TERUG IN DE BOEKEN

De ontdekker van Connie Palmen, Mai Spijkers, kocht deze maand uitgeverij Prometheus/Bert Bakker los van het mediaconcern PCM. Na dertig jaar in het boekenvak, is hij nu eigen baas....

‘Een van mijn eerste literaire sensaties had ik met De Avonden van Gerard Reve. Dat boek las ik uit op de avond voor mijn zestiende verjaardag. Ik voelde me toen net zo als Frits van Egters in die befaamde slotalinea’s, waarin hij min of meer vrede sluit met het leven na een treurige oudejaarsavond.

‘Ik groeide op in Goirle bij Tilburg. De eerste van een tweeling, nummer vijf en zes in een gezin met acht kinderen, zes jongens en twee meisjes. Mijn vader had alleen lagere school, werkte vanaf zijn dertiende in de textiel en de bouw. Als mijn schoenen te klein waren geworden, sneed hij de neus eraf, zodat ik er nog een tijdje op kon lopen. We leden thuis geen gebrek, maar iedere cent werd omgedraaid. In de zomers werkte ik op het land, om bij te verdienen voor mijn schoolboeken. Moeder was van zo mogelijk nog armere komaf: zij kwam uit een familie van rietsnijders in de Biesbosch.

‘Op de lagere school had ik al een geweldige leeshonger. Jeugdboeken, geschiedenis, biografieën van Louis Pasteur en Albert Einstein. Mijn moeder vond dat leuk. Vooral dankzij haar, en de pastoor, mocht ik naar de middelbare school. Daar las ik Reve, Wolkers, Hermans, Mulisch. Amerikanen als Saul Bellow en Scott Fitzgerald, Russen en Fransen uit de 19de eeuw. En veel poëzie: Lucebert, Nijhoff.

‘Zij overleed toen ik tien was. Mede daardoor ontstond een kloof tussen mijn leven thuis en op school. Mijn vader was beslist niet dom, maar het sloot gewoon niet op elkaar aan. Daarom ben ik de vier jaar tot en met mijn eindexamen gaan inwonen bij het gezin van een onderwijzer. Hoe mijn vader dat vond? Moeilijk. Hij is pas vorig jaar gestorven, 92 jaar oud. Een geweldige man.

‘In 1974 ben ik geschiedenis gaan studeren in Amsterdam. Dat wilde ik al vanaf m’n twaalfde. Ik droomde van een baan als diplomaat. Ambassadeur in Teheran, de sfeer uit de boeken van F. Springer. Ik kwam aan met de latere minister Hans Hoogervorst, Hubert Smeets, inmiddels hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, en Wanda Reisel, van de romans en toneelstukken. Wij waren met honderd eerstejaars, het begin van de explosie van het hoger onderwijs. Veel mensen zoals ik, vaak de eerste studenten uit hun familie. Onze generatie was ook de eerste die zwaar tabak had van de studentenrevolte. Wij wilden gewoon goed onderwijs en hard studeren.

‘Ik stond een beetje dubbel in die groep. Door mijn jeugd was ik vroegwijs, en ik had heel veel gelezen natuurlijk. Maar verder... Klassieke muziek, de betere omgangsvormen: het was allemaal nieuw voor mij, net als hun kleren en hun spullen. Dat maakte me verlegen. Vrienden als Hubert gaven niet mis te verstane hints: vergeet die diplomatie nou maar.

‘In de kroeg kwam ik wel, maar een studentenbestaan? Ik had het leuk gevonden als ik het had gekund, echt waar. Naast mijn studie werkte ik vooral. Via studentenuitzendbureaus kreeg ik baantjes bij uitgeverijen. Magazijnmedewerker bij De Bezige Bij, corrector bij de Arbeiderspers. Mooie, deftige fondsen, waar ik graag was gebleven. Maar ze zagen me niet staan.

‘Ook bij Bert Bakker ging ik corrigeren. Daar kreeg ik de helft van wat AP betaalde. Ik zei: daar doe ik het niet voor. Korte tijd later belden ze terug: of ik wilde solliciteren als redactie-assistent. In augustus 1978 werd ik aangenomen. Bert zag wél wat in mij.

‘Bij Bakker lag een geweldige berg gedichten, bedoeld voor de poëziebloemlezing door Gerrit Komrij. Daarmee ben ik aan de gang gegaan. Gewoon, hup, kijken waar het schip strandt. Voor al die verzen moest de dichters toestemming voor publicatie worden gevraagd, een enorme klus. Bij een aantal lukte dat niet: ze waren onvindbaar of ze reageerden niet.

‘Uiteindelijk besloten we toch te publiceren. In de bloemlezing relativeerde Komrij het belang van de Vijftigers, die toen nog heilig waren. Er kwam een geweldige rel van. Enkele dichters eisten een verbod op publicatie. Onze advocaat wist de rechter ervan te overtuigen dat de bloemlezing bestemd was voor het onderwijs, waardoor toestemming van de auteurs niet was vereist. Mede dankzij die overwinning en alle aandacht in de media werd de bundel een waanzinnig succes. Ik geloof dat we 80 duizend stuks hebben verkocht.

‘Na een jaar werd ik redacteur. Met mijn hoofdredacteur, Harko Keijzer, raakte ik snel bevriend. Hij nam mij mee naar Londen, naar New York, naar de Frankfurter Buchmesse. Uitgevers bezoeken om mooie titels binnen te halen. Keijzer was daarin veel actiever dan de meesten toen. Voor het eerst van mijn leven zat ik in een vliegtuig, ik vond het geweldig. Op zeker moment nam Keijzer een vrouwelijke redacteur aan. Zij werden verliefd op elkaar, hij trok steeds meer met haar op in plaats van met mij. Ik voelde me in de steek gelaten, was mijn buddy kwijt, met wie ik schaterend over Fifth Avenue had gelopen.

‘Rond die relatie ontstond een ruzie, met Bert Bakker, met mij, die volledig uit de hand is gelopen. Het conflict verlamde velen, maar ik werkte gewoon door. Dat doe ik altijd. Volgens mij hebben heel wat mensen toen gedacht: hij is hier heel machinaal mee bezig. In 1983 is Keijzer vertrokken en ik volgde hem op. Kort daarvoor, op de Frankfurter Buchmesse – Keijzer was op vakantie – liep ik aan tegen De naam van de roos van Umberto Eco, een literaire thriller die speelt in de Middeleeuwen. Zulke dikke boeken werden toen nog maar weinig vertaald. De meeste Nederlandse uitgevers aarzelden.

‘Ik niet. Ik kende Eco van mijn bijvak literatuurwetenschap. Hij deed als een van de eersten wetenschappelijk onderzoek naar Donald Duck en Snoopy, pionierde als bruggenbouwer tussen high and low culture. ‘Heb je nog wat?’, vroeg Bert Bakker na Frankfurt. ‘Ja, dit’, zei ik. Voor achtduizend gulden mocht ik de rechten kopen. Van De Naam hebben wij in Nederland drie-, vierhonderdduizend exemplaren verkocht. Toen heb ik voor het eerst gedacht: misschien zit er wel een uitgever in mij.

‘Maar zo’n succes brengt ook een klassiek uitgeefdilemma. Er is een maand geweest in 1984, één maand, waarin wij meer dan een miljoen gulden omzetten. Het gevaar is dat je in zo’n periode teveel nieuwe mensen aanneemt en teveel boeken laat drukken die later onverkoopbaar blijken. Dan zit je op te hoge kosten wanneer de hausse weer inzakt.

‘Na zes jaar hoofdredacteurschap bereikte ik bij Bert Bakker een plafond. In die tijd stootten de grote mediaconcerns hun boekenuitgeverijen af. De ondernemer René Malherbe smeedde daaruit een nieuwe groep. Voor hem stichtte ik een nieuw literair huis.

‘Ik noemde het Prometheus, naar de mythische figuur die het vuur stal van de goden en dat aan de mensen gaf. Met hem liep het slecht af. Eens kijken of dat met mij ook gebeurt, dacht ik. Het was een mooie naam, die goed paste bij mijn reputatie van dat moment. De eerste maanden zat ik met één medewerker in een voormalige veilinghal op Singel 118. De tafel was een omgekeerde sjoelbak op Ikea-stoeltjes. Telefoneren deden we bij de coffeeshop op de hoek.

‘Dankzij Malherbe kon ik Prometheus meteen neerzetten als een breed, herkenbaar fonds, met literatuur, non-fictie, geschiedenis. Binnen één jaar tijd stond ik bij hem voor een miljoen gulden rood. Hij moest af en toe wel even slikken, maar liet mij verder begaan. Mijn eerste Prometheus-boek was de vertaling van The Quincunx, ook een dikke historische thriller. We verkochten 100 duizend exemplaren. Literatuur is een dynamisch begrip. Dat moet je zien. Ik zag het potentieel van goed geschreven historische boeken bij het grote publiek, daar kwam ik zelf vandaan. Daarom werd ik de uitgever van Frits van Oostrom en Herman Pleij.

‘Maar in veler ogen was ik veel te actief. Connie Palmen ontmoette ik bij toeval in 1990. Zij werkte aan een boek, vertelde mij daarover. Bij mij thuis las zij een hoofdstuk voor en ik dacht: dit is bijzonder. Zij aarzelde, neigde naar een meer gevestigde uitgever. Maar die zaten niet achter haar aan. Ik wel, ik moest boeken hebben. De dag vóór Hemelvaart praatte ik in een café op haar in: alle energie die ik in mij heb, ga ik in jouw boek steken. De volgende ochtend dacht ik: ik ben veel te hard gegaan. Maar ze belde op: jij mag het doen. De wetten verscheen op 31 januari 1991 en werd meteen een Europese hit.

‘Gaandeweg werd ik meer manager en minder uitgever. Eind 1991 kreeg ik nieuwe bazen: Malherbe verkocht zijn boekengroep aan Meulenhoff. Een jaar later volgde Bert Bakker, dat toen heel slecht draaide. Bert was het vertrek van Keijzer en mij nooit te boven gekomen. Het lag voor de hand dat ik Bert Bakker voor Meulenhoff zou gaan saneren, ik kende dat bedrijf door en door. Ik voegde Bakker samen met Prometheus en ging binnen een jaar van dertig naar achttien man personeel. Ik heb niemand ontslagen, ze vertrokken gewoon. Vanwege mij? Nou . . . Bert Bakker wás al ernstig gedemoraliseerd. En de reputatie dat ik hard was voor mijn medewerkers, had ik al. Wat ik van mezelf eis, vraag ik ook van anderen.

‘Die operatie bracht in 1993 nog een verlies, op een omzet van zes of zeven miljoen gulden. Vanaf toen ging het ieder jaar beter. In 1999 was mijn omzet twintig miljoen. Mijn moeder Meulenhoff was toen al vijf jaar in handen van de krantenuitgever Perscombinatie. Aanvankelijk ging dat goed. Ik had alle vrijheid en kreeg ook een fair share van de winst uit mijn uitgeverij, bovenop mijn vaste salaris. Maar dat veranderde vanaf 1995, toen Perscombinatie fuseerde met NDU tot wat nu PCM heet, de uitgever van Trouw, de Volkskrant en NRC Handelsblad. De dagbladen kregen de overhand, wij zaten in de hoek.

‘Ik was inmiddels getrouwd, kreeg drie kinderen. Een nieuwe familie, naast mijn uitgeverij. Het was weer tijd voor iets nieuws. Toen maakte ik een, achteraf gezien, ondoordachte carrièresprong. Eind 2000 gaf PCM mij de leiding over de nieuwe divisie Algemene Boeken. Naast de literaire huizen zaten daarin ook andersoortige uitgeverijen, en die ben ik gaan uitbreiden. Ik kocht Spectrum, Kramers woordenboeken, een grote medische uitgeverij.

‘Dat liep goed. Maar aan de literaire kant, nota bene mijn eigen terrein, ontstonden problemen waarop ik me heb verkeken. Het oude, eerbiedwaardige Meulenhoff met zijn gerenommeerde auteurs was de weg kwijtgeraakt. Men gaf er ook thrillers en fantasy-boeken uit. Ter subsidiëring van het literaire boek, was de redenering. Maar andere PCM-uitgeverijen verdienden veel meer met thrillers en fantasy. Ik zei: draag die aan hen over en concentreer je op de literatuur, daar valt goed geld mee te verdienen. Kijk maar naar jullie eigen Adriaan van Dis.

‘Tegelijkertijd bleek Prometheus/Bert Bakker een maatje te groot voor mijn opvolgster daar, Plien van Albada. De kosten liepen uit de hand. Bovendien kon ze het slecht vinden met haar hoofdredacteur, Annette Portegies. Ik dacht twee vliegen in één klap te slaan door Portegies directeur van Meulenhoff te maken. Ze zat er precies één dag toen Tilly Hermans opstapte, Meulenhoffs belangrijkste redacteur. Met haar vertrokken zowat alle Nederlandse schrijvers, onder wie Marcel Möring en Adriaan van Dis. Annette was woest, natuurlijk. Ze heeft er nog hard aan getrokken, maar dat verlies kon ze niet meer goedmaken.

‘Als enige oplossing zag ik een fusie tussen Meulenhoff en Prometheus/Bert Bakker. Even doorzetten, dacht ik, dan is Meulenhoff er zo weer bovenop. Maar mijn manier van werken werd daar domweg niet gepikt. De PCM-bestuurders Theo Bouwman en Ben Knapen keurden mijn voorstel goed, maar begonnen te draaien toen de Meulenhoff-medewerkers in opstand kwamen. Achter mijn rug deden zij vage beloften aan Portegies: dat plan van Mai gaat mooi niet door, hoor. Ik ben toen echt verneukt. Even dacht ik: ik ga hier weg, begin weer voor mezelf. Maar algauw vond ik dat niet geloofwaardig. Dan maar diep slikken. Ik trad af als baas van Algemene Boeken en werd weer gewoon directeur bij Prometheus/Bert Bakker.

‘Dat was een verademing. Wat ik had onderschat, was hoezeer ik het miste om uitgever te zijn. Het liefste was ik meteen zelfstandig geworden, maar Bouwman wilde daar niet aan. De aandelen PCM die de nieuwe eigenaar Apax ons aanbood, heb ik geweigerd. Ik had het echt helemaal gehad met PCM.

‘Met de huidige PCM-baas Bert Groenewegen kwam ik wel snel tot een vergelijk. We zijn in goede harmonie uit elkaar gegaan, en daar ben ik blij om. Want die PCM-periode heeft van mij wel een betere uitgever gemaakt. Voor het eerst ben ik nu directeur-eigenaar: mooier kan het niet. Ik zit iedere ochtend om half acht achter mijn bureau, maar ik ga niet naar mijn werk, zo voelt dat niet. Een uitgever is koopman, gokker en mecenas tegelijk. Ik lees kranten, bel mensen: zullen we iets gaan doen?

‘De markt is wel veranderd, maar niet in essentie. Hij is vooral enorm gegroeid. Literatuur is booming business. Kijk alleen al hoeveel goede boekhandels er zijn bijgekomen in Nederland. Ik ben nu bijna dertig jaar uitgever en heb in die tijd twee verliesjaren gekend. Ik weet niet hoe lang het nog goed blijft gaan met de boekenmarkt, maar in ieder geval lang genoeg voor mij. Het leuke is: niemand kan mij nu meer stoppen. Afgedaald? Ik ben juist gestegen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden