Toewenen kennen geen lelijke woorden

MET DRIE boeken tegelijk werd onlangs de in Mongolië geboren schrijver Galsan Tschinag in Nederland geïntroduceerd. De publicaties vielen samen met zijn optreden op Poetry International in Rotterdam....

Galsan Tschinal maakt deel uit van het volk der Toewenen, die in de Russische federatie een eigen autonome staat hebben, maar in Mongolië een vrijwel genegeerde minderheid vormen van misschien nog zo'n vijftigduizend zielen. In een recent interview met de Franse krant Libération verklaarde Tschinag dat zijn volk bijna altijd met een andere stam (die van de Uriankaï) op één hoop wordt geveegd en niet in de bevolkingsstatistieken voorkomt.

Toch zijn de Toewenen een volk apart. Ze spreken geen Mongools, maar een Turkse taal, en hebben anders dan de Toewenen in Rusland veel van hun cultuur en hun sjamanistische religie behouden. En dat laatste wil Tschinag uitdragen, zolang het nog kan. Want geld, wodka en de Amerikaanse televisie zijn druk bezig de Toeweense cultuur zware slagen toe te brengen. Nog tien, maximaal twintig jaar en de ontmanteling is compleet, vreest hij.

Galsan Tschinag werd in 1944 geboren als jongste zoon in een nomadenfamilie uit het Altaj-gebergte, in het uiterste westen van Mongolië, bij de Russische grens. Reeds als kind gaf hij blijk van literaire begaafdheid als zanger en verteller in de Toeweense orale traditie. Op zijn achttiende kreeg hij de gelegenheid te gaan studeren in Leipzig. Zo maakte hij zich de Duitse taal eigen, met behulp waarvan hij vervolgens zijn schrijverschap ontwikkelde. Want het Toeweens kent geen geschreven taal. Tegenwoordig brengt Tschinag zes maanden per jaar door in de Mongoolse hoofdstad Ulaanbaatar, drie op zijn geboortegrond in het Altaj-gebergte en drie in Duitsland.

Zijn Duitse opleiding is aan Het land van de toornige wind af te lezen. Het is duidelijk voor een Duits publiek geschreven, waarbij Tschinag soms de indruk wekt Duitsland, Europa en 'de beschaafde wereld' min of meer als synoniemen te beschouwen. In de bergen van de Hoge Altaj mag dat een werkbaar uitgangspunt zijn, maar in een boek dat de uniciteit van een in eigen land genegeerd nomadenvolk bezingt, is het lichtelijk ironisch.

Tschinag begint zijn betoog uiterst bescheiden. 'Ik beschik over een tamelijk middelmatig verstand, over een voor iedere onderneming eerder ongunstig dan voordelig uiterlijk en een voor de nomadenwereld te zwakke en in verscheidene opzichten aangetaste gezondheid; ik ben traag van begrip en neig tot vraatzucht en luiheid.' Die zelfrelativering maakt echter snel plaats voor een toon waarin trots doorklinkt.

Het is daarbij niet goed uit te maken welke rol antropologe Schenk in het boek vervult. Formeel komt zij niet aan het woord, maar in het nawoord verklaart ze dat de aanvankelijke opzet was om beiden een deel van het verhaal te vertellen, elk met een duidelijk eigen invalshoek. De praktijk werd anders. 'Vrienden versmelten met elkaar en worden ten slotte onafscheidelijk. Het resultaat is onze tekst, waarin alles is vervlochten.'

Het land van de toornige wind is een poging een brug te slaan tussen Oost en West, tussen het avondland en het nomadendom. Maar, zo stelt Schenk in het nawoord, er wordt bewust en hartstochtelijk partij gekozen, en wel vóór het nomadendom. Die hartstochtelijke partijdigheid is de zwakheid van het boek. Een 'zwanenzang van een verdwijnend volk', zoals Tschinag zijn boek omschrijft, heeft per definitie de sympathie van de (westerse) lezer. Het is hier al sinds jaar en dag de enig juiste opvatting om de teloorgang van oorspronkelijke culturen te bewenen, al dan niet met krokodillentranen. Maar de idealisering van het nomadenbestaan en het voortdurend ten voorbeeld stellen van deze superieure cultuur aan de onze, is niet alleen gratuit, maar ook gemakzuchtig en kleingeestig.

Op zichzelf zijn de voortdurend terugkerende vergelijkingen tussen de Toeweense c-ltuur en de westerse (lees Duitse) begrijpelijk genoeg en hebben ze een grote illustratieve waarde. Wanneer Tschinag zijn verbijstering uitspreekt over de Oost-Duitse voorkeur voor de kleur grijs ('ons hart gaat uit naar bontheid') begrijpen lezers van uiteenlopende politieke achtergronden heel goed wat hij bedoelt. En als hij stelt dat nomaden hun woorden met uiterste zorg kiezen, terwijl westerlingen er maar wat op los babbelen, klinkt dat plausibel genoeg. Maar dan vervolgt Tschinag met: 'Dat zie je ook in de Europese poëzie. Dat is gewoon in stukjes gehakt proza en überhaupt arm aan beelden.' Dergelijke bêtises zijn niet echt bevordelijk voor de geloofwaardigheid van de overige observaties.

En waarom is het nodig aan illustratieve vergelijkingen telkens een waardeoordeel te verbinden? In een hoofdstuk over taal vertelt Tschinag dat het Toeweens geen 'lelijke woorden' kent. Een zin als 'Laat hij zijn moeder neuken!' is heel acceptabel en kan zelfs teder zijn. Maar de westerse gewoonte om 'Dank u' te zeggen wanneer iemand je iets geeft of aangeeft, wordt afgedaan als 'kleingeestig'. Ook het westerse taaleigen om soms iets heel anders te zeggen dan je bedoelt, zoals in de uitdrukking Hals und Beinbruch, vindt geen genade in zijn ogen. 'Erg grof', meent hij.

Het westerse gebrek aan respect voor ouderen, die niet bij hun kinderen inwonen, vindt bij Tschinag evenmin genade. In zijn eigen land kan hij als eenvoudige herder immers zelfs de president terechtwijzen wanneer die een jaar jonger is.

'Misschien ligt de tijd waarin onze verschillende culturen naar elkaar toe zullen groeien, niet meer zo heel ver van ons af', stelt Schenk in haar nawoord. Het is moeilijk voor dit vermoeden in Het land van de toornige wind een rechtvaardiging te vinden. En daarmee is dit boek, hoe boeiend en informatief ook, als brug tussen Oost en West mislukt. De reden laat zich raden. In haar poging de aard van hun samenwerkingsverband toe te lichten, beschrijft Schenk haar eigen bijdrage als 'een parfum (. . .) dat snel vervluchtigt, maar ook iets bitters en metaalachtigs achterlaat, een zweem van droefheid en hunkering, als je zoiets tenminste kunt ruiken. Dat moet de Europese vrouw zijn, die tot verraad neigt en graag vreemdgaat - met alle culturen van de wereld.'

Haar grootmoeder had haar kunnen vertellen dat verraad en overspel geen ideale uitgangspunten zijn bij het slaan van bruggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.