Ten aanval!

De kunst in Oostenrijk houdt zich stil, al maken haar producenten nog zo'n lawaai tegen de Republiek van Haider en Schüssel....

TEN AANVAL! De Oostenrijkse kunst schreeuwt, scandeert en mobiliseert het verzet - niemand kan het zijn ontgaan de afgelopen weken.

Actiestickers, affiches en pamfletten smijten drek terug naar de rechtse populist Jörg Haider en diens FP & Ouml;, naar Wolfgang Schüssel, de bondskanselier die als Goethes Faust een pact heeft gesloten met de 'duivel' uit het Bärental. Internet kolkt van de verzetsretoriek en bijna iedere avond zijn er wel fora en discussie-bijeenkomsten in Wenen. Prangende vraag die de mensen in de Kunsthalle, het Burgtheater en andere kunstinstellingen bezighoudt: het land verlaten, blijven of boycotten? Zelfs aan de gevels van eerbiedwaardige instellingen aan de Ringstrasse wapperen de spandoeken: 'Ich werde nie schweigen nie!', zoals Samuel Beckett al eens neerschreef, in een andere taal, op een andere plaats.

De Oostenrijkse kunstenaars en cultuurdragers schreeuwen zich de longen uit het lijf. Elfriede Jelinek heeft een verbod op uitvoering van haar toneelstukken aangekondigd in het huidige 'riool van Europa', zoals haar collega Robert Menasse zijn vaderland eens betitelde. Gerard Mortier, de weerspannige en wispelturige intendant van de Salzburger Festspiele, heeft zijn contract een jaar eerder dan afgesproken opgezegd, maar die daad ook weer ongedaan gemaakt. 'Von nun an erinnern wir uns der politischen Kultur des Widerstandes' is het devies.

Veel rumoer derhalve rond kunstenaars, schrijvers, regisseurs. Veel burgerverzet van kunstenaars en schrijvers tegen de ontwikkelingen in Oostenrijk. Maar waar is de kunst zelf?

De kunst in Oostenrijk is stil, muisstil - al maken haar producenten nog zo'n lawaai. Misschien een kwestie van tijd, maar niemand waagt zich op dit moment aan een inhoudelijk debat over de kunst. Niemand breekt zich het hoofd over de kwestie wat kunst in zichzelf vermag, welke rol de kunst in Oostenrijk heeft gespeeld of moet gaan spelen in de Republiek van Haider en Schüssel.

Doe je dat wel, dan dringt zich een pijnlijke waarheid op, aan het licht gebracht door de verkiezingswinst van Haider (27 procent van de stemmen). Die waarheid is dat de Oostenrijkse kunst en kunstwereld zich de afgelopen decennia in een volstrekt machteloze positie hebben laten manoeuvreren.

Machteloos, de Oostenrijkse kunst? Is er een land in Europa te noemen, waar kunstenaars nauwlettender betrokken zijn bij de politieke situatie in hun land? Is er een land te noemen dat meer kritische kunstenaars, schrijvers, toneelregisseurs heeft voortgebracht dan Oostenrijk? Is er een land te bedenken waar de omgang met het verleden, met de hypocrisie van alledag, met het talent om te vergeten, vernietigender is beschreven en uitgebeeld dan hier?

Natuurlijk. Ook in Oostenrijk leven kunstenaars, die zich uitsluitend en alleen met het fenomeen van de kunst zelf bezighouden. Denk aan Franz West en de Neo-Geo-beweging. Denk ook aan de 'innerlijke emigranten', kunstenaars die zich ver van het politieke gewoel op het Oostenrijkse platteland hebben teruggetrokken in zichzelf en hun kunst. L'art pour l'art is hun motto en als iemand die woorden verhaspelt tot L'Arsch pour l'Arsch, zoals onlangs een FP & Ouml;-aanhanger deed, dan keren ze die persoon minzaam zwijgend de rug toe.

Oostenrijk is geen makkelijk land, schreef de Zuid-Duitse schrijver Klaus Harpprecht in zijn Oostenrijk-dagboek Am Ende der Gemütlichkeit. En wie zegt het hem niet na? Jelinek, Robert Menasse, Peter Handke, Thomas Bernhard en Werner Schwab. Voor geen van hen is het gemakkelijk (geweest) om Oostenrijker te zijn. Jelinek verdedigt zich tegen verwijten haar vaderland te verraden: 'Je bent heus geen nestbevuiler als je de Tweede Republiek kritisch beschouwt', zegt zij.

Harpprecht, een relatieve buitenstaander, schrijft: 'Dit land, dat zich als de Marschallin in Strauss' Rosenkavalier steeds weer aanmaant, leicht müsse man sein, het is niet licht. Oostenrijk is geen Rococo-, geen jodeldroom. (. . . ) Dit land bezit een hardheid, die zich laat aflezen aan het geweld van de barok, aan de vroegere strengheid van het keizer- en koninklijke ambtenarenapparaat, aan de moorddadige conflicten uit de jaren twintig en dertig, aan de haat jegens de hedendaagse schrijvers.'

Op die hardheid richt de woede van de Oostenrijkse kunst zich, al decennialang. Op de hardheid die verscholen gaat achter brave volksliedjes over zingende bergen en deinende alpenklokjes. Op de hardheid die weerklonk in het gejoel waarmee duizenden Oostenrijkers in 1938 'hun' Hitler binnenhaalden. Op de snelheid waarmee de Wiener Sängerknaben in 1945 hun nazi-pakjes weer verruilden voor hun Lederhosen, en meteen 'God save the Queen' begonnen te zingen, toen het Britse leger Wenen binnenmarcheerde. Op de hardheid die ervoor zorgt dat iedere anekdote in dit land een vrachtwagen-lading aan symboliek krijgt, zoals Robert Menasse in zijn essay Das Land ohne Eigenschaften (1992) schreef.

In zijn herinneringen Die Welt von Gestern heeft de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig schitterend weemoedig het geluksvacuüm beschreven waarin de gegoede burgerij in Oostenrijk zich koesterde, ruim een eeuw geleden. Dat geluk was gebaseerd op het idee dat Oostenrijk aan het eind van de negentiende eeuw een veilig, vertrouwd en goed land was zoals het was. Maar Zweigs boek is een terugblik, geschreven vanuit de kennis van wat komen gaat: de anti-semiet Karl Lueger wordt in 1897 burgemeester van Wenen, nationalistische sentimenten steken de kop op, de kroonpretendent Franz-Ferdinand wordt in de zomer van 1914 in Sarajevo vermoord, de Donaumonarchie gaat ten onder, de supra-nationale staat splijt. Wat daarna volgt, met Hitler, heeft Zweig niet meer in zijn vaderland willen meemaken. Hij ging in exil. In 1942 pleegde hij zelfmoord in Brazilië.

Ergens dus tussen 1890 en 1912 is het vertrouwde beeld gaan schuiven, dat kunstenaars en schrijvers van Oostenrijk en haar burgers hadden. 'Die Welt von Gestern' is versplinterd. De wereld wordt 'modern'. De jodeldroom verandert in een 'Alptraum', een nachtmerrie waar niks meer is wat het lijkt of was, zelfs de mens niet. Freud komt voort uit de psyche van de Biedermeiers en wat hij daar aantreft ruikt niet naar wierook en rozen, maar naar bloed, stront en pis. In het begin van de twintigste eeuw laat de dichter Hugo von Hofmannsthal een van zijn hoofdpersonen zeggen: 'Alles viel in delen uiteen, en niets kon meer in een concept worden vervat.'

In de schilderkunst houdt Gustav Klimt, de mens een spiegel voor. In 1898 tekent hij die spiegel letterlijk in de handen van een blote maagd met brede heupen. Hij doopt de vrouw 'Nuda Veritas', de naakte waarheid, en maakt haar tot symbool van de moderne kunst in Oostenrijk.

Maar wat is die waarheid? Kijk in de spiegel, fluistert de maagd de toeschouwer toe, en kennis zal u verlichten. Maar wat ziet de toeschouwer: de wereld? een metafysisch 'licht der waarheid'? of ziet hij zichzelf, in al zijn narcistische afschuwwekkendheid?

Die drie vragen - door Carl Schorske opgeworpen in zijn ietwat gedateerde maar nog steeds intelligente studie over Wenen in het Fin-de-Siècle - zijn essentieel. Want het antwoord daarop vormt tevens het antwoord op de vraag waarom de Oostenrijkse kunst is zoals ze is. Van deze spiegel der waarheid die Klimt meer dan een eeuw geleden tekende, heeft de Oostenrijkse kunst zich nooit meer los weten te weken. Die spiegel heeft haar tot op het bot bezield, achtervolgt haar nog steeds.

Luister naar de schilder Oskar Kokoschka die schreef dat de moderne mens 'veroordeeld is' - wat iets heel anders is dan vrij - 'om zijn eigen universum opnieuw te scheppen' sinds de gevestigde waarden geen waarden meer hebben. Kijk naar de getourmenteerde figuren op zijn schilderijen en begrijp waar die veroordeling op slaat: op niet aflatend lijden, op een voortdurend gevecht met innerlijke demonen.

Die reflecterende, maatschappijkritische en soms zelfvernietigende rol meet de kunst in Oostenrijk zich dus al meer dan een eeuw aan. De strijdbaarheid voegt zich in een eerbiedwaardige traditie, de spiegel der waarheid wordt als moeders recepten doorgegeven van ouder op kind. Vanzelfsprekend is hiermee niet gezegd dat de kunst die in die traditie gedijt, slecht is of fout. Nee, ze heeft wonderbaarlijk mooie kunst opgeleverd.

Maak een toneeluitvoering mee van een van Oostenrijks jonge schrijvers, Werner Schwab, die zich op de eerste dag van 1994 de dood indronk. Laat je meeslepen door de vorm, door die heerlijk vette taal van Schwab, vol fantasievolle voorvoegsels, nieuw bedachte woorden en lidwoorden die nergens op slaan maar de woorden zo'n mooie entourage geven. Laat je inspireren, en zie dan de 'waarheid' onder ogen.

'Hij kan toch zijn eigen mens in zichzelf niet verdragen', zegt Erna, één van de drie Presidentes in Schwabs toneelstuk uit 1991. 'Als hij bij de waterleiding zijn gezicht wegspoelt, dan moet ik van tevoren de spiegel voor hem dichthangen met een handdoek. Bij het scheren snijdt hij soms zijn halve gezicht weg, omdat hij geen spiegel wil pakken, omdat zo een spiegel een klootzak is, zoals hij zegt; of op straat spiegelen de etalageruiten, en Hermann ziet Hermann, dan moet hij meteen braken, als hij geen roes heeft.'

Neem de spiegel die Thomas Bernhard, ook al zo'n 'nestbevuiler', ons voorhoudt. Hoor de maniakale monologen aan van geflipte schrijvers, wereldverbeteraars en onechte helden in Thomas Bernhards toneelstukken. Altijd dolen ze rond in het donker en vaak staan ze op het randje van zelfmoord. 'In het duister wordt alles duidelijk', verklaarde Bernhard in 1970. En in zijn toneelstuk De Wereldverbeteraar zegt de titelheld: 'We moeten verhuizen, we moeten weg van hier. Ik haat het huis. Ik haat de buurt. Die heb ik altijd gehaat. Ik houd die omgeving niet meer uit. Weg weg. Wat een verschrikkelijke stad. Wat een stompzinnige mensen. Ik had het nooit goed moeten vinden dat we hierheen gingen. We moeten zo snel mogelijk weg. We creperen anders.'

Oostenrijkse kunstenaars en schrijvers hebben hun landgenoten altijd ongegeneerd de waarheid in het gezicht gesmeten: in extreme, walgelijke, wonderbaarlijke vorm - opdat men wat zou opsteken van die esthetiek van het misvormde. Kunst als catharsis. Die functie van het tegengeluid móest de kunst haast wel op zich nemen, bij afwezigheid van serieuze tegengeluiden in de politiek.

Maar de schoen gaat knellen. Wat heeft dat avantgardistisch elan, die maatschappelijke betrokkenheid opgeleverd? Wat heeft die noeste 'Durcharbeitung' van het verleden, zoals Elfriede Jelinek het noemt, ons gebracht? Niets, zal de cynicus zeggen, nu ongeveer één op de vier Oostenrijkers extreem-rechts stemt. Alles tevergeefs geweest, zegt Jelinek. Ze is er moedeloos van geworden. Maar zo eenvoudig ligt het niet.

In 1970 beloofde de socialistische Oostenijkse bondskanselier Bruno Kreisky een politiek die 'een opvatting van kunst en cultuur ondersteunt die zich volstrekt respectloos tegen het bestaande, het gevestigde richt'. En daarmee was eigenlijk het doodvonnis van een kritische kunst getekend. Want hoe kritisch te zijn, respectloos en tegendraads, als het establishment zelf je daartoe de opdracht geeft? Hoe ongevaarlijk, hoe monddood kun je de kunst nog maken?

Daarom mocht en kon de kunst in Oostenrijk de laatste decennia tieren en vloeken, dat was haar 'regeringsopdracht'. En dus kon ook Thomas Bernhard de Oostenrijkse staatsprijs krijgen. En dus konden shockerende, extreme theaterintendanten altijd weer de steun van de politiek krijgen, als de burgerij weer eens geschokt reageerde op hun 'nieuwlichterij'.

De kunst in Oostenrijk zal zich moeten afvragen of ze haar rol van actievoerder wil voortzetten, en in welke vorm. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog heeft een extreem-rechtse partij in Europa zoveel stemmen gekregen. Dat is ellendig, maar het betekent ook dat er voor het eerst sinds vijftig jaar in Oostenrijk een politieke tegenbeweging zal moeten opstaan. De sociaal-democraten zullen eindelijk hun concensusmodel moeten afzweren en het strijdperk betreden. En wie weet, misschien wel zonder kunst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden