Teruggaan en herkauwen

Nobelprijswinaar Seamus Heaney (1939) is een herdenker. De drijfveer en thematiek van zijn dichterschap liggen in de herinneringen. Heaney is de belangrijkste gast op Poetry International, dat morgen begint....

In de eerste bundel van Seamus Heaney, Death of a Naturalist uit 1966, staat een gedicht waarin de dood van het jongere broertje van de dichter wordt behandeld. ‘Mid-Term Break’ heet dat gedicht, ‘Voorjaarsvakantie’, zouden wij dat noemen, of desgewenst ‘Herfstvakantie’: het doodsbericht onderbreekt het schooljaar met een dag of wat vrij. ‘I sat all morning in the college sick bay’, schrijft Heaney, ‘counting bells knelling classes to a close.’ De klas uit, de ziekenboeg in: er is niet veel voor nodig om je in die schooljongen, weg van huis op kostschool, die zojuist heeft vernomen dat zijn 4-jarige broertje een fataal auto-ongeluk heeft gehad, te verplaatsen. Op de verkeerde plek, op het verkeerde tijdstip, hij.

De dichter ook, ver van de onmiddellijke rauwheid van de gebeurtenis, ver weg van de eerste rouw ook. De afstand scheidt hem van het drama en de eropvolgende smart, van zijn familie. ‘In the porch I met my father crying-/ he had always taken funerals in his stride –’. De schooljongen loopt het huis binnen waar al de onverzettelijke murwheid hangt die altijd op de eerste harde klap volgt. Daar deint de weeë geur van het rouwbeklag door de kamers, ‘when I came in, (...) I was embarassed/ By old men standing up to shake my hand// And tell me they were “sorry for my trouble’’/ Whispers informed strangers I was the eldest/ Away at school*’

Wie houdt zich goed tijdens het indringende handen schudden, die mengeling van mededogen, verlegenheid en onhandigheid? Zeker zo’n opgroeiende knul niet: verwrongen, met zichzelf geen raad, misplaatst, aan alle denkbare verwarring ten prooi. Bovendien: er niet bij geweest, uit fase met het verdriet van de overige familieleden. ‘He lay in the four foot box as in his cot (*) A four foot box, a foot for every year.’

‘Het herkauwen van de herinnering’, zal Heaney negen jaar later, in de bundel North, schrijven, ‘voor één keer getemperd.’ Wij ‘stellen ons/ degenen onder de heuvel voor’, heet het in dat gedicht, dat in de Nederlandse vertaling ‘Begrafenisriten’ heet. ‘Ik nam een soort mannelijkheid/ op mijn schouders toen ik aantrad/ om de kisten van dode familieleden/ op te tillen.’ Het wemelt in Heaney’s poëzie van de begrafenissen, de grafheuvels, de graven en de herinnerde doden. Talrijk zijn de gedichten waarin hij de herinnering aan hen herkauwt, in gedachten andermaal, in fiere mannelijkheid en niet minder fiere dichterlijkheid, de kist op zijn schouder neemt. Heaney is een herdenker, een gedenker. Dat herkauwen van de herinnering is de drijfveer en de thematiek van zijn dichterschap, en het gaat daarbij zowel om eigen herinneringen als collectieve.

Veertig jaar later, in de zojuist verschenen bundel District and Circle – zijn twaalfde –, gaat Heaney opnieuw terug naar het graf van dat broertje. ‘The Blackbird of Glanmore’ heet het gedicht, ‘De merel van Glanmore’; Glanmore ligt in Ierland, het land waar Heaney in 1939 geboren werd en in de geschiedenis, een geschiedenis van geweld en gedenken, waarvan hij tot aan zijn ruige wenkbrauwen geworteld is. In de bundel Field Work, uit 1979, staat een reeks sonnetten over het plaatsje. Die merel dartelt in de struiken van het kerkhof en houdt de herkauwende memoralist achterdochtig in het oog, ‘ready to scare off/ At the very first wrong move’.

De dichter houdt in, bekijkt die merel eens goed en haalt adem, ‘just breathe and sit’. Dan, in dat rustieke moment, is de dood ineens werkelijk dichtbij, en een vreemd verlangen overvalt hem: ‘I want away/ To the house of death, to my father// Under the low clay roof’, en dat lage lemen dak is vanzelfsprekend ook de laag aarde die op die andere kist rust, de leemlaag van de tijd die het verleden eronder houdt. ‘I think of one gone to him,/ A little stillness dancer – Haunter-son, lost brother.’

Dat verlangen, dat voortkomt uit een gevoel van intense verbondenheid met de doden, die verloren broer en alle verloren broeders uit de geschiedenis die maar blijven rondspoken in de coulissen van de herinnering, is het voortdurend terugkerende en in alle denkbare toonaarden bezongen onderwerp van Heaney’s poëzie. Dat is de poëzie van het teruggaan, teruggaan naar plekken, teruggaan in de tijd. De wereld waarin hij zich als volwassen, onafhankelijk en gezond mens beweegt, is een wereld van overwoekeringen, een wereld van onvereffende rekeningen, van wildgroei en aarde die de geschiedenis aan het oog onttrekken terwijl juist die geschiedenis onze voedingsbodem vormt. Wie vanuit dat besef leeft, kan overal zijn hart ophalen, maar zeker in Ierland, het land waar de geschiedenis blijft spoken, van trol tot trekker. Heaney schrijft als iemand die iets goed te maken heeft, als de man die te laat kwam voor de begrafenis.

Het mooist en het meest karakteristiek is dat in zijn befaamd geworden gedicht over een veenlijk dat ooit op Jutland, Denemarken, uit een moeras is gekomen, ‘De Man van Tollund’. Heaney’s poëzie is een noordelijke poëzie: de onvriendelijke natuur, de vroegste geschiedenis van een ruw en diep sentimenteel volk zijn hem vertrouwder dan de lieflijkheid van het zuidelijke landschap en de mildheid van zijn bevolking. Behalve dat uitgeloogde veenlijk uit Tollund komen we ook nog ‘De Man van Grauballe’ tegen in zijn werk, ‘Alsof hij gegoten was/ uit teer, zo ligt hij/ op een kussen van turf/ en lijkt te huilen// de zwarte rivier van zichzelf.’

Maar die van Tollund spant de kroon. ‘Eens zal ik naar Aarhus gaan/ Om zijn turfbruine hoofd te zien,/ De zachte schillen van zijn oogleden,/ Zijn spitse kap van huid (...) Zijn gebeitste gezicht.’ En het verlangen oog in oog te staan met die verre Viking komt voort uit een krachtige identificatie: ‘Iets van zijn trieste vrijheid/ (...) Moet ook over mij komen/ (...) Ver weg daar in Jutland (...) Zal ik mij verloren wanen,/ Mistroostig en thuis.’

In die paradoxale regels, die al oud en klassiek oogden toen zij werden geschreven, zit de sleutel, die betoverend mooie formule van ver weg en thuis te zijn in onoplosbare mistroostigheid. Dat levensgevoel verklaart en rechtvaardigt het eeuwige terugkeren, die diepe verbondenheid met wat er aan ons en onze tijd en cultuur vooraf is gegaan. Daarom ook keert Heaney in zijn nieuwe bundel andermaal terug naar die Man van Tollund, zoals hij dat ook al deed in twee eerdere bundels, bundels die verschenen nadat hij zijn magnifieke gedicht had geschreven. Teruggaan en herkauwen.

Dit keer gaat hij, ‘lapping myself in time’ – zichzelf omwikkelend met tijd – ‘neither god nor ghost’ en terminologisch helemaal van onze tijd: ‘Into your virtual city I’ll have passed/ Unregistered by scans, screens, hidden eyes’, want wat je ook in de gaten kunt houden, de verbeelding gaat vrijuit. In dat nevelachtige verleden van veenlijk en moeras snaait hij een bosje schaafstro, ‘met wortel en al’, om het uit dat verleden mee te smokkelen, ‘Dust in my palm/ And in my nostrils dust’. Zoals een turfsteker zou doen: de rug rechten, in zijn handen spugen, ‘and spirited myself into the street’. Iets opgedaan in dat verleden, aanzienlijk meer dan dat bosje stro zelfs, wijzer geworden.

Dat is en blijft maar terugkeren. In Iowa staat een oude maaimachine in de sneeuwstorm, en sneeuw hoopt zich op, op de wielen en de messen, het glanzende metaal verdwijnt onder de tijd. Heaney is er onder de Mennonieten, de Wederdopers, en hij weet zich ‘een ongedoopte die duisternis had gekend/ Omstreeks het derde uur en de voorhang in flarden’. Let op de dubbele verwijzing naar de christelijke traditie, de ongedoopte bij de Wederdopers, en die duisternis en dat gescheurde gordijn komen vanzelfsprekend uit het paasverhaal in de evangeliën, de dramatische gebeurtenissen aan de vooravond van de wederopstanding. Goede rooms-katholieke jeugd in Ierland achter de kiezen, die dichter, dus wat wil je.

Heaney’s poëzie is altijd concreet: zij hecht zich aan smeden, turfstekers, aardappelrooiers, kappers, rietdekkers en verwijst, met naam en toenaam, naar mensen en plaatsen die bestaan hebben of nog bestaan. Hoeveel gedichten schreef hij over Anahorish, waar hij school ging? Ook nu komt hij er weer op terug. In ‘Höfn’ is de Alpiene gletsjer die het, met de stijgende temperaturen op aarde, dreigt te begeven reëel – en juist dat brengt de oertijd waaraan die gletsjer ontsprongen is, zo dichtbij: ‘What will we do, they ask, when boulder-milt/ Comes wallowing across the delta flat?’ De dichter bedenkt dat al dat ijs ieder warm woord in zijn mond zou doen bevriezen als hij het op zijn dak zou krijgen en hem het lot van de veenlijken zou bezorgen.

Er is één beeld dat in die nieuwe bundel vaker terugkeert dan voorheen, dat van een deksel op een pan of een ketel dat omhoog komt als de inhoud van die pot aan de kook komt. Mooi beeld: het zware metaal wordt opgestuwd door de lichte stoom; het kost niet veel moeite daar de druk van de verbeelding in te herkennen, licht als lucht, krachtig genoeg om de blokkade van het heden en de murw makende verdringing van zijn plaats de duwen. In ‘Anything can happen’ – een bewerking van een van de Oden van Horatius – worden de Twin Towers onderwerp van die procedure, ‘... You know how Jupiter/ (...) ... galloped his thunder cart and his horse// Accross a clear blue sky’. Jupiter is weliswaar ver verwijderd van het opperwezen uit wiens naam die islamitische fundamentalisten hun donderwagens koers lieten zetten naar Manhattan, maar ‘... it shook the earth/ And the clogged un-derearth, the River Styx/ The winding streams, the Atlantic shore itself’. En dan komt het, dat beeld: ‘The heaven’s weight/ Lifts up Atlas like a kettle-lid’.

Dat is schitterend – en blijkbaar had Heaney dat zelf ook door, want in ‘A Stove Lid for W.H. Auden’ komt het nogmaals voorbij. Onder het deksel een andere wereld, die kookt en broeit om naar boven te komen: de gedachte verschilt niet wezenlijk van al die graverij en grafbezoeken, al dat herdenken en herkennen. ‘District’ en ‘Circle’, de dragende woorden van de titel van Heaney’s nieuwe bundel, zijn twee metrolijnen in Londen, en in het titelgedicht is het de oppositie tussen de spelonken van de ondergrondse tunnels en de parken vol vrolijke en vrijende mensen erboven die de oppositie vangen. De dichter, ondertussen, graaft, naar boven of naar beneden, dat doet er niet eens zoveel toe.

Dat had hij, helemaal aan het begin van zijn loopbaan, al eens uit de doeken gedaan, in het programmatische ‘Graven’: ‘Tussen mijn vinger en mijn duim/ Rust de logge pen; knus als een pistool (...) Met hem zal ik graven.’ Aan de Nederlandse vertaling van Heaney’s vorige bundel, Elektrisch Licht, is gelukkig een royale selectie uit zijn eerdere werk toegevoegd, zodat hij ook weer toegankelijk is voor wie geen zin heeft om eindeloos in woordenboeken en encyclopedieën te graven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden