Boekrecensie Memoires van een componist ****

Theo Loevendie kiest in zijn memoires voor de observerende rol

In zijn memoires kiest componist, blazer en improvisator Theo Loevendie de observerende rol. Beknopt maar raak beschrijft hij zijn muzikale omgeving.

Beeld Claudie de Cleen

Komt een zangeres bij een componist. Hij heeft haar nodig voor de hoofdrol in zijn eerste grote opera en maakt zich zorgen: worden dit vocalistenkuren, deftigedamesgedoe? Opluchting. De gelauwerde mezzosopraan roept bij het betreden van zijn flatje ‘wat een troep’ en begint meteen aan de afwas. Schone vaat en weer een vooroordeel minder.

Komt diezelfde componist de artistiek directeur tegen van het Concertgebouworkest. Op straat. Het directielid wil uit zicht blijven en wijkt uit met een hinkstapsprong. Tevergeefs. Maar helaas voor de componist, inwilliging van zijn vurige wens – herneming van een opdrachtwerk dat bij de première in het Concertgebouw ondermaats werd uitgevoerd – blijft uit. Weer een ontgoocheling erbij.

Ook blies de componist sopraansax in een big band, waar hij jazzprincipes introduceerde, zo origineel dat menig tijdgenoot – vroege jaren zestig – steil achterover sloeg. De bandleider was een afgestudeerd arts-onderzoeker, wat goed van pas bleek te komen wanneer bandleden acute zorg behoefden na een overdosis alcohol. Zelf lustte de bandleider ook meer dan goed was voor een arts-onderzoeker.

Toch weer een traditie bevestigd.

De man die in Memoires van een componist een observerende rol kiest – tussen bandleider Boy Edgar, de mezzo Jard van Nes, Campert, Bernlef en honderden anderen die in ultrakort bestek verschijnen en verdwijnen – kan alleen maar Theo Loevendie zijn. Blazer, improvisator, kenner van uitheemse trommen en snaren, componist van fijnmazige ensemblemuziek, van groot bezet werk als Flexio (voor het Concertgebouworkest) en opera’s als Naima en het recente, net op cd verschenen The Rise of Spinoza.

Vertrouwd met barokinstrumenten. Geen onbekende ook in café Welling, zijn parttime huiskamer achter het Amsterdamse Concertgebouw. Loevendie zetelt daar met regelmaat achter een elektrisch klavier en improviseert er, bijna 88 nu, met jongere kompanen als de gitarist Maarten van der Grinten en de drummer Joos Lijbaart. Repertoire: standards en ruig jazzwerk uit de eigen knar. Saxofoonblazen hebben dokters hem verboden. Hij noemt zichzelf een ‘fatalist’. Maar luchtig melden zijn memoires – na bondige statements over microtonen, vrouwelijke componisten en krokettenbeleid in de VARA-kantine – dat er nog compositiewerk voor de Cello Biënnale 2018 aan zit te komen. En bovendien, ijs en weder dienende, een orkestpartituur voor Amsterdam en Minnesota.

Memoires van een componist

****

Theo Loevendie

Prometheus; 285 pagina’s

 € 19,99

Het is dat de instrumentenbaas van de Postharmonie nog een lekke klarinet voor hem in de aanbieding had, toen hij zich kort na de oorlog aanmeldde als jonge Kinkerbuurter met trompetambities. Anders was het allemaal misschien nog anders gelopen ook. Een piano zat er voor Theo en zijn onbemiddelde moeder niet in. Een blokfluit voor onder de dekens, daar kon hij het in zijn jongere jaren mee doen. En bezoekjes met schoolmeester Können aan de Westerkerk, als de organist Bach speelde. Het beroepsadvies dat hij kreeg (‘muziek’) rustte op smalle basis: hij zat nootjes te krabbelen op het keuzeformulier.

Het werd ‘jazz’ omdat dat iets was waar je jezelf in kon opleiden. Ook al werd de eerste betrekking, in de Trocadero op het Rembrandtplein, al snel beëindigd omdat animeermeisjes er de zenuwen van kregen. Op zijn 25ste naar het conservatorium. Op z’n 30ste pas een ‘klassieke’ compositie. 47 was hij bij zijn internationale doorbraak met Six Turkish Folk Poems. Niet speciaal door Turken omarmd, maar gekruid met oriëntaalse ritmen en toonverbindingen – een interesse die resulteerde uit zijn eerste huwelijk, met een Turkse, en meer nog uit contacten met haar land en familie. Zijn fascinatie waaierde uit naar alle culturen die een ‘andere’ vedel, modus of maatsoort te bieden hadden, waarna Loevendies ‘niet-westers klassieke’ ensemble Ziggurat ten slotte ontplofte wegens gebrek aan zelfsturing – iets waar jazzmusici nu juist weer wel over beschikken.

Snip en Snap was het theater van zijn jeugd. Later zette hij zijn fiets bij Carré om er eigen opera’s te zien. De tekstschrijver van Esmée, Jan Blokker, ontpopte zich als gedroomde Loevendie-librettist, ook door ‘niets’ te begrijpen ‘van wat zich in zo’n muziekhoofd afspeelt’.

Loevendie begrijpt daar evenmin iets van en komt daar rond voor uit. Begiftigd met een gehoor van jewelste, schuwt hij de muzikale zelfanalyse. ‘Stijl is als een manier van lopen. Anderen zien het, maar jijzelf niet.’ De term crossover-figuur kan hem humeurig maken, al was hij er een avant la lettre, en dan waarachtig een echte.

Loevendies pianovingers zijn tanig. Het spel is uitgedund, maar wonderlijk welgemikt. Dat zet zich voort in Loevendies schrijfstijl. Kort. Veel lijkt weggelaten. Dat hij als kind zijn moeder een zelfmoordpoging zag doen: een regel als uit een oud telegram. Een flits van compassie is er voor de leuke tante Riekje die de dood zocht in de gracht. Laat kwam er begrip voor de alcoholische vader, een overlever die zomaar de Herengracht in fietste, geen goede wallekant vond, en dan maar doorzwom en zich drie grachten verder op een dekschuit hees. De totaalindruk is die van een sluitend verhaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden