Tim Krabbé

‘Ik schep er behagen in dat ik veruit de minst bekroonde Boekenweekschrijver ben.’ De frustratie ligt aan de oppervlakte bij Tim Krabbé (65)....

Het is een vage herinnering. Zijn vader tilt hem op en zegt: ‘Jongen, jij bent een aristocraat.’ Tim Krabbé moet nog een jongetje zijn geweest, anders had zijn vader hem niet, boven zijn hoofd, in de lucht gehouden. ‘Hoe kun je als klein kind zoiets onthouden? Misschien is het me later verteld. Maar het beeld van een vader die je optilt en zegt dat je voor iets heel hoogs bent voorbestemd – dat was mijn vader ten voeten uit. Dat moet je nooit zeggen tegen je kind. Dat heb ik ook nooit gezegd tegen mijn zoon.’

Moeilijk voor een kind. ‘Je voelt dat er hoge eisen aan je worden gesteld. Ik heb er nooit zo’n druk van ondervonden. Maar ik vond het wel vanzelfsprekend dat ik een soort genie was. En dat Jeroen een soort debiel was.’ Tim Krabbé schiet in de lach. Zijn herinnering komt terug in Een tafel vol vlinders, het Boekenweekgeschenk dat hij schreef over de intense verhouding tussen een vader en zijn (aangenomen) zoon. Hoofdpersoon Fred tilt Bram op en zegt: ‘Denk eraan jongen, jij bent geen confectie.’ Jij mag niet gewoon worden, zegt hij eigenlijk, jij moet je niet aanpassen aan de rest. ‘Fred is een combinatie van mijn vader en mij, en Bram is een combinatie van mijn zoon Esra en mij. Ik gebruik dingen uit mijn eigen leven. Maar ik had niet de bedoeling met het boek iets te zeggen over ons. Natuurlijk gebeurt dat wel, maar ik wil het niet expres doen.’

Dat uitgerekend hij het Boekenweekgeschenk mocht schrijven: ‘Geweldig voor een schrijver die nooit ook maar een stapje in de buurt van een redelijke prijs is gekomen. Ik schep er behagen in dat ik veruit de minst bekroonde Boekenweekschrijver ben.’

Heeft u nu nog steeds het gevoel dat u wordt miskend? ‘Ik heb me onttrokken aan dat gevoel door al tien jaar niet meer mee te doen aan literaire prijzen. Het is toch curieus dat iemand die nog nooit de longlist heeft gehaald wel het Boekenweekgeschenk mag schrijven. De longlist! Ik heb er nooit over geklaagd dat ik almaar niet de Nobelprijs voor literatuur krijg. Maar als een schrijver, wiens boeken nooit bij de beste 25 van het jaar hebben gehoord, wél wordt uitgenodigd voor het Boekenweekgeschenk, klopt er kennelijk iets niet in de Nederlandse literatuur.’

U blijft zich storen aan het literaire circuit. ‘Laatst kwam ik een collega-schrijver tegen die zei: ‘Jij heb toch ook van alles geprobeerd, hè? Jij hebt ook thrillers geschreven, zoals De grot.’ Dan denk ik: hoe haalt-ie het in zijn hoofd? Hoe kun je een boek zo bevooroordeeld en oppervlakkig lezen. Je voelt je toch op je ziel getrapt. Bijna alsof ze over Esra zouden zeggen: wat is dat voor raar debieltje.’

Dat zo’n opmerking u nog steeds zo raakt. ‘Als er iets slechts over je kind wordt gezegd, ook al is hij allang president van Amerika geworden, steekt dat altijd.’

U bent zo ver gekomen, u heeft genoeg succes – laat ze toch. ‘Ik weet zelf ook wel dat ik goede boeken kan schrijven. Maar daarom kun je je nog wel ergeren aan het bekrompen zijn van de bekrompenen. De hokjesgeest in Nederland. Valt iets te plaatsen in een bepaald genre, dan is het meteen ook niks anders meer. Als een boek spannend is, is het dus alleen maar spannend. ‘Dat De grot niet op de longlist kwam, was zo’n enorme klap. Zo’n verschrikkelijke duim omlaag. Hiertegen moet ik iets doen, heb ik toen besloten. Maar dat ik mijn boeken niet meer instuur voor prijzen, is pas sinds Marte Jacobs opgemerkt.’

Marte Jacobs is alom geprezen. ‘Dat kon zelfs door de meest bekrompen criticus niet als een thriller worden gezien.’

Heeft u er wel eens spijt van gehad dat u dat boek nooit heeft ingezonden? ‘Geen seconde. Dat ben ik ook verplicht aan mijn andere boeken. Ik ging me niet officieel laten zeggen dat ik eindelijk een goed boek had geschreven. Ach, eigenlijk zou je het zelfs laf kunnen noemen dat ik me erbuiten plaats. En nu dus dit soort vragen krijg: misschien had je die AKO-prijs wel gewonnen. Nou, die had ik van zijn leven niet gewonnen. Mijn besluit om zo ver mogelijk uit het literaire leven te stappen, heeft alleen maar voordelen opgeleverd.’

Want? Lacht: ‘Ja, weet ik veel. Ik heb duidelijk een eigen plaats. Ik word ook helemaal niet gezien in het licht van de Nederlandse literatuur. Prachtig. De plaats die ik heb is kennelijk: een raar soort schrijver, met wie iets geks is. Pfff.’

Zijn stille appartement, op de 19de verdieping in het Amsterdamse Oostelijk Havengebied, kijkt uit op alle schakeringen grijs. Het zachtgrijs van de lucht, het donkergrijs van het water, het zilvergrijs van de meeuwen. Voor het raam staat een telescoop.

De kluizenaar – dat imago heeft u. ‘Deze toren is daar een schitterend symbool van. Het liefst had ik helemaal bovenin gewoond. Maar dat was net niet meer vrij. ‘Ik kan goed alleen zijn; daar ben ik ook de afgelopen tien jaar naartoe gegroeid. Nog minder dan vroeger heb ik het nodig met iemand anders te zijn. Ik kan er niet meer tegen om niet elk moment van de dag zelf te kunnen bepalen wat ik wil doen, merkte ik bij mijn laatste verhouding, Een slechte prognose voor mijn samenzijn in de toekomst. ‘Maar ik heb daar volledig vrede mee en schep er veel vreugde in. Het type bestaat. De echte eenzaten. De Haagse Post had ooit een reportage over alleenstaande mannen. Een man reageerde op de vraag hoe het was om een vriendin te hebben: ‘Stel je voor. Dan moet ik nóg een wijnglas kopen!”

Toen ik u vroeg welke mensen ik om u heen kon bellen voor het interview, zei u: ‘Ik ga eigenlijk niet zo met mensen om.’ ‘Mja dat hoort er misschien bij: ik heb niet zo’n zin verplichtingen te krijgen aan mensen. Wie ik ook genoemd zou hebben: het zou verplichtingen scheppen om elkaar weer eens te zien. Om afspraken te maken.’

U trekt niet zoveel met anderen op. ‘Ik ga met ontzettend veel mensen om, maar dat zijn eigenlijk alleen maar wielrenners. Ik zit nu in een circuit van 60-pluswedstrijden, dat is een rondreizende vriendenclub. De vreugde die het met zich meebrengt als je een wielerwedstrijd wint Dan kan ik dagen niet slapen van kinderlijk plezier. ‘In het seizoen rij ik drie wedstrijden per week. Je ziet die kerels ervoor en erna. Dan klets je met elkaar. Meer heb ik niet nodig. Het gaat allemaal wel over wielrennen, maar dat zijn gesprekken over een onderwerp waar iedereen veel van weet en veel liefde voor heeft.’

Dat wilt u het liefst. Gewoon praten over een concreet onderwerp. ‘Om het gelul te vermijden is het goed het gespreksonderwerp te beperken, ja. Ik heb eindeloze chatsessies via MSN met mijn zoon van 21 die in Japan literatuur studeert. Aan de telefoon kun je niet zomaar zwijgen, dat is dwingender. Zo’n chat is perfect. Heb je even niks te zeggen, dan hoeft dat ook niet.’ Later: ‘Ik wilde niet eens vader worden. Het overkwam me, toen ik 44 was. Ik ben ongelooflijk blij dat het is gebeurd. Liz en ik gingen daarna vrij snel uit elkaar; het was wel duidelijk dat er niet nog een kind zou komen. Maar ik bleek voor het vaderschap in de wieg te zijn gelegd. Misschien kwam het ook wel door de persoonlijkheid van Esra. Misschien zou ik van een ander kind veel minder hebben gehouden. Misschien hou ik van Esra alleen maar omdat hij Esra is. En niet omdat hij mijn zoon is.’

Herkent u dingen aan hem? ‘Heel sterk. Doorzettingsvermogen. Een vermogen tot bezetenheid. Monomanie. Wat kluizenaarscapaciteiten betreft lijkt hij erg op mij. Ik weet nog dat die lieve Liz – we zijn nog goed met elkaar – en ik samen in Tokio waren en zijn eerste kamertje zagen. Schokkend klein, vol kakkerlakken. Midden in de zomer, verschrikkelijk heet. Esra zat er helemaal alleen. Hij heeft lak aan de wereld: kijkt geen televisie, leest geen kranten. ‘I’m a survival master’, zegt hij altijd. Hij vindt het heerlijk ontberingen te overwinnen. Dat heb ik met dat wielrennen natuurlijk ook.’

Toch: de trotse vader. ‘Ik ben wel trots. Op zijn kracht. Het zat er niet echt in. Hij was toch een niet al te briljant havo-scholiertje dat de hele dag op zijn bed lag te gamen. Aan wie geen enkele academische aspiratie kon worden toegeschreven. Vanaf zijn 13de had hij ineens wat met dat Japans, dat allerlei potentie in hem bleek aan te boren. Een raar gezicht hoor, om zo’n jongen urenlang het Japanse schrift te zien oefenen. ‘Esra weet wat hij wil. Hij doet het ook. Hij wordt zeker schrijver; hij schrijft al meer dan ik deed op die leeftijd – in het Japans. Daarnaast volgt hij ook nog een universitaire studie en heeft hij een halve baan als karateleraar. In november heb ik een karatetoernooi van hem gezien in Tokio. Hij won. De schwung waarmee hij tegenstanders van de mat veegt, is ongelooflijk.’

U wist op uw 14de ook: ik wil schrijver worden. ‘Ik lag in mijn slaapkamer. Met het licht aan. En ineens wist ik: ik word schrijver. Geen goddelijke exaltatie hoor, maar te vergelijken met het buiten je wil om uit bed komen. Ken je dat verschijnsel? Je ligt in bed en denkt: ik moet opstaan, maar je ligt nog steeds in bed. En ineens bén je opgestaan.

Aan de muur, naast zijn computer, hangt een portret van een jonge Esra, gemaakt door Krabbés vader, kunstschilder. ‘Ik hou erg van zijn werk.’ Na het gesprek laat hij een karakteristieke zwart-witfoto van zijn vader zien, niet lang voor diens dood. Bijna 97 is hij daarop, met indringende, levenslustige ogen. De ogen van de Krabbés.

Stimuleerde uw vader u schrijver te worden? ‘In 1956 zijn mijn ouders gescheiden, toen ik 13 was. Maar hij had een klimaat geschapen waarin het van zelfsprekend was dat wij nonconformistisch waren. Kantoor was het ergste scheldwoord dat er bestond. Zolang Jeroen en ik maar niet op kantoor terechtkwamen, was het al goed.’

‘Ik heb mijn leven te danken aan Hitler’, zei u eens. ‘Mijn moeder was joods. Tijdens de oorlog zat er een verordening aan te komen dat jodinnen enig recht hadden om te blijven als ze gehuwd waren met een Ariër en een kind hadden. Om aan de veilige kant te blijven hebben mijn ouders maar een kind gemaakt. ‘Later vroeg ik aan mijn moeder: ‘Ik had je toch al beschermd, waarom moest je nog zo nodig Jeroen maken?’ ‘Voor de sinaasappelpunten’, zei ze. Joodse humor.’ Dan: ‘Ik ben nooit joods geweest. Ik voel me te veel mens, misschien. Ik heb geen zin bij wat voor club dan ook te horen.’

Het contact met haar is tot het einde toe goed gebleven? ‘We hadden niet zo’n goed contact. We hadden een behoorlijk geprikkeld contact. Het liep allemaal niet zo geolied bij ons in de familie. Dat Jeroen en ik niet zo goed met elkaar konden opschieten, is wel bekend, vrees ik. Het is natuurlijk vreselijk voor een moeder als haar twee zoons niet met elkaar overweg kunnen.’

Het lijkt me zo jammer, als je niet met je enige broer kunt opschieten. ‘Laatst heb ik een citaat terug proberen te vinden van de Franse socioloog Raymond Aron. ‘De enige echte oorlogen zijn de oorlogen tussen broers’, zei hij. Je moet veel gemeen hebben om goed ruzie te kunnen maken. Vanaf onze vroegste jeugd zijn we nooit vrienden geweest. We hebben volstrekt andere karakters. Jeroen is een mensenmens. Ik ben een kluizenaar. ‘Mijn vader was ontzettend amateur-pedagogisch bezig. Hij maakte stripverhalen voor ons over twee broertjes die erg lief voor elkaar zijn. De tranen breken me bijna uit, als ik die tekeningen weer zie. Mijn vader wilde laten zien hoe het ook kon.’

Wat was het toch, dat u niks moest weten van uw broertje? ‘Nee, ik ga niet zestig jaar later nog een beetje klikken!’ Hij schiet hard in de lach. ‘Maar Jeroen had het mooiste wat je kunt hebben. Talent, plus vechtlust om de veronderstelde achterstand op mij ongedaan te maken. In interviews begint hij er almaar weer over: dat hij op zijn 11de onder een struikje bij het huis in Bergen zat waar wij altijd kwamen en toen besloot iedereen in zijn schaduw te stellen. Dus had hij een voorsprong op mij: zijn achterstand.’

Omdat hij jonger was dan u? ‘Je ziet vaak in tweekinder- gezinnen dat het jongste kind meer talent heeft en verder komt. De jongste heeft het oudste kind om zich tegen af te zetten én om mee verder te groeien. Hij heeft het voorbeeld van de oudste. Op een gegeven moment haalt de jongste zijn oudere broer in. Omdat hij er constant van leert.’

Kortom, Jeroen heeft veel van u geleerd. Geamuseerd: ‘Die heeft er veel aan gehad dat hij een oudere broer had, ja. Zeker omdat de oudste in onze uitgebreide familie altijd erg in de lucht werd gestoken. Ze vonden mij geweldig, dat gevoel had ik wel. En dat kom je ook wel tegen, later.’

Twee broers die allebei beroemd zijn geworden – het blijft bijzonder. ‘Ik wilde als jongetje dolgraag beroemd worden, waarvoor ik natuurlijk genadeloos ben gestraft door een broertje te hebben dat veel beroemder is geworden. Maar ja: die wou zelf ook beroemd worden.’

Wat moet die situatie tussen hun zonen erg zijn geweest voor uw ouders. ‘Vooral voor mijn moeder. Jeroen aardde meer naar mijn moeder en ik meer naar mijn vader. Als je het aan anderen zou vragen ben ik waarschijnlijk net zo’n moeilijke man als mijn vader. Dat was echt een moeilijke man.’

In welk opzicht dan? ‘Ik wil niet psychologiseren. Maar wat mijn vader betreft: hij dacht misschien te veel na. Was af en toe te hard. Liet de dingen niet gemakkelijk op zijn beloop. Hij had niet het gevoel dat hij de bal het werk kon laten doen, zal ik maar zeggen. ‘Financieel had mijn vader het altijd zwaar. Hij deed zijn best geld te verdienen met het geven van lessen. Bij een portretschildercursus was ik model. We kregen ruzie over de manier waarop we daarheen zouden gaan en ik bleef thuis. Al die mensen zaten te wachten, met een portret waarmee ze niet verder konden. Deze anekdote is tekenend voor ons allebei. Mijn vader wilde niet toegeven, hoewel hij wist dat hij dan voor een rampje kwam te staan. Ik wilde niet toegeven, hoewel ik wist dat ik hem dan een rampje bezorgde. ‘We hebben enorme conflicten gehad. Ik heb hem eens tien jaar niet gezien. Nu pas realiseer je je hoe erg dat is voor een vader. ‘Ik ben niet iemand die heel gemakkelijk leeft. Of misschien juist weer wel; het is maar hoe je het bekijkt. Ik heb überhaupt nauwelijks ideeën over hoe ik nou eigenlijk ben. Ik denk er niet zo over na, ben er niet zo in geïnteresseerd.’

De screensaver van zijn computer flikkert dwingend, eens om de zoveel seconden: Tim kom terug. ‘Het komt mij niet aanwaaien als schrijver. Ik denk niet dat ik zo’n groot natuurlijk talent heb. Misschien wel in het verzinnen van verhalen, maar niet in het schrijven zelf. Mijn grootste frustratie is dat ik niet méér heb geschreven. Dat is uiteindelijk het enige echte verdriet.’

Omdat u almaar blijft schaven aan uw teksten? ‘Ja, het heeft met mijn manier van werken te maken. En er zijn veel projecten mislukt, geaborteerde boeken. Het niet geloven in dingen. Soms zit er vijf jaar tussen twee boeken. Ik ben als schrijver nog steeds even tastend als toen ik 25 was. Alles is het begin van je carrière.’

Valt er samen te wonen met iemand die zich zo concentreert op het schrijverschap? ‘De ideale omstandigheden voor een schrijver zijn: geen vrouw hebben en er ook niet naar verlangen. En dat heb ik voor mekaar.’ Hij denkt na. ‘Heb ik ooit iets geschreven toen ik samenwoonde? Nou, ik heb nauwelijks samengewoond. Als ik vijf, zes jaar heb samengewoond in de vijftig jaar die mijn liefdesleven duurt, is dat veel.’

Waarom is het eigenlijk fout gegaan tussen u en Liz Snoijink? ‘Zoals ik zeg in Drie slechte schaatsers. De hoofdfiguren in dat boek waren wel degelijk voor elkaar bestemd, maar op een andere manier dan ze hadden vermoed. Niet in de zin van hartstocht en seks, maar in de vorm van vriendschap en gedeeld ouderschap van een leuk kind. ‘Liz en ik gaan samen naar het Boekenbal. Dat gaat vrij ver natuurlijk. Ook omdat de blaadjes wel zullen schrijven dat we weer bij elkaar zijn. Dat kan haar niet schelen en dat kan mij niet schelen. We zijn bijzondere vrienden.’

Een meeuw vliegt voorbij. Al snel is hij een stipje aan de donkergrijze horizon, ver weg.

Bent u niet bang om hier alleen te zijn, als u oud wordt, eenzaam, boven in deze toren? ‘Dat wordt lastig. Dat wordt praktisch gewoon lastig.’

Alleen praktisch? ‘Alleen praktisch. Laatst was ik ziek, en dan is het toch vervelend dat ik geen vrienden heb aan wie ik kan vragen of ze boodschappen voor me willen doen. ‘Er is geen moment dat ik denk: wat ben ik nu toch zielig, dat ik niemand heb om tegen te praten. Het is misschien wel een onnatuurlijk soort leven, zeg ik weleens tegen mezelf, maar ja, ik heb er geen last van. Mijn koersmakkers weten ook niet precies wat ze van mijn privéleven moeten denken. Een paar wielervrienden met wie ik in Oostenrijk was, vroegen me: ‘Heb je dan niet de behoefte je verhalen over de wedstrijden met iemand te delen?’ Ik zei: ‘Nou ja, ik deel ze toch met jullie.’ En als de nood aan de man komt, heb ik altijd Esra nog.’

Uiteindelijk zijn Esra en schrijven toch het belangrijkst. ‘Esra staat met verre, eenzame voorsprong aan de top. Voor hem zou ik alles opgeven. Maar dan komt het schrijven, ja.’

En pas daarna de liefde? Meteen: ‘Nee, daarna komt het wielrennen.’

cv Tim Krabbé

geboren 13 april 1943, Amsterdam,

burgerlijke staat Was getrouwd met de actrice Liz Snoijink, met wie hij een zoon heeft. Woont nu alleen.

opleiding 1960 eindexamen hbs-b, Spinoza Lyceum, Amsterdam. Daarna studeerde hij korte tijd psychologie.

werk Debuteerde in 1967 met de roman De werkelijke moord op Kitty Duisenberg. In 1978 verscheen De renner, over zijn ervaringen als wielrenner. Zijn roman Het gouden ei (1984) werd twee keer verfilmd door George Sluizer (Spoorloos, 1988 en The vanishing, 1993). Ook Krabbés roman De grot (1997) werd verfilmd. In 2007 verscheen Krabbés laatste roman, Marte Jacobs (2007). Komende boekenweek verschijnt Een tafel vol vlinders, het boekenweekgeschenk. De romans van Tim Krabbé zijn in achttien talen vertaald. en verder Was van 1970-1973 redacteur van Propria Cures en later medewerker van tijdschriften als Vrij Nederland, Haagse Post, HUMO en Playboy. Behoorde van 1967-1972 tot de beste twintig schakers van Nederland en schreef ook boeken over schaken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden