Boekrecensie De Jacobsboeken

Tokarczuk verwoordt doeltreffend de krankzinnige verloop van de geschiedenis van de Messias van Podolië ★★★★☆

De Poolse Olga Tokarczuk schreef een vuistdik epos over de strapatsen van een zelfverklaard Verlosser. Waargebeurd en boeiend tot het einde.

Beeld Olivier Heiligers

Als de Messias is gekomen, zijn de wetten van de Thora niet meer geldig. Jacob Frank uit Podolië, thans deel van Oekraïne en Moldavië – hij leefde van 1726 tot 1791 – meent dat hij die Verlosser is. Dus eten hij en zijn volgelingen varkensvlees en drinken ze wodka tijdens de vasten. De eindtijd is aangebroken, alles gebeurt omgekeerd; Mozes’ geboden gelden niet langer.

De reguliere Joodse gemeenschap ziet de strapatsen van deze frankisten aan met een mengeling van afschuw en mededogen. Het is niet de eerste keer dat in Midden-Europa, bakermat van het chassidisme, de ultra-orthodoxe richting binnen het jodendom, een zelfverklaarde masjiach opstaat die aan de hand van de Zohar, een mystieke interpretatie van de Thora, groteske voorspellingen begint te doen.

Meestal zijn dergelijke openbaringen van korte duur. In het geval van Frank verloopt het anders, met alle vreselijke en komische gevolgen van dien. Reden voor de Poolse auteur Olga Tokarczuk om een vuistdik epos –  ruim negenhonderd pagina’s – aan deze alhier goeddeels onbekende goeroe te wijden: De Jacobsboeken, in 2014 in Polen verschenen, en nu dankzij een herculische vertaalklus van Karol Lesman ook in het Nederlands beschikbaar.

Prijs

Tokarczuk (1962) is bekend van De rustelozen, een fragmentarische roman waarin onder meer het hart van Chopin en het afgezette been van de Vlaamse chirurg Philip Verheyen een rol spelen, en dat de prestigieuze Man Booker International Prize won.

In Polen heeft Tokarczuk de status van een popster, vooral vanwege haar aanvaringen met het nationalistische gezag; na een televisie-interview waarin ze uitlegde dat het huidige Polen is voortgekomen uit een mengelmoes van culturen, niet uit één zuiver ras, kreeg ze te maken met extreem-rechts en huurde noodgedwongen lijfwachten in.

Voldoende reden om reikhalzend uit te zien naar De Jacobsboeken, waaraan ze behalve die onzuivere Poolse oorsprong nog een ander explosief element toevoegt: de dikwijls verzwegen antisemitische traditie van het land.

Tien jaar is ze bezig geweest met het boek. In de voetsporen van Frank reisde ze door Polen, Oekraïne, Roemenië, Turkije, de Balkanlanden en eindigde in Offenbach am Main, waar de omstreden Joodse Messias werd begraven.

Voor 90 procent leunt De Jacobsboeken op historische feiten: archieven werden doorgespit, wetenschappers uitgehoord. De 10 procent verbeelding was nodig om de personages in te kleuren en dialogen op te tekenen.

Jacob Frank is geen intellectueel, iets waarop hij zich gedurende zijn loopbaan met een zekere trots laat voorstaan. ‘Wijsheid kan in domheid zijn verborgen’, luidt een van zijn spreuken.

Tokarczuk, die erg grappig schrijft, typeert Franks verschijning treffend: ‘De wangen zijn bedekt met putjes, een soort littekens als getuigenis van iets kwaads.’ Hij hult zich in een blauwgroene kaftan en een donkerrode Turkse muts, om zijn geheimzinnige verschijning extra glans te geven.

Zelf heeft Jacob zijn uitverkoring eerst niet in de gaten; door twee scharrelaars, die een bruid voor hem regelen, moet hij erop worden gewezen. Dan begint de goddelijke aanwezigheid, Sjechina, zich in hem te manifesteren. Tijdens mystieke sessies, die steevast uitmonden in orgieën, slaat hij wijn uit een muur en rolt stuiptrekkend over de grond.

Olga Tokarczuk: De Jacobsboeken

Absurditeiten

De contra-Talmoedisten, zoals Jacobs aanhangers worden genoemd, laten hun voormalige geloofsgenoten, die Jacob als een halvegare beschouwen, niet met rust. Over en weer volgen beschuldigingen van ketterij, vechtpartijen breken uit. Tokarczuk heeft een scherp oog voor dit soort absurditeiten, wat het boek een fijne vaart geeft.

Als een hooggeplaatste rabbijn een banvloek, cherem, over Jacob uitspreekt, gaat het katholieke gezag zich met de kwestie bemoeien. De kerk, niet vrij van antisemitische smetten, stelt de frankisten in het gelijk. Omdat die hebben laten weten – Jacob is een opportunist pur sang – bereid te zijn zich te laten dopen in ruil voor protectie.

Tijdens een dispuut in Lviv, in september 1759, maakt een van Jacobs aanhangers de aartsbisschop wijs dat de Talmoed een conspiratieve codex is, waarin onder meer staat dat het bloed van christenen gedronken mag worden. Het zou een geheim bestanddeel van matses zijn, dat voorkomt dat het deeg verzuurt.

Op dit soort dramatische momenten is Tokarczuk op haar best, en komt de combinatie van feit en fictie uitstekend tot haar recht. Dat is niet altijd het geval; sommige van de zeven delen verlopen traag, doordat de niet altijd even boeiende levens van de talloze hoofd- en bijfiguren, die na Jacobs bekering tot het christendom ook nog eens van naam wisselen, flink worden uitgediept.

Dat ik niettemin geboeid doorlas, is te danken aan het krankzinnige verloop van deze waargebeurde geschiedenis, door Tokarczuk sober en daardoor doeltreffend verwoord, zoals blijkt uit de volgende passage, waarin Jacob een groepje flagellanten ziet passeren.

‘Ze zijn gehuld in zakken van grof geweven roze stof, waarin op de rug een gat is gemaakt om zichzelf beter te kunnen geselen. Die opening kan worden afgedekt met een flap. Op hun hoofd zit een hoekige zak met gaten voor de oren en de ogen, waardoor ze op een soort dieren of geesten lijken.’

Onoprecht

Na de omstreden doop krijgt het kerkelijk gezag in de gaten dat Jacobs bekering onoprecht is geweest: hij hangt nog steeds de Messias uit. Zijn volgelingen schrijven opnieuw wonderen aan hem toe.

Dus wordt Jacob schuldig bevonden aan ketterij en opgesloten in een klooster. Daar maakt hij al vlug de dienst uit. In het klooster hangt een schilderij waarvan Jacob beweert dat er een heilige in zit opgesloten. Een grot in de buurt zou de grot zijn waar Adam en Eva zijn begraven. 

Als de Russen het Poolse koninkrijk binnenvallen, vlucht de sekte naar Wenen. Achtervolgd door schuldeisers strijkt ze daarna neer in Offenbach, waar een slot wordt gehuurd, onder meer met de opbrengsten van zelfgebrouwde wondermiddeltjes.

Aan zijn adepten legt Jacob elke ochtend zijn dromen uit. Een maî­­tresse beweert dat de Heer een tweede penis heeft, die zich opricht als er iets belangrijks staat te gebeuren. Na een attaque doet in ieder geval de eerste penis het niet meer, maîtresses zijn er nu vooral om het bed op te warmen.

Op zijn sterfbed raakt hij bevangen door een Charles Manson-achtige furie: de apocalyps is aangebroken, iedereen moet zich gereedmaken voor de strijd. Hij wil naar niemand luisteren, tenslotte weet de oude Jezierzańska, een vroegere vrijster, hem te kalmeren.

‘Ze haalde een grote, reeds verlepte borst tevoorschijn en drukte deze tegen de lippen van de Heer. En hij zoog eraan, hoewel die leeg was. Daarna verzwakte hij en hield hij op met ademen.’

Olga Tokarczuk: De Jacobsboeken

Uit het Pools vertaald door Karol Lesman.

De Geus; 920 pagina’s; € 29,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden