TOCH WEER KUIFJE

Georges Remi was de geestelijke vader van Kuifje. In het Centre Pompidou wordt getracht een beeld te geven van deze Brusselse kunstenaar....

Het is een onafzienbare rij. Vanaf het voorplein van Pompidou-Beaubourg kronkelt hij honderden meters lang het Quartier Latin in. De gevoelstemperatuur is arctisch, maar een gedisciplineerde massa trotseert de kou om een tentoonstelling te zien die zijn titel niet waarmaakt: Hergé.

Het is het pseudoniem van Georges Remi, die leefde van 1907 tot 1983 en een icoon schiep die veel groter is dan hijzelf: Tintin, zoals hij in de meeste landen heet. Kuifje, dus.

Twee verdiepingen heeft het Centre Pompidou ervoor uitgetrokken om een beeld te geven van de kunstenaar Hergé, maar de tentoonstelling slaagt er niet in: er ontstaat geen beeld en evenmin een dieper inzicht in wie hij zelf was, die Brusselaar met zijn nette overjas, die op sommige foto’s een opmerkelijke gelijkenis vertoont met onze eigen Joost Swarte.

Je zou dat een vorm van zielsverhuizing kunnen noemen, want het werk van Swarte is uit dat van Hergé voortgekomen. Ze kruipen meer in elkaars huid: in 2009 opent in het Waalse stadje Louvain-la-Neuve een spiksplinternieuw Hergé-museum en Swarte gaat daarvan het interieur ontwerpen, in samenspraak met architect Christian de Portzamparc. Die is beroemd geworden met het conservatorium voor muziek en dans in het Parc de la Villette in Parijs. De huidige tentoonstelling in Pompidou vormt de opmaat tot de opening van het museum in België, dat straks over bezoekersaantallen vast niet te klagen zal hebben, gezien de massale opkomst in Parijs.

Is de massa vooral uit fetisjistische overwegingen naar Pompidou gekomen? De bezoekers willen de potloodschetsen zien die vooraf gingen aan de gepolijste drukversies van Kuifje in de Sovjet-Unie en Kuifje en de Picaro’s. Hier is eindelijk de hand van Hergé te zien, op deze wat vergeelde bladen. Gereproduceerde kunst heeft geen aura, betoogde de Duitse kunstfilosoof Walter Benjamin, maar dat hebben deze voorstudies wel en de fans staan dicht op het glas om het aura op te snuiven. De originele tekeningen vormen dan ook het boeiendste onderdeel van de tentoonstelling, die nogal obligaat bestaat uit een biografisch deel, een chronologisch overzicht van Hergé’s productie, een gefilmd interview met de meester, en de ontstaansgeschiedenis van Raket naar de maan.

Op 10 januari 1929 werd Kuifje geboren in Le Petit Vingtième, de jeugdbijlage van de krant Le XXe Siècle. Hij was toen wat korter en dikker dan hij later zou worden, maar het is ’m al helemaal. In datzelfde jaar maakte Hergé een geniale tekening voor het blad Le Sifflet, waarop hij een karikaturale parade afbeeldde van zichzelf en zijn collega’s op de redactie: Zinneke, Jef Krollekop en Albert Nénuphar, stuk voor stuk voorlopers van schepsels als Serafijn Lampion en Trifonius Zonnebloem.

Van dit onbekende deel van Hergé’s oeuvre had wel meer getoond mogen worden. Ook albumseries als Quick et Flupke en Jo, Zett et Jocko zijn door Hergé gecreëerd, maar deze komen slechts mondjesmaat aan bod, waardoor het toch weer een Kuifje-tentoonstelling is geworden. En over Georges Remi zelf komen we ook niet veel meer te weten dan wat jaartallen en weetjes. Terwijl er best aanknopingspunten zijn om de man verder uit te diepen. Op een van de wanden zijn tientallen antwoorden uitgeprint van een enquête die Hergé ooit heeft ingevuld. Als favoriete dichters vulde hij Villon en Verlaine in en de Romeinse keizer en Stoïcijns denker Marcus Aurelius noemde hij als zijn lievelingsfilosoof. Het zou aardig zijn geweest als dit zelfportret-in-voorkeuren aan zijn leven en werken was gekoppeld. Zou je Kuifje bijvoorbeeld een stoïcijn kunnen noemen?

Strips exposeren is moeilijk. De originele tekeningen zijn meestal klein van stuk en altijd iets anders dan het voltooide werk: een gedrukt album. Wat je ophangt is dus voorstudie en op afstand niet bekijkbaar, want strips lees je, zowel het talige deel ervan als het picturale deel. Je moet er met je neus bovenop staan, en dat geldt ook voor de geëxposeerde tijdschriften, brieven en foto’s die met het stripwerk samenhangen. Dat betekent dat een tentoonstelling als deze eigenlijk niet thuishoort in een museum voor beeldende kunst, maar veeleer in een letterkundig museum waar de vitrines vol liggen met manuscripten en kroontjespennen. Deze verwarring is misschien het onvermijdelijke lot van een ambivalente kunstvorm, die tekst en beeld integreert. Striptekenaars die in Nederland een beurs aanvragen belanden bij het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, terwijl hun Belgische collega’s terecht kunnen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren. Maar het wrange is dat in hetzelfde Centre Pompidou nog een striptentoonstelling is te zien, die je in alle opzichten voorbeeldig mag noemen: BD Reporters. Hier zijn schetsen, notities en aquarellen te zien van vijfentwintig striptekenaars die reisdocumentaires maken. Kuifje zelf was tenslotte ook een journalist. Van Machu Pichu tot Charleroi, van New York tot Recife, van Gorazde tot Rio de Janeiro, van Angkor tot Afghanistan, overal landen stripreporters en in plaats van een digitale camera te trekken, pakken ze een pen en een schetsboek om vast te leggen wat ze zien.

Hergé heeft ooit gezegd: ‘Al mijn personages zijn karikaturen. Allemaal, allemaal, allemaal!’ Pikant, want het mooie van de vijfentwintig rondreizende artiesten is juist dat ze stripclichés negeren en specifieke plaatsen en individuele mensen weergeven, zodat je als bezoeker een indruk krijgt van hoe het echt is, daar in de verte. Nederlanders die een wat tastbaarder beelden zouden willen hebben van wat ‘onze jongens’ in Uruzgan te verduren hebben, zouden bijvoorbeeld de drie delen van De Fotograaf kunnen lezen. Hierin staan foto’s van Didier Lefèvre, die al sinds 1986 voor Artsen Zonder Grenzen door Afghanistan reist. Striptekenaar Emmanuel Guibert heeft die foto’s aangevuld met tekeningen die een idee geven van de ontberingen die Lefèvre heeft doorstaan. Tenslotte heeft vormgever Frédéric Lemercier beide verhalen aan elkaar gelast en er een trilogie van gemaakt die de oorlogsjournalistiek heeft verrijkt met een volkomen nieuwe vorm van verslaggeving.

Er liepen welgeteld vijf mensen rond, bij BD Reporters, terwijl de rijen voor ‘Hergé’ langer en langer werden en nieuwe bezoekers pas werden toegelaten als anderen er genoeg van hadden om langs honderden omslagen van Le Petit Vingtième te schuifelen. Kwaliteit en kwantiteit, het blijft een moeilijk huwelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden