moest hem flink van jetje geven om hem los te krijgen.’ Wie uiteindelijk het meest moest inleveren, viool of violist, weet ze niet, het zal een samenspel zijn geweest. Pas na een halfjaar ‘vechten’ wist ze dat ze geen miskoop had gedaan. ‘Na een paar jaar zijn we zelfs vriendjes geworden.’ Niet veel later sloeg het noodlot toe.

Het was een stom ongeluk met naar het leek grote gevolgen. Haar fiets viel om, met de vioolkist op de bagagedrager. ‘De kam was door het bovenblad gestoten. Ik dacht dat hij overleden was, zo voelde het tenminste – ik heb er een lakentje overheen gelegd.’ Via-via vond ze een meester-vioolbouwer en -restaurateur die bereid was een zoektocht te ondernemen naar geschikt hout: liefst uit de bouwperiode van het instrument, met een nerf in dezelfde richting. ‘De jaarringen moeten ongeveer op dezelfde plek zitten’, zegt Geugjes. Na vele weken precisiewerk werd de Grancino genezen verklaard.

Het luistert nauw met dat hout. Italië én de halve vioolbouwwereld waren dan ook in alle staten toen een storm in 2018 een deel van het Paneveggio-woud in de Dolomieten platlegde, het foresta dei violini waar Antonio Stradivari eeuwen geleden persoonlijk de fijnsparren zou hebben geselecteerd voor zijn instrumenten. Maar voor de restauratie van een antieke viool is nieuw hout vaak minder geschikt. Door de klimaatverandering groeien de bomen sneller, de jaarringen (nerven) worden hierdoor breder wat gevolgen heeft voor de houtdichtheid en daarmee voor de klank.

Grancino Viool. Beeld Cathy Levesque
Grancino Viool.Beeld Cathy Levesque

‘De restauratie was perfect’, zegt Geugjes, ‘de lage tonen klonken hetzelfde, de boventonen waren ietsje scherper, maar dat vond ik wel mooi.’ Ze speelde nog vele jaren lang en gelukkig in ensembles, en gaf generaties kinderen les. Totdat ze in 2005 afscheid moest nemen van haar Grancino, nadat het spelen haar steeds meer moeite begon te kosten door de gevolgen van de ziekte van Lyme. Op dit punt kwam het NMF in beeld. Geugjes schonk haar ‘maatje’ voor de helft van de taxatiewaarde aan het fonds, de andere helft van het taxatiebedrag kreeg ze uitbetaald van het NMF dat hiervoor een particuliere sponsor had gevonden. ‘Rijk werd ik er niet van, ik kon er een tijdje van eten, maar ik was blij dat de viool bespeeld bleef.’ Ze had in haar muziekcircuit al een nieuwe partner op het oog voor de Grancino: de piepjonge, want toen 12-jarige violist Noa Wildschut. Het werd haar eerste grotemensenviool. ‘Wat een avontuur was dat’, zegt Wildschut nu, ‘een driehonderd jaar oud Italiaans instrument.’

Elk microdetail in de bouw van een instrument heeft invloed op de klank. Beeld
Elk microdetail in de bouw van een instrument heeft invloed op de klank.

De bewering dat de beste vioolbouwer een dode, liefst Italiaanse vioolbouwer is, snijdt geen hout. ‘Er worden ook nu bijzonder goede instrumenten gebouwd’, zegt Frits Schutte, hoofd collectie van het NMF. Elk microdetail in de bouw van een instrument heeft invloed op de klank. Nerf, keuzes van houtdikte in de bladen, model, welving, positie en vorm van de f-gaten: het gaat om deeltjes van millimeters. ‘Maar ook de klankafstelling van het voltooide instrument is van grote invloed, zoals de dikte en plaats van de kam, en snaarkeuze. Zelfs met hout uit dezelfde boom zullen twee instrumenten nooit identiek klinken.’

En niet elke antieke Italiaanse of Franse viool is automatisch een topstuk. ‘Ook violen van dezelfde meesterbouwer klinken verschillend.’ Hij heeft ze meegemaakt, talentvolle jonge musici die stiekem eerst even het etiket bestudeerden tijdens een blind date met een NMF-viool: op zoek naar een oude – lees: prestigieuze en peperdure – Italiaan. ‘Het zijn uitzonderingen gelukkig, vrijwel alle musici gaan voor de klank.’

De Grancino viool is een instrument met groot bereik en veel klankkleur.  Beeld Cathy Levesque
De Grancino viool is een instrument met groot bereik en veel klankkleur.Beeld Cathy Levesque

Ook Wildschut probeerde ooit een viool uit ter waarde van een bedrag met zes nullen, maar het geluid was haar te deftig. De Grancino daarentegen ‘is een stralend instrument met een groot bereik en veel klankkleur. Ik kon er heel goed mee uitdrukken wie ik ben. Maar je bent voortdurend op zoek naar wie je wilt zijn in de muziek, naar je eigen sferen en karakter – in de loop der jaren verandert je klank.’ Ze werd benaderd door een exclusief Brits fonds dat haar carrière volgde, en dat een Guadagnini-viool (ook Italiaanse adel) in bruikleen aanbood. Het was een match. ‘Ik kan nu meer nuance brengen in het middenregister. Hij klinkt ook wat warmer.’

Bas Treub. Beeld Melle Meivogel
Bas Treub.Beeld Melle Meivogel

Aldus kwam de Grancino weer vrij. Bas Treub, aanvoerder van de tweede violen in het Nederlands Kamerorkest, bespeelt een Franse viool uit 1891 van het NMF, maar zocht al een tijdje naar ‘iets anders, iets wat me uitdaagde, al kan ik moeilijk omschrijven wat precies’. Hij kreeg de Grancino op proef. ‘Een viool laat zich een beetje kneden. Je zoekt naar een heel specifieke klank en je lichaam past zich aan. Bijvoorbeeld: je krijgt een diepere klank door wat meer gewicht op de snaren te zetten en dat is bij elke viool anders.’ Maar de Grancino bleek ook na een paar maanden op proef niet de x-factor te hebben. ‘De klankwereld in mijn hoofd kreeg ik er niet uit. Ik had ook niet het idee dat dit met deze viool in de toekomst wél zou lukken.’

Viool, strijkstok en violist versmelten in het beste geval tot een sensationele drie-eenheid. Kijk naar Nederlands bekendste violiste Janine Jansen: op het podium kan ze veranderen in een wervelstorm van muziek, beweging en lang haar. Alsof ze is vergroeid met het instrument. Sommigen vergelijken hun viool met een lichaamsdeel, een soort derde arm. Het gaat ook diep, fysiek gezien, zegt Jeroen Dupont. ‘Je voelt de resonantie en de diepte in je lichaam en dat is bij elk instrument anders, zelfs van dezelfde bouwer.’ Dupont had jarenlang een viool in bruikleen van een particulier, en meldde zich bij het NMF toen de eigenaar het instrument wilde verkopen. De Grancino bleek de ware. ‘Hij heeft meer klankkleur dan mijn vorige, dat helpt mijn spel vooruit. Hij is krachtiger ook, je kunt er als solist makkelijker mee boven een orkest uitkomen.’

null Beeld Aafke Bouman
Beeld Aafke Bouman

De Grancino en zijn bespeler verblijven nu een paar maanden in Palermo, Sicilië, waar Dupont aanvoerder is van de tweede violen in het orkest van Teatro Massimo. Noa Wildschut en Bas Treub snakken naar het podium en studeren intussen op nieuwe stukken. Marianne Geugjes neemt af en toe de oude viool ter hand waarop haar vader ooit Fiddler on the Roof speelde.

Marianne Geugjes. Beeld
Marianne Geugjes.

Hoe inniger de amourette tussen violist en viool, hoe beter de muziek kan gedijen. Maar wat wordt de luisteraar wijzer van zo’n muzikale stoelendans? ‘De verschillen in viool zijn voor het publiek niet of nauwelijks te onderscheiden’, zegt Frits Schutte van het NMF, ‘dat krijgt wel degelijk de violist te horen, niet de viool.’ In 2016 publiceerde de Franse universiteit Sorbonne een onderzoek gedaan met professionele luisteraars en violisten. Het was een blinde test waarbij ze een aantal gloednieuwe topinstrumenten te horen kregen naast enkele legendarische Stradivarius-violen. Gemiddeld genomen hadden de eerste hun lichte, maar duidelijke voorkeur.

de Grancino Viool. Beeld  Aafke Bouman
de Grancino Viool.Beeld Aafke Bouman

Giovanni Battista Grancino: vioolbouwer en moordenaar

De Grancino-viool van het NMF die wordt bespeeld door Jeroen Dupont begon zijn leven in 18de eeuws Milaan, of in de buurt van Milaan, of misschien niet in de buurt van Milaan: toen Giovanni Battista Grancino (1673- plusminus 1730) het instrument bouwde in 1714 zat hij ondergedoken op een onbekende plek. Hij was slaags geraakt met buurman Antonio Maria Lavazza, vakbroeder en concurrent. Lavazza was Grancino met een zwaard te lijf gegaan, waarschijnlijk een gevalletje jalousie de métier. Toen Lavazza daarna ook nog een bezoekverbod schond, stak Grancino hem dood. Grancino sloeg op de vlucht, werd bij verstek ter dood veroordeeld, en ging in de onderduik weer violen bouwen. Toen hij in 1716 gratie kreeg, was hij zowel atelier, vermogen als goede naam kwijt.

Zoals veel van zijn collega’s stamde Giovanni Battista Grancino uit een geslacht van vioolbouwers. Brescia, Cremona en in veel mindere mate Milaan, groeiden vanaf midden 16de eeuw uit tot centra van vioolbouw. Waarom die steden in dat tijdperk? Het waren belangrijke handelsplaatsen, en het geld rolde over de kasseien. Mede dankzij een componist als Monteverdi was een nieuw genre, opera, populair geworden, waarvoor grotere orkesten nodig waren, en dus meer violen. De (familie)namen van onder anderen vioolbouwers Amati, Guarneri del Gesù en Stradivari – allemaal uit Cremona – worden in onze tijd met ontzag uitgesproken door zowel violisten als veilingmeesters. In 2017 werd een Stradivarius-viool geveild voor ruim 11 miljoen euro. Bij privéverkopen gaan nog hogere bedragen om.

Instrumentenfonds

Het Nationaal Muziekinstrumentenfonds helpt professionele musici aan een instrument dat financieel gezien vaak ver buiten hun bereik ligt. Het fonds beschikt over zo’n 550 hoogwaardige instrumenten, variërend van strijk- en toetsinstrumenten, harpen, enkele blaasinstrumenten, en ruim 250 strijkstokken. Die zijn vaak gedoneerd of in bruikleen van particulieren, of aangekocht met hulp van donateurs. Soms wordt een instrument speciaal gemaakt voor een musicus. Het fonds hielp onder anderen bekende musici Janine Jansen (viool), Pieter Wispelwey (cello) en Remy van Kesteren (harp) aan een instrument.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden