OorlogsboekenStrepen aan de hemel

Toen G.L. Durlacher eindelijk over de oorlog begon te schrijven, kon hij niet meer stoppen

Ter gelegenheid van de viering van 75 jaar bevrijding bespreekt Onno Blom literaire boeken die het beeld van de Duitse bezetting in Nederland hebben bepaald. Vandaag het laatste: Strepen aan de hemel van G.L. Durlacher.

Beeld Sabine van Wechem

Veertig jaar zweeg G.L. Durlacher over wat hem tijdens de Tweede Wereldoorlog was overkomen. Hij kon niet spreken over hoe hij op 2 oktober 1942 als 13-jarig Joods jongetje met zijn ouders was opgepakt, op 18 januari 1944 uit Westerbork naar Theresienstadt was gestuurd en op 16 mei 1944 op transport werd gesteld naar Auschwitz-Birkenau.

Door dokter Joseph Mengele werd hij in het vernietigingskamp met enkele tientallen andere jongens geselecteerd uit het Familienlager om te werk te worden gesteld, waarvan de andere bewoners werden vergast of weggevoerd als vee. Gerard Durlacher overleefde Auschwitz, als door een wonder. Uitgeteerd door de honger, uitgeput door het zware werk bij het Rollwagenkommando en doodziek werd hij eerst gered door een naamloze Hongaarse arts en daarna bevrijd door de Russen. In de zomer van 1945 keerde hij op kapotte, opgezwollen voeten terug naar Nederland. Daar ontdekte hij dat zijn ouders waren gestorven.

Durlacher zweeg. Wat hij had meegemaakt, was te erg voor woorden. Maar toen Sonja Witstein stierf, een goede vriendin en lotgenote uit de kampen, knapte er iets in hem. Hij liet zich onder behandeling van de psychiater Jan Bastiaans stellen, ging in psychoanalyse en begon te schrijven. Toen hij daarmee eenmaal was begonnen, kon hij niet meer stoppen. Dat leverde een prachtig, klein literair oeuvre op over de grootste misdaad uit de geschiedenis. Na zijn debuut in 1985, Strepen aan de hemel, verschenen nog, voor hij in 1996 plotseling stierf, Drenkeling, De zoektocht, Quarantaine en Niet verstaan.

‘Er is geen taal in de hel die kan overbrengen wat ik zie, hoor, ruik of proef. Dreiging en angst hebben een cordon om mijn emoties gelegd. Ik ruik de stank van verrotting en vette rook, maar begrijp niet. Ik zie en hoor de treinen, de strompelende mensenmassa’s op weg naar de vlammen, de doffe slagen, de naakte kaalgeschoren vrouwen, hun schaamte onbedekt, met drieën gekromd onder één grijs vod, druipend van het regenwater, maar ik begrijp niet.’

Strepen aan de hemel, vier innerlijk verstrengelde verhalen, begint als een recensie van Auschwitz and the Allies van Martin Gilbert, en Het gruwelijke geheim van Walter Laqueur. Het verhaal ‘De illusionisten’ vangt aan als een bespreking van de propagandafilm Der Führer schenkt den Juden eine Stadt, die in augustus en september 1944 is opgenomen in Theresienstadt. En het huiveringwekkende verslag van zijn deportatie heet bedrieglijk lieflijk ‘Het begin van een reis’.

Durlacher, een gewaardeerd socioloog, had sluiproutes en dwaalwegen nodig. Hij koesterde argwaan tegen de fictie én voor zijn eigen herinneringen, de bladen uit ‘de vergane brandkast van zijn geheugen’. Daarom controleerde hij alle feiten en deed gedetailleerd onderzoek naar wat hij zelf had meegemaakt. Hij was bang om voor fantast te worden uitgemaakt en zo de ontkenners van de Holocaust, de revisionisten, munitie voor hun leugens te verschaffen.

Toch begon hij zijn uiterst precieze, feitelijke zoektocht naar de achtergrond van de historische gebeurtenissen – waarin hij overigens óók oog had voor schoonheid en mededogen – onmiddellijk te illustreren met zijn eigen herinneringen. Als hij constateert hoeveel de geallieerden eigenlijk wisten over Hitlers Endlösung, en zij zich toch zo onverschillig toonden over de systematische vernietiging van de Joden, verschijnen Britse bommenwerpers aan de hemel boven Auschwitz.

Beneden in het kamp staan jongens in rijen van vijf, grauw van uitputting en met dikke enkels, tergend lang op appèl. ‘Het schorre gebrul van kapo’s en SS’ers wordt overstemd door het ritmische gezoem in de lucht en opeens zien wij allen de witte schapenwollen draden die door bijna onzichtbare metalen vlekjes over het lichte blauw van de hemel worden getrokken.’

Beeld Sabine van Wechem

De vliegtuigen verdwijnen weer achter de horizon. De gaskamers en crematoria bombarderen ze niet. Waarom, zo denkt de jongen, was de wereld hen vergeten?

Met dit beeld verscheen een schrijver aan de hemel van de literatuur. Dat hij ontdekte dat hij kon schrijven noemde Durlacher ‘een godsgeschenk’. Om greep te krijgen op de demonen die zijn hoofd bewoonden. Om te bewijzen dat wat hij had meegemaakt geen nachtmerrie was geweest of een vlaag van verstandsverbijstering. Om te bewijzen dat het onvoorstelbare echt was gebeurd.

Om nooit te vergeten.

Beeld Sabine van Wechem

Onno Blom besprak eerder De aanslag van Harry Mulisch, De SS’ers van Armando en Sleutelaar, De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans, Het bittere kruid van Marga Minco, Het meisje met het rode haar van Theun de Vries, De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve, Pastorale 1943 van Simon Vestdijk en Het Achterhuis van Anne Frank. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden