ESSAYPakistan

Terug naar Pakistan, mijn vergeten vaderland

Beeld Lynne Brouwer

Haroon Ali heeft een Pakistaanse vader en een Nederlandse moeder – hij is, in zekere zin, half. Hij maakte een beladen reis door Pakistan, op zoek naar zijn wortels, naar goedkeuring van zijn vader, die andere helft. In het boek Half schreef hij een brief aan zijn halfbroer. Dit is het begin van zijn reis.

Tijdens de nachtvlucht van Abu Dhabi naar Islamabad was er niks te zien door het raam, alleen wat grijze wolken tegen een zwarte hemel. Naast me zat een man met een lange baard, die Koranverzen las op zijn iPhone en zachtjes meemompelde. Ik zette mijn koptelefoon en wat rustige muziek op, tuurde nogmaals naar de wolkenzee, terwijl mijn gedachten afdwaalden naar de drie vakanties die ik als kind in Pakistan had doorgebracht, tussen mijn vierde en mijn zestiende. Die herinneringen zijn helaas fragmentarisch. Plastic ballondieren op een bazaar. De geur van versgebakken naan. Vliegers in de ondergaande zon. Kamelen op het strand van Karachi. Aunties die veel te hard in je wangen knijpen.

Ik herinner me ook de klap van hitte in je gezicht als je uit het vliegtuig stapte, alsof je een oven opentrekt. Deze keer landde ik echter om drie uur ’s nachts in Islamabad en het was herfst, dus toen ik uitstapte was de lucht koel en vochtig. De aankomsthal was uitgestorven en ik trof mijn nicht Shabnam en haar man Nasir pas buiten. Shabnam had nog steeds de enorme bruine ogen die ze als kind ook had, maar dan getransplanteerd in het lichaam van een vrouw. Naast haar stond een voor mij onbekende, grijsharige, glimlachende echtgenoot. Ik omhelsde Shabnam kort. ‘How are you?’, vroeg Shabnam. ‘Fine’, antwoordde ik. ‘How are you?’ ‘Also fine.’ Ze stonden erop om me persoonlijk af te zetten bij het guesthouse dat ik had geboekt voor de eerste paar nachten.

Slechts enkele uren later schrok ik wakker van dierengeluiden: eerst kukelende hanen, toen blaffende straathonden, gevolgd door kraaien en een geit. Even later werd er op de deur geklopt en een dienblad naar binnen gebracht met twee paratha (roti gebakken in boter), een omeletje met uitjes en een kannetje Pakistaanse chai, met melk en kardemom. Ik opende de schuifdeuren naar het enorme balkon en at in kleermakerszit op de grond. In de verte hoorde ik een straatverkoper met schelle stem zijn producten aanprijzen. Ik sloot mijn ogen, ademde Pakistan in en Nederland uit.

Waarom was ik na achttien jaar terug in dit land? Waarom wilde ik twee maanden in mijn eentje van noord naar zuid reizen en de familie opzoeken die ik uit het oog was verloren? Ik vertelde mezelf dat het voor mijn eigen ontwikkeling was, om me completer te voelen als een halfbloedje in het overwegend witte Nederland, om wat trotser te zijn op mijn wortels en de gaten in mijn identiteit te dichten. Maar als ik eerlijk ben, deed ik het vooral voor mijn vader. Ik wilde een groot gebaar maken om ons dichter bij elkaar te brengen, om de band te herstellen die gaandeweg was afgebrokkeld.

Toen ik 21 was, gingen mijn Pakistaanse vader en Nederlandse moeder uit elkaar, omdat de cultuurverschillen niet meer waren te overbruggen. Kort daarna kwam ik uit de kast als homo. Mijn zus kreeg op jonge leeftijd haar eerste kind, ongehuwd. Dat was te veel voor mijn vader. Hij besloot op zijn 50ste zijn leven te resetten, hertrouwde met een Pakistaanse vrouw en kreeg nog een zoon, mijn 25 jaar jongere halfbroertje, die helemaal Pakistaans is. Wellicht ging ik daarom naar mijn vaderland, zodat ik me weer wat Pakistaanser zou voelen en papa mij meer zou accepteren.

Ik logeerde in de gepolijste hoofdstad Islamabad, die in de jaren zestig uit de grond werd gestapt. Maar mijn familie woont in de veel oudere, rommelige voorstad Rawalpindi, waar mijn vader ook is opgegroeid. Mijn nichtjes bleven appen wanneer ik langskwam, dus na het ontbijt pakte ik de taxi. Bij de kruispunten wachtten we tussen tientallen pruttelende Honda-motoren. Aan de rijk gedecoreerde bussen hingen bonkige, bezwete arbeiders. Langs de weg zag ik geschilderde billboards van bleke prinsesjes met felrode lippen. Toen we de brug afreden in Rawalpindi, moest ik mijn oudere nicht Bushra bellen, die de chauffeur instructies gaf tot we zigzaggend door de smalle straatjes de bestemming hadden bereikt. Google Maps werkt hier niet, navigatie in Pakistan is mensenwerk.

Beeld Lynne Brouwer

De chauffeur stopte voor een hek waar een rood tapijt overheen hing. Uncle Waleed kwam me al tegemoet lopen en hij omhelsde me. ‘Ik kan mijn gevoelens met geen woorden beschrijven’, zei hij in het Engels, met de hese stem die ik me nog goed herinnerde. Mijn nicht Bushra stak haar hoofd door de opening van het hek en gaf me een ondeugende glimlach, die ik ook niet was vergeten. Ik liep de binnenplaats op, die volhing met natte gewaden in allerlei kleuren. Daartussendoor verscheen auntie Rehana. Nog voor een van ons iets had gezegd, had ze al tranen in haar ogen en pakte ze mijn gezicht vast. Ze kon geen woord uitbrengen en knikte alleen tevreden, waarop ik antwoordde: ‘Salam alaikum auntie, kya haal hai?’ Het was een informele manier om te vragen hoe het ging, de respectvollere vorm was ik even vergeten. Dat maakte niet uit, las ik aan haar gezicht af.

Mijn tante leek sprekend op mijn vader, juist nu ze beiden ouder waren en dezelfde hangwangen hadden onder een paar dromerige doch indringende ogen. Dit was duidelijk familie, maar we hadden elkaar bijna twintig jaar niet gezien. Er was zoveel te vertellen, maar waar moesten we beginnen? Tante Rehana vroeg hoe mijn flight was, het enige woord dat ze in het Engels kende – ze spreekt alleen Urdu. Toen viel het even stil. Mijn familie moest verwerken dat ik hier was, ik besefte het zelf nog nauwelijks. Bushra vroeg of ik honger had en ging direct aan de slag in de minuscule keuken, met een campinggasstel en een aanrecht dat was bedolven onder aluminium pannen.

De rest verplaatste zich van de ontvangstruimte naar de drawing room, de chiquer ingerichte woonkamer voor gasten. Daar stonden een zeshoekige eettafel met plastic tafelkleed en papieren tissues in een fluwelen doos, twee goudkleurige fauteuils en aan de muur hingen Koranverzen in vergulde lijsten. Een half uur later kwam Bushra trots binnenlopen met schalen eten: een lamscurry, gebakken rijst met kip, salade en een yoghurtsaus met komkommer. Als gast mocht ik als eerste opscheppen en de vrouwen keken glimlachend toe hoe ik kreunde bij de eerste happen.

Ik was bang dat de warmte uit mijn jeugd was vervlogen. Als tiener correspondeerde ik actief met mijn neven en nichten, die allen Engels spreken. Maar er gingen steeds minder brieven van en naar Pakistan, tot ze helemaal stopten. Ik maakte me vooraf dus zorgen over een ongemakkelijk weerzien. De Nederlandse helft van mijn brein denkt dat je alleen liefde krijgt als je er evenveel als de ander in investeert. Maar voor mijn familie in ‘Pindi’ was het alsof ik er gisteren nog was. Tot mijn grote verbazing konden mijn twee nichten nog steeds ‘Lang zal ze leven!’ zingen, bijna foutloos, inclusief: ‘Hieperdepiep, hoera!’ Ik filmde dat en stuurde het naar mijn moeder en zus. Het ijs was gebroken.

Na een paar dagen trok ik in bij mijn familie, om mee te draaien in het Pakistaanse leven. Iedere ochtend werd ik wakker van Shabnams zoontje Usman, die met zijn autootjes speelde, en het gebezem van de schoonmaakster op de binnenplaats. Mijn nichten waren dan allang naar hun werk. Wanneer mijn blote voeten de grond raakten, kwam auntie naar me toe gesneld om te vragen wat ik wilde eten. Hoewel ik iedere ochtend zei dat één paratha en een eitje genoeg waren, kreeg ik drie pannekoekjes en een berg roerei. Toen op dag vier de onvermijdelijke buikloop begon en ik vroeg of ze wat toast en jam had, kreeg ik een stapel geroosterd witbrood die geen mens op zou krijgen.

Beeld Lynne Brouwer

Pakistaanse vrouwen zijn niet alleen zorgzaam, maar ook overbezorgd – dat was ik even vergeten. Toen ik zei dat ik wat moskeeën wilde bezoeken, vielen ze bijna flauw. Ze waren bang dat ik zou verdwalen, of erger. Ik legde uit dat Google Maps niet perfect werkt, maar dat ik hoe dan ook de weg terug zou vinden. Aarzelend gingen ze akkoord. Maar toen ik een wandeling door de buurt maakte, appten ze ieder halfuur waar ik was en wanneer ik weer terugkwam. De groepsapp ging zo vaak af dat ik hem hernoemde tot Pagal in Pindi – gestoord in Pindi. Daar moesten ze om lachen, maar de boodschap erachter negeerden ze. Het appen ging onverminderd door.

Dus ging ik meestal met mijn nichten op pad. Bij de grote bazaar zag ik vrouwen door bergen kleding graaien en mannen die met luide stem de koopjes omriepen. Eén verkoper hield in beide handen een beha vast, terwijl hij een vrouw uitlegde welke beter was. Er liepen ook een paar transgender vrouwen voorbij, die vroeger al indruk op me maakten. Nu ik volwassen was, keken ze me flirterig aan met hun hevig opgemaakte ogen en draaiden theatraal om me heen, terwijl ze hun hand ophielden. Verderop in de straat lag een bedelaar met zulke misvormingen dat het leek of zijn benen in elkaar waren geknoopt. Mijn nichten waren blind voor de armoede en kochten wat pakora (kleine hartige oliebollen) en jalebi (gefrituurde suikerringen), ook al hadden we twee uur daarvoor nog geluncht. We slenterden door, kochten meer autootjes voor Usman. Toen vroegen mijn nichten of ik een burger wilde voordat we écht gingen eten. Even later zaten we weer in een restaurant.

Ik stuurde mijn vader wat foto’s van de familiehereniging. ‘Gezellig’, stuurde hij terug, met daarachter wat emoji’s – drie glimlachjes, twee duimpjes omhoog en een smiley die zo hard lacht dat-ie huilt. Dat zag er heel vrolijk uit op mijn scherm. Toch kon ik me niet voorstellen dat hij werkelijk zo blij was. We hadden niet gebeld, dus hij wist niks van mijn eerste indrukken. Hij zag ze op de foto’s, maar had geen idee wat het bezoek met me deed. Papa wist niet dat mijn hersenen al dat Urdu niet konden bijbenen en dat ik moest wennen aan de ingewikkelde sociale conventies. Hij vroeg niet hoe het voor mij was om na al die jaren weer in zijn geboorteland te zijn. Dus ik stuurde nog maar een selfie, voor de achthoekige Faisal-moskee, gekleed in een mintgroen gewaad – als een echte Pakistaan, vond ik zelf.

Mijn vader en moeder trouwden uit liefde, maar dat was niet genoeg om hen bij elkaar te houden. Mijn vaders tweede huwelijk is een verstandshuwelijk, maar dat lijkt beter te werken – voor hem althans. Ik was dus benieuwd hoe mijn nichten dachten over trouwen en kinderen, de nationale obsessie van Pakistan. Familie en kennissen leken nergens anders over te praten en waren de godganse dag zonen en dochters aan het koppelen, op naar het volgende huwelijksfeest. Welke druk voelden vrouwen? 

Beeld Lynne Brouwer

Shabnam was in mijn herinnering altijd een opstandig kind, maar een paar maanden na haar ontmoeting met Nasir was ze getrouwd. ‘Ik ben blij dat het zo is gelopen’, vertelde Shabnam, terwijl ze met een spuitzak hennabloemen op haar hand tekende. Nasir had een goede baan, ze hadden een gezonde zoon en een tweede huis op het platteland van Punjab. ‘Nasir is goed voor me en houdt me nooit tegen.’ Ik leerde dat ze vrijheid vond in dat gearrangeerde huwelijk, omdat ze als getrouwde vrouw kon blijven lesgeven op een basisschool. ‘Zelfs als ik een tweede kind krijg zal ik daar niet mee stoppen. Ik wil nooit financieel afhankelijk zijn van een ander en altijd mijn eigen geld verdienen.’

Bushra heeft volgens Pakistaanse normen minder geluk gehad: ze is eind dertig en ongehuwd. Pas na een week bij hen thuis had ik genoeg moed verzameld om hierover te beginnen, toen we ’s avonds terugliepen van de buurtwinkel. De straat was onverlicht, dus het voelde veiliger om persoonlijke vragen te stellen. Wilde ze eigenlijk wel trouwen? Ze dacht even na en leek te twijfelen over hoe eerlijk ze wilde zijn. ‘In Pakistan kan een vrouw niks alleen doen’, antwoordde ze. ‘Ik mag niet eens op mezelf wonen. Dat zou al een reden zijn om te trouwen, maar ik wil niet zomaar iemand.’ 

Mijn oudste nicht gaf ook les, net als Shabnam, maar dan op een middelbare school. ‘Een alleenstaande vrouw die werkt kan op kritiek rekenen. Maar ik wil meer uit het leven halen en heb mezelf doelen gesteld. Ik geef nu les, maar zou graag directeur worden. Ik haal veel voldoening uit mijn baan, omdat die van mezelf is en ik het alleen heb bereikt. Door mijn omgang met leerlingen en leraren leer ik de mens ook beter begrijpen en zie ik gedrag dat ik thuis nooit zou meemaken, zoals collega’s die aardig tegen je doen, maar vervolgens achter je rug om over je praten.’

Het lag precair, dat wist ik goed. Toch besloot ik door te vragen. Zag ze een trouwerij nog gebeuren? Bushra zuchtte. ‘Ik kan in deze samenleving niet zelf op zoek gaan naar een man, dus ik moet wachten op een goede match, inshallah. Mijn ouders probeerden me wel te koppelen, maar ik zag die kandidaten niet zitten.’ In Pakistan is een vrouw van eind dertig voor veel families beschadigde koopwaar. ‘Het gaat me niet eens echt om liefde’, zei Bushra. ‘Die gevoelens heb ik allang uitgeschakeld. Ik vind het belangrijker dat hij me respecteert en dat ik kan doen wat ik wil.’

Beeld Lynne Brouwer

In de familie werd nooit gesproken over het feit dat de oudste dochter nog steeds niet was getrouwd. Mij werd juist herhaaldelijk verteld dat ik de volgende keer een echtgenote mee moest nemen naar Pakistan. Misschien omdat ik – een gezonde dertiger, die in Nederland woont en in de ogen van mijn familie riant verdient – nog geen hopeloos geval was, maar gewoon wat aan de late kant. Dat ik al jaren gelukkig samenwoonde met een man zouden ze niet kunnen bevroeden. Mijn vader weet het wel en heeft mijn vriend twee keer ontmoet, maar dat zou hij nooit met anderen delen. Dus verborg ik dat deel van mezelf ook voor de familie in Pakistan, om mijn vader te sparen.

Misschien voelde ik daarom wel zo’n sterke band met Bushra, omdat we allebei niet voldoen aan de maatschappelijke verwachtingen en in zekere zin buiten het traditionele familieleven staan. Maar net zoals ik de suikeroom ben van mijn neefjes en nichtjes, is Bushra ook een essentiële schakel in het gezin: de betrouwbare oudste dochter en de behulpzame tante. Ze is ook nooit jaloers op haar zus. Dat bleek toen ik na het trouwalbum van Shabnam en Nasir ook hun twee uur durende trouwvideo moest bekijken. Het was Bushra die zei: ‘Als we ons vervelen, kijken we met z’n allen naar de video.’ Op de flikkerende oude tv zag ik hoe wit de bruid was geschminkt, want in Azië geldt: hoe witter, hoe mooier. Ze mocht niet lachen, want hoewel het een heuglijke dag was, verliet ze haar ouderlijk huis, dus ze moest sip kijken, uit respect voor haar familie.

De foto’s die ik eerder al had gezien, kwamen nog een keer voorbij, maar dan met psychedelische beeldeffecten. Mijn familie zag bij iedere vertoning iets nieuws. ‘Omdat een deel van de gasten veel te laat kwam opdagen, konden we pas midden in de nacht eten – daarom kijkt iedereen zo hongerig.’ Er werd uitbundig gewezen naar het scherm: weet je wie dat is, ken je die nog? Zo werd de trouwerij keer op keer herbeleefd, door de hele familie. Toch moest dit wrang zijn voor Bushra, die slechts een toeschouwer was van Pakistaanse familietradities, net zoals ik. Maar ze bleef glimlachend naar de tv staren. 

Na een week in Islamabad en Rawalpindi wilde ik verder reizen en meer zien van mijn vergeten vaderland. Pakistaanse families zitten het liefst binnen te roddelen over vage kennissen, met de tv op de achtergrond en de volgende maaltijd op het vuur. Met elkaar zijn is voldoende. Maar ik verlangde naar vrijheid en de ruige natuur van het noorden. Mijn vader had een keer laten vallen dat hij de Kaghan-vallei de mooiste streek van Pakistan vindt. Toen ik wat foto’s opzocht, zag ik majestueuze bergen en diepe valleien waar wilde rivieren doorheen meanderen. Daar moest ik naartoe. Ik regelde een gids, met wie ik een week langs de befaamde Karakoram Highway zou reizen, 800 kilometer tot aan de grens met China. Mijn tante en nichten sputterden weer tegen, maar ik moest dit doen.

Beeld Lynne Brouwer

Als laatste uitje ging ik met de familie naar een vervallen pretpark, iets uit de jaren tachtig. De neonlichten haperden, waardoor het net zo goed de set kon zijn van een horrorfilm. Kleine Usman ging in de draaiende theekopjes, die schokten in de bochten. Het jochie schaterde het uit en hij keek trots naar de andere kinderen. Shabnam, Bushra en mijn tante wachtten geduldig naast traditionelere moeders in zwarte boerka’s. Hoe kun je dan zien wie je moeder is? De kinderen vonden na afloop probleemloos hun eigen moeder terug, afgaand op hun unieke stem.

Ik liep daarna met Usman in mijn armen naar een dansend aapje met een ketting om zijn nek. Ik kreeg de rillingen van deze mishandeling, omdat we in het Westen dieren meestal niet meer voor entertainment gebruiken. Maar ik zag dat Usman gilde van het lachen, dus ik stopte mijn principes even weg en danste mee op het ritme van de dholak (een tweevellige trommel), terwijl mijn nichtjes tientallen foto’s van ons maakten en hard meelachten. Hoewel ik deze mensen achttien jaar niet had gezien, was ik in korte tijd weer een schakel in de ketting geworden. Ik hoorde erbij.

Terwijl ik mijn backpack inpakte, zag ik dat tante Rehana onrustig door het huis liep. Ze kwam naast me staan, legde haar hand op mijn schouder en vroeg of ik alles had. Toen ik mijn spullen in de taxi had geladen, kwam de hele familie erbij staan om me uit te zwaaien. Ik zou ze over een week weer zien, voor ik mijn reis zou voortzetten naar andere steden en oorden in Pakistan, maar auntie deed alsof ons afscheid definitief was. Ze fluisterde wat islamitische zegeningen, die ze ook met haar wijsvinger op mijn rug schreef en daarna over mijn hoofd uitblies, voor geluk. Ik kan niet zeggen dat ik erin geloofde of me er heel anders door voelde. Toch was ik blij dat ze het deed.

Toen ik wegreed uit Rawalpindi, de stad waar mijn Pakistaanse wortels liggen, wist ik nog niet wat ik in de zeven weken erna ging meemaken. Ik zou bij uiteenlopende familieleden verblijven, die me meer leerden over mijn vader, maar me ook confronteerden met pijnlijke vragen. Ik zou een waaier aan nieuwe mensen ontmoeten, activisten die vechten voor meer vrijheid en een betere positie van vrouwen en homo’s. Ik zou feesten achter gesloten deuren en andere dingen uitspoken in de duisternis, goddeloze zaken die mijn vader nooit zou goedkeuren. En ik zou het allemaal opschrijven, vastleggen voor mijn halfbroertje, zodat hij het hopelijk ooit, als hij zelf volwassen is, wil lezen.

Om privacyredenen zijn alle namen van familieleden gefingeerd.

Half, het boek

Dit is een bewerkte voorpublicatie uit het boek Half van Haroon Ali, dat op 17 september verschijnt bij De Bezige Bij. De auteur heeft een Pakistaanse vader en een Nederlandse moeder. Na hun scheiding hertrouwde zijn vader met een Pakistaanse en kreeg nog een zoon. Ali is dus half, maar zijn halfbroer is heel. In een brief aan zijn broer vertelt de auteur over zijn vervlochten wortels, de afwezigheid van hun vader en de beladen tocht die hij maakte door Pakistan, van noord naar zuid.

Pakistan in beeld

Haroon Ali maakte voor de Volkskrant een tweedelige documentaire over zijn reis door Pakistan, die nu te zien is op volkskrant.nl. In het eerste deel onderzoekt Ali of hij zichzelf kan zijn in de islamitische republiek en spreekt met activisten die strijden voor meer vrijheid. In deel twee gaat hij dieper in op de positie van vrouwen in Pakistan en ontdekt dat jonge, werkende vrouwen in Lahore grote stappen maken en alle vooroordelen uit het Westen ontkrachten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden