Reportage The Shed

The Shed is nog maar net open, maar het kunstcentrum in New York moet zich nu al verweren

The Shed Beeld Marco Stoker

In New York is The Shed geopend, een nieuwe cultuurtempel in een exclusieve miljardenwijk. Niettemin wil The Shed alle kunstvormen gelijk behandelen en een divers publiek trekken. Heeft dat kans van slagen?    

Het is zondag iets na negenen en in The Shed kun je een speld horen vallen. Kelsey Lu heeft net Strange Fruit gezongen, Billie Holidays lied over het lynchen van zwarte Amerikanen, in een versie die door hart en ziel snijdt. Later zal ze haar eigen dromerige popnummers spelen. Ze heeft een stem die fluisterend maar glashelder kan zijn. Ze heeft een cello die ze aait én afragt. En ze heeft een podiumaanwezigheid die je omver blaast, even betoverend als ontregelend, gehuld in een Frida Kahlo-achtig korset en een wolk van roze tule.

28 is ze, haar debuutalbum komt volgende week uit. ‘Wow’, vat Greg Phillinganes, leider van de huisband het na afloop samen: ‘Ik denk dat we ons allemaal zullen herinneren waar we waren toen we Kelsey Lu voor het eerst zagen optreden.’

In The Shed dus, een van de meest ambitieuze nieuwe kunstinstellingen in New York sinds jaren, waarvan de opening al is vergeleken met die van het Lincoln Centre in de jaren zestig. Dit zou zomaar een toeristische bestemming kunnen worden. Afgelopen dagen opende The Shed met Soundtrack of America, een serie van vijf concerten waarin een hommage wordt gebracht aan de geschiedenis van de Afro-Amerikaanse muziek – bedacht en samengesteld door filmmaker en kunstenaar Steve McQueen (12 Years a Slave).

Deze zondag is een eerste aanwijzing dat het kan werken, de gewaagde missie van deze prestigieuze kunsttempel: op het podium staan nauwelijks bekende namen, maar vooral opkomende talenten. In het publiek ook geen mecenassen in driedelig pak of bobo’s in baljurken (voor hen organiseerde The Shed tevoren wel een feestje), maar een mix van twintigers tot en met zestigers, vanuit elke etnische hoek die New York rijk is. The Shed geeft daarmee zijn visitekaartje af: de instelling streeft naar gelijkheid, zoals directeur Alex Poots het formuleert. Gelijkheid tussen alle kunstvormen – van hiphop tot klassieke muziek, schilderkunst en beeldhouwkunst tot literatuur, film, theater en dans. Gelijkheid tussen gevestigde en beginnende kunstenaars. En gelijkheid tussen publiek van elke economische of culturele afkomst – The Shed heeft voor New Yorkse begrippen aantrekkelijk geprijsde kaartjes.

Toch vindt bandleider Phillinganes het nodig het publiek zondag op het hart te drukken dat The Shed ‘géén speeltuin voor miljardairs is’. ‘Het is een speeltuin voor heel New York.’ Het kunstcentrum, dat een verbluffende 529 miljoen dollar aan donaties wist binnen te halen, wordt namelijk niet alleen met enthousiasme ontvangen, maar ook met de nodige scepsis. Dat heeft veel te maken met de ontstaansgeschiedenis.

New York heeft The Shed te danken aan een mislukte poging om de Olympische Spelen in 2012 naar de stad te halen. Van meet af aan was een nieuw kunstgebouw onderdeel van dat plan. De Spelen gingen niet door, op de reeds gereserveerde plek verrees uiteindelijk Hudson Yards, een miljardenwijk voor de megarijken. Het kunstgebouw werd een prestigeproject en kon – zonder duidelijk omlijnd plan wat erin moest komen – rekenen op 75 miljoen overheidsgeld; wat kwaad bloed zette in New York. Kon dat bedrag niet beter worden besteed aan de vele kunstinstellingen (soms met financiële problemen) die er al zijn?

De vraag wat The Shed zal toevoegen aan het culturele landschap van New York, is gebleven. Ook nadat directeur Poots een missie had geformuleerd: The Shed gaat kunstenaars vragen louter nieuw werk te maken en hoopt daarbij op nieuwe dwarsverbanden en innovatieve vormen van kunst. Maar kan dat worden afgedwongen door een top-downinitiatief, met miljoenen van de overheid en (vastgoed)miljardairs? Ontstaat de boeiendste kunst niet meestal van onderaf?

Het centrum is nog maar net open, en The Shed moet zich al verweren. Wat valt er te verwachten van het nieuwe kunstgebouw? Wat zijn de kansen en wat de uitdagingen? En: waarom moet je er als toerist naartoe?

Programmering

Het succes van The Shed staat of valt met wat er te zien is. En de programmering klinkt behoorlijk spannend. Alles gaat om het mixen van disciplines: of het nu gaat om een filmische ervaring van de schilderijen van Gerhard Richter met live uitgevoerde muziek van Arvo Pärt en Steve Reich, een concert van Björk geregisseerd door een filmmaker of een gedicht van Anne Carson uitgevoerd door acteur Ben Whishaw en sopraan Renée Fleming.

Het avontuurlijkste voorbeeld van The Shed-aanpak is Dragon Spring Phoenix Rise, een kungfu-musical over Chinese migranten in de New Yorkse wijk Flushing. Film- en operaregisseur Chen Shi-Zheng klopte aan bij directeur Poots met een videootje. Die gaf hem de kans zijn plan uit te werken met de schrijvers van de film Kung Fu Panda. De liedjes zijn geschreven door popkoningin Sia, de dans is geïnspireerd op martial arts. Chen Shi-Zheng wil de scheiding tussen publiek (tribune) en performers (podium) opheffen, en plaatst iedereen in dezelfde ruimte: de buik van een draak in dit geval. Dansers begeven zich voor, tussen en boven het publiek. En bezoekers zullen de hete adem van de draak gaan voelen, letterlijk.

De directeur

Grote troef van The Shed is de directeur. Toen het kunstcentrum in 2014 bij Alex Poots aanklopte, was er een naam (The Cultural Shed), en een ontwerp voor een gebouw, maar was onduidelijk wat het eigenlijk zou moeten worden. Iets met podiumkunsten? Toch een soort kunsthal?

Poots, oprichter van het Manchester International Festival en artistiek directeur van Park Avenue Armory in Manhattan, zette het allemaal naar zijn hand. Hij verkortte de naam (‘Apple heeft het ook niet over Apple Computer’), hij liet het gebouw aanpassen (zodat er concerten van 108 decibel kunnen worden gehouden). En hij bedacht een nieuwe (duurdere en riskantere) missie: The Shed gaat louter wereldpremières tonen. Hij nodigt kunstenaars uit nieuw werk te maken en probeert daarbij verschillende kunstdisciplines samen te brengen. Ook wil hij opkomend talent verbinden met gevestigde namen.

‘We zijn innovatief, experimenteel en risicovol’, zei Poots afgelopen week tijdens een voorbezichtiging. ‘Hier gaan kunstenaars nieuwe formats uitvinden.’ Of The Shed zich in de praktijk genoeg zal onderscheiden van andere New Yorkse kunstinstellingen en een divers publiek weet te trekken, valt nog te bezien. Maar Poots heeft een reputatie: als programmeur maakte hij van The Park Avenue Armory een spannende, eigentijdse place to be. En Poots heeft een immens netwerk; Steve McQueen, Björk en Ben Whishaw verbonden zich al aan The Shed.

Het gebouw

Een ‘vliegtuighangar verpakt in bubbeltjesplastic’, een kantoor ‘gehuld in een dekbed’ of een verfrommeld boterhamzakje. De associaties die The Shed oproept, zijn niet de meest charmante. Het gebouw wil dan ook geen indruk maken met zijn looks, het gebouw wil imponeren met zijn prestaties. The Shed is een slím gebouw. En alleen al daarom het bezoeken waard.

The Shed (ontwerp: Diller, Scofidio + Renfro en de Rockwell Group) bestaat uit een glazen doos die uit de bodem van een hoge woontoren steekt. Daarover is een transparante overkapping geplaatst, die op zes wielen van de toren af kan bewegen om in slechts vijf minuten het plein voor The Shed te overdekken.

Het zo ontstane McCourt (1.600 vierkante meter groot), een woordspeling met de naam van een donateur, is bestemd voor grootschalige evenementen: een concert van Björk bijvoorbeeld. De overkapping kan deels openblijven, maar ook licht- en geluiddicht worden afgesloten; buren zullen geen last hebben van Björk, bezoekers zullen niets horen van voorbijrazende sirenes. Aan het stalen skelet van de overkapping zweven binnenkort de dansers van een kungfu-musical omlaag.

Het interieur van The Shed kent geen visuele franjes, ook hier is alles gericht op functionaliteit. Zo hebben de twee expositieruimtes (elk ruim 1.000 vierkante meter) plafonds van 6 meter hoog, zonder pilaren. De black box op de zesde verdieping kan in meerdere geluiddichte zalen worden opgedeeld. Ook de glazen voorpui van The Shed is flexibel; elke verdieping kan naar het McCourt worden geopend – voor het plaatsen van extra tribunes bijvoorbeeld. Op de gevel zullen soms films worden geprojecteerd, voor (gratis) voorstellingen op het plein.

The Shed Beeld Bloomberg via Getty Images

Het budget 

The Shed heeft tot nog toe 529 miljoen dollar aan donaties opgehaald (bestaand uit 75 miljoen overheidsgeld en voor de rest privégeld van toenmalig burgemeester Bloomberg en wat andere miljardairs), ook voor New York een buitengewoon startbedrag. Daarvan is zo’n 475 miljoen dollar in het nieuwe gebouw gaan zitten, de rest in organisatie en programmering ­– nieuwe opdrachten aan kunstenaars.

Maar nu begint het pas. Jaarlijks heeft The Shed naar schatting 50 miljoen nodig. Geen sinecure: mecenassen steken hun miljoenen liever steken in iets blijvends als een gebouw dan iets vluchtigs als programmering. Bovendien zal de The Shed om hun geld moeten wedijveren met vergelijkbare kunstinstellingen in New York, zoals de Brooklyn Academy of Music en The Park Avenue Armory. En met nieuwe instituten, zoals het Ronald O. Perelman Centre voor podiumkunsten, dat over twee jaar bij het World Trade Centre opent.

The Shed hoopt een deel van zijn budget te vergaren door verhuur van de bovenste verdieping, The Tisch Skylights, mogelijk aan de Fashion Week.

De omgeving

The Shed is onderdeel van The Hudson Yards, een nieuwe wijk (een schaars goed in het overvolle Manhattan), gebouwd over een spoorwegemplacement. Het plukje kantoren, een warenhuis en de wolkenkrabbers voor de superrijken (bouwkosten 25 miljard dollar) is nu al een van de meest gehate stukjes New York. Critici fakkelen het unaniem af: het is een ‘gated community voor de 0,1 procent’, waar de individuele gebouwen niet samenwerken, maar elk op zichzelf staan te glanzen als ‘parfumflessen in een warenhuis’. ‘Alsof de topambities van het stadsleven bestaan uit het consumeren van luxegoederen en het genieten van een soepel, verleidelijk, geesteloos materialisme’, brieste The New York Times.

Symbool voor dit alles staat The Vessel, een glanzende, koperen bijenkorf, 45 meter hoog en 200 miljoen dollar duur, van de Britse architect en ‘miljardairfluisteraar’ Thomas Heatherwick. Het is een trappenhuis dat nergens toe leidt, ‘nutteloos’, ‘ijdel’, en louter gebouwd voor Instagram. The Vessel wordt ook wel ‘de prullenmand’ genoemd.

In deze ‘ultra-kapitalistische Verboden Stad’ (The Guardian) wil The Shed dus een kunstcentrum worden, niet alleen voor alle soorten kunst, maar nadrukkelijk ook voor alle soorten publiek: van elke economische en etnische achtergrond. ‘Een inclusieve instelling in een exclusieve wijk’, wordt er al gegrapt. Of dat kans van slagen heeft?

Relatief betaalbaar

Kaartjes voor activiteiten in The Shed zijn over het algemeen iets goedkoper en diverser geprijsd dan bij veel andere New Yorkse instellingen (al kun je er genoeg geld stukslaan). Tentoonstellingen zijn gratis voor bezoekers onder de 18 jaar, daarboven 10 dollar. Een bezoek aan de tot film verwerkte schilderijen van Gerhard Richter met livemuziek van Steve Reich en Arvo Pärt kost tussen de 25 en 35 dollar, kaartjes voor de dichterlijke theatervoorstelling met Ben Whishaw en Renée Fleming waren er vanaf 45 dollar (tot 189 dollar). Ook de kungfu musical Dragon Spring Phoenix Rise ligt in die prijsklasse. Een voorstelling van street dance pionier Reggie ‘Regg Roc’ Gray kost daarentegen 35 dollar. The Shed biedt kaartjes voor 10 dollar aan voor mensen uit New Yorkse achterstandswijken. Alle kaarten zijn online te bestellen. theshed.org 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden