Toen Van het Reve nog niet De Grote was

Karel I: Het lijkt wel of de schrijver vanaf de allereerste zinnen die hij schreef een helder beeld voor ogen hield van de schrijver die hij wilde worden....

Zoveel vastberadenheid, zoveel toewijding aan die vastberadenheid, zoveel vlijt om een eenmaal vastgesteld doel te bereiken, je ziet het zelden. In dit eerste deel staan veel stukken die nooit eerder gepubliceerd werden. Afgezien van zijn proefschrift, Sovjet-annexatie der klassieken, uit 1954, was het overige wél gepubliceerde werk, dat ook in dit eerste deel is opgenomen, moeilijk te herlezen. Het stond in oude nummers van kranten die allang niet meer verschijnen (Het Vrije Volk), bladen die vergeten zijn (De Vrije Katheder), tijdschriften van curieuze levensbeschouwelijke stromingen waarvan de bedoelingen inmiddels onnavolgbaar zijn geworden (De Nieuwe Stem). Maar veel beschouwingen, besprekingen en verhalen die nu in dit eerste deel staan komen uit de bureaulade.

Dat zijn om te beginnen zes autobiografische verhalen, waaronder een van zestig pagina’s, die Karel van het Reve gedurende de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog en de bezetting heeft zitten schrijven. Of hij dat deed omdat hij er rekening mee hield de oorlog niet te overleven, is mij niet duidelijk. Hij begon, voor in de twintig, zijn herinneringen uit te werken, herinneringen aan het curieuze en soms ronduit krankzinnig sektarische clubleven van de Nederlandse communisten.

Op zichzelf hebben die belevenissen niet veel om het lijf: zomerkamp, verliefdheid, beroemde kennissen, ontmoetingen en gedachtenwisselingen met devote geestverwanten. Wat ze interessant maakt, is dat de ambitie schrijver te worden er zo duidelijk uit spreekt – en dat de schrijver al schrijvende lijkt vast te stellen welk type schrijver hij zou willen zijn. Hij ontdekt zijn stijl door die te vormen. De verhalenschrijver weet nog niet dat verhalen zijn sterke punt niet zijn, maar ontdekt dat hij liever commentaar geeft, commentaar dat hij pittig en met een behaagzieke hang naar grappigheid verwoordt.

Waarom zou je besprekingen schrijven van boeken die je gelezen hebt, wanneer er geen duidelijk zicht is op publicatie van die besprekingen? Als Karel van het Reve zijn eerste boekbesprekingen in De Vrije Katheder afgedrukt ziet worden – wij schrijven eind jaren veertig van de vorige eeuw – begint hij tegelijkertijd langere opstellen te schrijven over zijn lectuur. Hij moet geweten hebben dat die niet publicabel waren. Daar ging het hem kennelijk ook niet om.

Waar het hem wel om ging, staat in een van zijn vroegste boekbesprekingen over het werk van de Russisch dichter Poesjkin. Daar roemt Van het Reve diens houding om, binnen zijn eigen gedichten, als een ironisch commentator terzijde te staan. Die observatie is een beginselverklaring. In die jaren, tussen zijn vijfentwintigste en zijn vijfendertigste, ontwikkelt Van het Reve zich tot een vooraanstaand slavist. Hij leest vrij veel, hij studeert hard, maar om de slavistiek en een wetenschappelijke carrière is het hem niet begonnen. Hij wil het ambacht van de schrijver leren, van de schrijvers die hij leest en over wier werk hij schrijft.

Wie vooral de latere Van het Reve kent, de nuchtere schamperaar, die het liefst alle uitgangspunten van een opgewonden polemiek in de kranten in twijfel trok om, in de maskerade van de onbevangen buitenstaander, de bizarre vooroordelen en het bigotte bijgeloof van de deelnemers aan dergelijke publieke debatten aan de kaak te stellen, treft hier iemand die nog niet zeker is van de kracht van zijn eigen ironie. Vooral in zijn beschouwingen over Rusland en de Russische literatuur is dat een openbaring. De Geschiedenis van de Russische literatuur die hij aan het eind van zijn leven en loopbaan schreef, neemt die literatuur vaak nauwelijks meer serieus. Spotlust en relativeringszin zijn daarin een houding geworden en die houding heeft soms iets krampachtigs. In die eerste artikelen en opstellen overheerst de ernst, de toewijding. Door het nog nagenoeg ontbreken van zijn befaamde ironie zijn ze haast schools.

Karel van het Reve heeft, toen hij de gesel was geworden van modieus links in het Nederlandse openbare leven, altijd beweerd dat hij niet wist wanneer hij zijn communistische geloof was kwijtgeraakt. Hij was met de heilsleer opgevoed, had geijverd voor de zaak van de Sovjet-Unie, maar op een dag was het voorbij. De onwetendheid over de toedracht daarvan is een van zijn vele poses geweest: in deze stukken is nauwkeurig te zien wanneer dat wat hem betreft was. Dat was toen hij zich een ongeluk schrok van het antisemitisme van de communisten in de Sovjet-Unie.

Dan schuift scepsis in het vacuüm dat de religie achterliet. Die scepsis werd zijn waarmerk en zijn stilistisch wapen – en als ex-gelovige wist hij al hoe hij dat gebruiken moest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden