THOMAS BERNHARD

Voor vele Oostenrijkers was Thomas Bernhard een kankeraar en een schoft; bij de première van zijn laatste stuk werd een mestkar voor het theater leeggekieperd....

'MORGEN WIL hij de deur niet uit, hij wil uitzieken, ik moet hem de kranten brengen. Bovendien moet ik dringend een stuk grond of bos op de kop tikken. (. . .) Hij wil absoluut wat kopen, hij heeft een stok achter de deur nodig om weer te schrijven. Zolang hij weet dat er niet weer een flinke som geld nodig is, kan hij niet goed werken. Als alles er is, er niets meer te wensen valt, dat zijn altijd zijn slechtste periodes geweest.' (Karl Hennetmaier, 1972, over Thomas Bernhard).

Thomas Bernhard zag niet graag een mens. Hij verschool zich in zijn denkkerker, zoals hij zijn boerderij in Obernathal, Opperoostenrijk, aanduidde. Hennetmaier, makelaar in onroerend goed, voormalig biggenhandelaar en sinds '64 buurman van de schrijver, kreeg briefjes toegestopt met instructies hoe hij nieuwsgierigen buiten de deur moest houden: 'Thomas Bernhard laat zich excuseren. Snipverkouden, kan de deur niet uit.' Als zo'n periode verontrustend lang duurde hing Hennetmaier maar een zakje met brood boter en worst aan de deur.

Binnen de dikke muren van zijn Vierkanthoeve schreef Bernhard als een kluizenaar aan de werken die hem in de jaren zeventig buiten Oostenrijk vooral faam, in zijn vaderland evenwel de naam van van treiteraar, zonderling en schoft, zouden bezorgen. Want keer op keer keerde het medogenloze thema weer, van een smerig verleden dat maar geen verleden wil worden.

'Die kritische houding van doorgaande afwijzing van niet alleen de Oostenrijkse samenleving, maar van iedere vorm van zelfvoldaanheid en burgerlijke arrogantie', zegt Leonard Frank, 'zal deels verklaren waarom Bernhard in Nederland juist nog steeds graag gezien wordt.' Frank was een van de eerste regisseurs die Bernhard hier introduceerde, in 1980, met Baal. Ze brachten Het Jachtgezelschap, De Wereldverbeteraar en Voor het pensioen. Vooral het laatste stuk, waarbij Frank het publiek als het ware op bezoek liet gaan in de huiskamer van de foute hoofdpersonen, maakte indruk.

'Vaak wordt er voorbijgegaan aan het gevoel en de hartstocht in zijn teksten', zegt Frank, 'ligt de nadruk op gefoeter. Als regisseur moet je de emoties dwars door de tekst heen tonen, als je dat niet lukt, verworden de stukken enkel tot een zware litanie.'

'Over zijn dood ben ik nog steeds niet helemaal heen', zegt hij niet helemaal onserieus. Ontmoet hebben zij elkaar nooit, 'en ik geloof niet dat hij een productie van mij heeft gezien. Ach, wij zijn geen van beiden het type dat hand in hand over straat zou gaan.'

Bernhard was een Einzelgänger. Maar aan alleen de witte wanden van de Vierkanthoeve, die hem voorkwamen als de lege bladzijden van een boek, had hij niet genoeg. Bijna zoals hij zijn Wereldverbeteraar laat zeggen: 'We houden het uiteraard/niet lang uit in die rust/plotseling pijnigt die rust ons/we houden het niet meer uit.'

Hij zocht tien jaar lang toevlucht bij de makelaar, die zich na Bernhards dood er tegenover de pers pocherig op liet voorstaan 'het fenomeen van de eeuw te hebben herkend' - maar die hem in die periode waarschijnlijk daadwerkelijk van het meest dichtbij heeft meegemaakt en een jaar lang een gedetailleerd journaal bijhield van hun merkwaardige vriendschap. Het was Hennetmaier die de schrijver zijn tweede huis bezorgde, als stok achter de deur, om weer te kunnen schrijven.

En het was de buurman, of eigenlijk diens vrouw, die hem dagelijks een warme maaltijd voorzette. 'Ik heb die warmte nodig', zegt de Wereldverbeteraar, 'die opstijgende warmte/We houden van ons leven/en tegelijk haten we het/Omdat we zo eerzuchtig zijn/komen we vooruit/Ieder jaar moeilijker examens/ieder jaar grotere communicatieproblemen/Het is teveel voor een zieke.'

Thomas Bernhard was niet een ingebeelde zieke pur sang, zoals hij personages soms liet zijn. De schrijver had zwakke longen, van zijn geboorte in 1931 af aan. Zijn hele leven moest hij medicijnen slikken en indirect - uiteindelijk kon zijn hart de chemicaliëen niet meer aan - werd die oude kwaal zijn dood. Met Heldenplatz, omringd door schandalen (en mest), nam hij afscheid van zijn publiek, letterlijk: de schuwe schrijver verscheen om de toeschouwers op de eerste rij de hand te drukken. 'Ik haat het theater en daarom ben ik ertoe veroordeeld', laat hij het personage zeggen dat zijn eigen naam draagt in Claus Peymann koopt een broek en gaat met mij uit eten.

Een van de mildere opmerkingen die hij Heldenplatz' professor Robert in de mond legt, luidt: 'Oostenrijk zelf is niet anders dan een toneelplankier/waarop alles vermolmd, verrot en vergaan is'. Terwijl hij in een van zijn spaarzame interviews verklaarde: 'Ik heb mijn hart voor altijd verslingerd aan Oostenrijk.' Het was een ingewikkelde haat-liefde verhouding, met het theater, met het wereldtoneel, met het land. En in dat laatste geval niet alleen van de kant van de schrijver, maar evenzeer van de kant van dat land.

Over zijn graf heen bakte Bernhard Oostenrijk de laatste poets: zeventig jaar lang (daarna vervallen de auteursrechten) mag er niets van zijn literaire nalatenschap worden gepubliceerd, en geen stuk van hem worden opgevoerd. De autoriteiten hebben dit nooit kunnen waarderen, maar onder kanselier Klima (tevens minister van Cultuur) kwam er kort geleden een commissie die gaat onderzoeken of er aan het testament kan worden gemorreld.

'Een dorpspleinruzie', noemt Leonard Frank het, 'die alles in zich heeft waartegen Bernhard zich verzette. Het is klein, nationalistisch. De Oostenrijkers ervaren het als een blamage: uitgerekend zij mogen hun belangrijkste, internationaal erkende auteur niet spelen. Stel dat ze het testament openbreken, stel het is eenmaal zover, dan zul je zien, dan wordt hij toch niet gespeeld. Dan hoeft het niet meer. Het is laf en leugenachtig, allemaal.'

De mensheid is stapelgek op onwaarachtigheid, zo liet Bernhard toch al in De Theatermaker weten. Daarom is ze ook zo gek op het theater, die 'duizenden jaar oude perversiteit'. Liefdes- net zo goed als haatverklaringen werden door hem op onnavolgbare wijze verpakt in haast muzikale taalconstructies van herhalingen, onverwachte wendingen, afwisselend kortere en langere zinnen, die de inhoudelijke opbouw in aanklacht en woede, cynisme en emotionaliteit, hogere ideëen en volstrekte platitudes kracht bijzetten.

'Je zou het haast postmodernistische teksten noemen', zegt Mieke Kolk, docent Theaterwetenschappen in Amsterdam. 'Het zijn eigenlijk verhalen an sich, maar dan aan personages toegedacht. Hij geldt bij ons inmiddels als een van de klassieken, maar buiten het geschiedenisoverzicht krijgt hij geen extra aandacht. Je merkt wel dat studenten hem graag lezen, maar een onderzoekje of een afstuurdeerscriptie over Bernhard heb ik in geen jaren onder ogen gehad. Ik denk dat ze hem daar toch een beetje te moeilijk voor vinden.'

'Een beetje gedateerd ook', meent haar collega bij de Opleiding Duitse Taal- en Letterkunde Theo Kramer. 'In de jaren zeventig gingen we nog wel naar toneelstukken, maar dat is nu toch niet meer zo. Hij zit al in geen vijftien jaar meer in het doctoraalprogramma. Nu is het toch eerder Botho Straus.'

Ondoorgrondelijk, zwaar op de hand en elitair, dat waren de associaties die bij Dirk Tanghe opkwamen. Pas een jaar of vijf geleden, bekent hij, las hij voor het eerst iets van hem. Direct verkocht. 'Ik moest om hem lachen, zag allerlei herkenningspunten, had zin om erin te duiken.'

Het werd De Wereldverbeteraar. De partituur is prachtig. De enscenering sober. En het stuk verklapt hij, het stuk is puur, kleintjes, lelijk, mooi, ontroerend, alles.

De monoloog van de Wereldverbeteraar, maar ook de teksten van de gebroeders in Schijn bedriegt, lijken gemaakt om de speler te breken. Speelde de vileine Bernhard ook weer een spelletje met zijn acteurs? Die indruk dringt zich op, misschien nog wel het sterkst bij 'Ritter Dene Vos', genoemd naar de achternamen van de door de auteur speciaal hiervoor uitgekozen vertolkers - Ilse Ritter, Kirsten Dene en Gert Voss. De laatste bleef bijna in het woord Brandteigkrapfen, dat hij steeds sneller achter elkaar zeggen moest.

Bernhard 'wipt als een konijn' tussen onderwerpen, gevoelens en associaties heen en weer, beaamt De Wereldverbeteraar bij de Paardenkathedraal Peter De Graef. 'Je leert de tekst uit je hoofd, maar dan kun je hem nog steeds niet weergeven. Bij ieder stukje, moest ik me steeds realiseren: wat moet er met mij gebeuren. Ik moet vooral geen kankerpit worden. Ik laat een mens zien die vastzit in zichzelf en in zijn omgeving, die monsterlijke dingen doet, maar tegen wie je af en toe ook wilt zeggen: kom hier sukkeltje.'

Beide Vlamingen denken dat Bernhards stuk bij uitstek aan zal slaan bij het Belgisch publiek, dat het direct zal 'voelen', waar de Nederlanders waarschijnlijk meer op de tekst als zodanig zullen letten, en aldus het drama weglachen. 'Die taal zit ertussen, in België zit je vaak direct op het gemoed.'

Opvoering, vindt Don Duyns met gevoel voor drama, is een daad van rechtvaardigheid. Net als collega Thange is hij nog niet zo lang echt bekend met Bernhard en om dezelfde redenen; cynisch zou het zijn, intellectueel. De eerdere uitvoeringen van het Publiekstheater en Discordia had hij dan ook niet gezien. Maar Schijn bedriegt staat voor hem nu voor menselijkheid en compassie, verpakt in uiterst scherpzinnige aanvallen.

'Het is als een muziekstuk met taal, tot in de puntjes doordacht. Hij dwingt acteur en regisseur tot het uiterste, vergelijkbaar met een concert, waarin je ook geen valse noot mag spelen. Zo sterk als nu bij hem heb ik dat nog nooit meegemaakt.'

Duyns meent overigens met het stuk over de twee bejaarde broers wel een behoorlijk deel van Bernhards wereld te hebben doorgrond. 'Ik weet nu dat hier plaats is voor verlangen, naïviteit. In mijn interpretatie komen de broers elkaar nader aan het einde. Ze zeggen tenminste wat hen dwars zit.'

Enthousiast: 'Die scène wanneer de term halfbroer aan de orde komt. Toen dacht ik: alles grijpt bij Bernhard in elkaar.' Duyns verwijst naar halfbroer Peter Fabjan van Bernhard, de internist die hem begeleidde tijdens het stervensproces, en die na enige aarzeling nu ook vindt dat het testament opengebroken moet worden.

Niet doen, meent Duijns. 'Dat testament is een kunstwerk op zich.'

Schijn bedriegt, door Growing up in Public. Regie: Don Duyns. Première: 28 november in De Brakke Grond, Amsterdam. Tournee.

De Wereldverbeteraar, door De Paardenkathedraal. Regie: Dirk Tanghe. Première: 28 november in de Stadsschouwburg Utrecht. Tournee.

Nader toegelicht, programma met interviews en videofragmenten rondom Thomas Bernhard. Zondag 30 november, Stadsschouwburg Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden