RECENSIE

Tijd heeft geen vat gekregen op taal Slauerhoff

De taal van Slauerhoff (1898 -1936) is zo fris en levend, dat de tijd er geen vat op heeft gekregen. Dat geldt ook voor de brieven van de 'dichtende zeebonk', die door Hein Aalders bijeen zijn gebracht. De mythe wordt mens.

J. Slauerhoff, geschilderd door Rob Schotsman. Beeld Rob Schotsman

Bekijk die beroemde foto eens: Slauerhoff in een kimono, met op zijn schoot iets wat een Chinese dokterskoffer zou kunnen zijn. Hij kijkt zelfbewust maar ook verlegen in de lens; zwaar overhangende oogleden, zijn mond ietwat schuw vertrokken, zijn blik staalhard. Je ziet een reiziger, een moderne kosmopoliet. Hij voelt zich thuis, in dat rare gewaad. Een onverzettelijk type, maar niet zonder zelfspot, en met een zacht gemoed. Dat zie je allemaal, als je het erin wilt zien, om te begrijpen waarom zoveel mannen, vrouwen en (eeuwige) pubers zich tot hem aangetrokken voelden. En tot zijn werk.

Leven en werk vallen bij Jan Jacob Slauerhoff (1898 -1936) samen. Dat maakt hem zo geschikt voor de eretitel 'enige écht romantische dichter in de Nederlandse literatuur'. In zijn werk geen verstild geluk, geen huiselijke taferelen, geen filosofische overpeinzing. Zo'n exoot, zo'n 'woninglooze' is zeldzaam in onze literatuur. Slauerhoff spreekt nog altijd tot de verbeelding.

J. Slauerhoff (non-Fictie) Een varend eiland Brieven. De Arbeiderspers; 456 pagina’s; € 29,99.

Fris en ongekunsteld

Dat komt ook doordat zijn taal nog zo fris is, zo ongekunsteld, niet muf geworden door het stof van de tijd. Dat is ook het eerste dat opvalt aan de brieven die Hein Aalders heeft bijeengebracht in Een varend eiland, dat uitkomt in de reeks privé-domein van De Arbeiderspers. Er is iemand aan het woord die leefde in de jaren twintig en dertig van de vorig eeuw, maar hij klinkt zo levend, zo geagiteerd, alsof hij naast je staat.

Dit was een leven als een jongensboek. Hij was een scheeparts, reisde op passagiersschepen de wereld rond. Hij voerde kundig operaties uit aan boord, kon goed opschieten met het ruwe scheepsvolk en vermaakte zich met vrouwelijke passagiers die dweepten met de charmante 'pil'. Hij trok door China en Zuid-Amerika, woonde in Tanger, schuimde rond in havensteden als Macau, Rio en Casablanca. Daarover schreef hij, proza, poëzie en reisverhalen. Ook dat werk jaagt over de wereld, rusteloos, gretig, gepijnigd.

'Lange snikken'

Om zijn werk hangt een floers van verdriet, maar sentimenteel was hij niet, al vond W.F. Hermans, een groot bewonderaar, dat zijn gedichten klonken 'als lange snikken'. Van te veel zachtheid werd hij kregelig. In een briefje aan zijn jeugdvriendin Heleen Hille Ris Lambers, die hem verpleegde toen hij malaria had, schrijft hij: 'Ik kan niet tegen al te tedere zorg. Ik ben een ruw leven gewend.'

Het geluk vond hij nergens. Op zee verveelde hij zich, dronk hij te veel en verlangde hij naar goede vrienden. Maar hij had ook tijd om te schrijven. In Nederland, waar hij huisartsen verving die met vakantie waren, had hij het na een paar maanden weer gezien: er gebeurde niks in die provincieplaatsen. Ook kreeg hij snel genoeg van zijn zeurende familieleden, van de vriendinnen die hem bij zich wilden houden en van zijn kiftende, naijverige schrijversvrienden. Praten over 'literatuur' vond hij verschrikkelijk. Dan vluchtte hij weer, de zee op.

Zo zou het tot aan zijn dood gaan. Hij woonde niet, hij leefde uit een koffer. Zijn bekendste regels zijn: 'Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,/ Nooit vond ik ergens anders onderdak.'

Zwervend bestaan

Hij deed niet koket over zijn zwervend bestaan, hij wist dat hij ertoe gedoemd was, dat het door zijn karakter kwam: 'Nu weet ik: nergens vind ik vree,/ Op aarde niet en niet op zee,/ Pas aan die laatste smalle ree/ Van hout in zand.' De regels worden vaak geciteerd op begrafenissen van andere rustelozen.

Brieven schrijven deed hij wel, onderweg of vanaf tijdelijke verblijfplaatsen, al was het maar omdat er altijd veel te regelen en te verplaatsen viel, en hij vaak met uitgevers en opdrachtgevers moest onderhandelen. Wie de gedetailleerde biografie heeft gelezen die Wim Hazeu schreef, 21 jaar geleden al weer, zal veel bekend voorkomen, want ook hij citeerde ruim uit de correspondentie.

Zwakke gezondheid

Toch verdienen deze brieven een aparte uitgave. Niet alleen omdat het zulke waarachtige en oprechte brieven zijn. Deze brieven ontkrachten enigszins de mythe die zo langzamerhand rond de dichtende zeebonk is ontstaan. Slauerhoff wordt er een stuk normaler, aardiger en menselijker in.

De neiging om te vluchten zat in zijn karakter, maar de omstandigheden werkten niet mee.

Allereerst zijn zwakke gezondheid. Op zijn 24ste had hij zijn eerste longbloeding, de eerste tekenen van de tuberculose waaraan hij veertien jaar later zou sterven. Het was zijn geheim, hij leed aan 'bronchitis'. De ziekte stond een vaste aanstelling bij een ziekenhuis in de weg en maakte hem huiverig voor langdurige relaties. Zonder vaste baan zat hij vaak in geldnood en moest hij voortdurend werk zoeken, vervangingen, maar ook journalistiek werk en vertalingen. Dat veroorzaakte onrust.

Zijn literaire vriendschappen waren onbestendig. Hij was een buitenbeentje. Du Perron haalde hem juichend het tijdschrift Forum binnen, maar na een paar jaar kregen ze laaiende ruzie. De 'onburgerlijke' Slauerhoff verweet Du Perron dat hij verwend was en de schrijver uithing terwijl hij zijn (ex)vrouwen en kinderen verwaarloosde. Alleen met zijn studievriend Hans Feriz en met Adriaan Roland Holst bleef hij bevriend. Aan hen schreef hij hartelijke en wanhopig eerlijke brieven.

Dansen

Er is één periode waarin het goed ging met Slauerhoff: begin jaren dertig, toen hij samen was met danseres Darja Collin. Het kon dus tóch. Er zijn twee brieven aan 'lieve Darita' opgenomen 'Dag lieve lieveling, houd al je warmte voor mij klaar' maar de hele correspondentie fleurt ervan op, de toon wordt vriendelijker. Darja raakt zwanger, Slauerhoff kan zijn geluk niet op. Maar het jongetje, Juan, sterft vlak na de geboorte. Na deze klap dreven de geliefden uiteen. Zij moest weer dansen, hij moest zwerven.

De man die dichtte 'In Nederland wil ik niet sterven,/ En in de natte grond bederven', stierf in een rusthuis in Hilversum, aan de dichtersziekte tbc. Een foto genomen na het overlijden toont een stokoude man van 38. In de laatste brief in dit boek, van 29 september 1936, zes dagen voor zijn dood, vraagt hij Hans Feriz om dicodid, een opiaat: 'Ik ben te moe om verder te komen. Help mij.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.