Te zijn of niet te zijn

Het complete werk van Shakespeare is vier keer in het Nederlands vertaald. De jongste vertaling is van Willy Courteaux (82) uit de jaren zestig, die alom wordt geprezen, maar zelden op de Nederlandse podia te horen is....

Ruim veertig jaar geleden sloot Willy Courteaux (82) zijn reuzenarbeid af: de vertaling van de 37 toneelstukken van Shakespeare. Het resultaat is een zorgvuldige editie, een elfdelige cassette die eerder dit jaar in België en deze maand in Nederland opnieuw is uitgebracht. Het is een prachtig vormgegeven cassette, met in handzaam formaat de verschillende stukken gerangschikt naar genre: tragedie, historie, blijspel. Het is de vierde volledige vertaling in ons taalgebied. De eerste was van de hand van de vergeten A.S. Kok uit de jaren tachtig van de 19de eeuw. Rond diezelfde tijd verscheen de later zo beroemd geworden vertaling van Leendert Burgersdijk. En nu is er dus die van Courteaux, die uit de jaren zestig van de vorige eeuw stamt. Weer twintig jaar later kondigde Bert Bakker nog trots aan Gerrit Komrij voor een miljoen oude guldens de opdracht te hebben gegeven ook met een volledige vertaling te komen, maar die stopte zijn onderneming na een tiental stukken.

De oudste van Kok was snel vergeten nadat Burgersdijk op het toneel was verschenen, hoewel: op het toneel – de spelers uit zijn dagen vonden zijn taal niet soepel in het geheugen te krijgen, hoezeer ook de toen nog jonge Louis Bouwmeester als Romeo en later als Shylock het goede voorbeeld gaf. Een regisseur als Eduard Verkade gaf de voorkeur aan de vertaling van Jacobus van Looy, pas later werd Burgersdijk vaak gespeeld. Hoewel vaak: erg veel werd Shakespeare voor de oorlog niet vertoond, in ieder geval niet die veelheid aan opvoeringen die in onze dagen wordt uitgebracht. Burgersdijk bleef wel een vraagbaak, zijn minutieuze overzetting in onze taal kwam altijd het meest in de buurt van de mogelijke bedoelingen van de Engelse schrijver. Na de oorlog bewerkte de dichter Cees Buddingh’ zijn teksten in hedendaagser dus begrijpelijker Nederlands, en die bewerking werd toen ook volledig uitgegeven, dat was dus de vierde verzamelde Shakespeare.

Maar toen was het inmiddels de dichter Bert Voeten wiens vertalingen, meestal in opdracht van de Haagsche Comedie geschreven, de dienst gingen uitmaken. Zijn Nederlandse Hamlet uit de jaren vijftig beleefde bij De Bezige Bij meer dan tien drukken, en wordt zelfs nu nog gespeeld. Hij werd weer opgevolgd door Evert Straat, Dolf Verspoor, Hugo Claus, Frank Albers, De Roy van Zuydewijn, Hafid Bouazza, et cetera, en nog een heel leger anderen, onder wie Bindervoet en Henkes, die Hamlet vertaalden. Kortgeleden was het de niet genoeg te prijzen Tom Kleyn die drie Romeinse tragedies voor Toneelgroep Amsterdam in het Nederlands omzette. Vaak ook werden en worden vertalingen gemaakt door de regisseurs. Erik Vos zette bij Toneelgroep de Appel zijn regies om in eigen taal die hij samen met zijn trouwe dramaturg Hent van der Horst maakte, en ook Theu Boermans liet zijn inmiddels legendarische Hamlet van enkele jaren geleden in eigen woorden spelen.

Courteaux komen we op de Nederlandse podia zelden tegen. Toch wordt hij geroemd door Ivo van Hove, Tom Lanoye en Hugo Claus; zij allen prijzen hem op de cassette om zijn zorgvuldigheid, om zijn dichterlijk vermogen, het woord referentiekader wordt geregeld genoemd. Maar te horen is hij boven de rivieren zelden of nooit. Nu is er dan die luxueuze twaalfdelige uitgave, maar hij komt maar niet tot klinken, hij wordt hier niet getoetst aan de praktijk, hij wordt gedrukt, maar zijn stem gesmoord. Is dat vooroordeel – nuffigheid – de moderne nuffigheid van alles moet nieuw? Hoe komt dat?

Toen ik zelf in de jaren zestig als regisseur met mijn eerste ‘Shakespeares’ begon, richtte ik mij als vanzelfsprekend tot Voeten en Verspoor, niet tot Courteaux, hoewel ik zijn edities uit de Klassieke Galerij tot mijn beschikking had en die ook altijd raadpleegde wanneer ik weer eens iets niet begreep. Hij en ook de originele Burgersdijk boden bijna altijd de oplossing voor reeksen problemen, maar er waren te veel regels die niet ‘bekten’, volgens mij dan. En die vielen vooral op omdat er zoveel moois tussen stond.

De huidige uitgave gaat vergezeld van een inleiding die Courteaux in 1966 schreef (!) en waarin hij verantwoording aflegt van zijn dan zojuist beëindigde titanenarbeid. Hij had er toen dertien jaren, vanaf 1953, van noeste arbeid opzitten – het totale project kostte hem veertien jaar. Overdag werkte hij op een redactie, ‘s avonds wijdde hij zich aan S., drie uren achtereen, en in de weekends had hij zich een katoorurenschema opgelegd. Dan schoot hij volgens zijn eigen zeggen flink op, een gemiddelde van ongeveer achttien weken per toneelstuk. Op één na, Pericles (nota bene maar voor de helft aantoonbaar van Shakespeares hand), dat vanwege de druk van zijn uitgever heel snel persklaar moest zijn. Hij sloot zich op in een hotel in Engeland en klaarde de klus in een maand.

Courteaux’ inleiding is een schoolvoorbeeld van die van een gewetensvol man, die alle problemen die hij tegenkwam de revue laat passeren, die openlijk uitkomt voor de reeksen concessies die hij moest doen bij het overzetten in het Nederlands, die worstelde met ‘kiezen voor metrum of voor betekenis’. Hij analyseert helder zijn opvatting van de taak van de vertaler: ‘moet hij zijn eigen persoonlijkheid onderdrukken, vermijd hij het iets in het werk te brengen dat vreemd is aan het genre van de auteur en van diens tijd’, ‘wil hij niet alleen trouw zijn aan de vorm waarin het werk is geschreven, wat betekent dat hij de verzen in versvorm vertaalt en proza in prozavorm, maar ook aan de stijl en de sfeer’. ‘Als men een auteur uit het verleden vertaalt, vertaalt men niet alleen van de ene in de andere taal, maar van de ene tijd in een andere tijd’.

Courteaux schrijft verder: ‘De begrenzing die ik mij heb opgelegd is, dat ik iets heb trachten uit te drukken waarvoor de moderne taal niet het perfecte medium is. Ik heb overal waar het mogelijk was het poëtische en dramatische effect trachten weer te geven met dezelfde middelen die Shakespeare gebruikte.’ Zit daar nu juist niet het probleem met het tot klinken laten komen van die veel geroemde vertalingen: ze kloppen naar de letter maar niet naar de geest van het theater.

Ik doe Courteaux tekort met die paar citaten uit zijn uitgebreide en erudiete inleiding, maar ze geven wel de bezwaren aan die ik voel bij het lezen van zijn vertalingen: hij is zo trouw en zo gewetensvol, dat het contact met het hedendaagse Nederlands eronder lijdt, er te vaak onder lijdt. Zijn ‘eigen persoonlijkheid’ is volgens mij te vaak onderdrukt, waardoor het zeer subjectieve ‘sfeer’ nauwelijks een kans krijgt.

Het doet mij in ieder geval wel veel sympathieker aan dan de taalbuitelingen die Komrij zich veroorlooft in zijn controversiële Hamlet-vertaling uit de jaren tachtig, of de opmerking die Frank Albers aan zijn Koning Lear-vertaling vooraf liet gaan, waarbij hij de lezer laat weten ‘enkele restauratiewerkzaamheden’ te hebben verricht. Staat het Shakespeare-bouwwerk dan op instorten? Hebben de Engelse literatuuronderzoekers de vaak corrupte drukversies dan niet uitputtend van commentaren voorzien, zonder dat pedante woord te gebruiken?

De bekende Engels-Nederlandse toneelregisseur Adrian Brine heeft ooit gezegd dat hij als Engelsman jaloers is op de souplesse van het Nederlands, dat Shakespeare per nieuwe vertaling dichter en dichter naar het heden brengt. Daarom wordt er bijna bij iedere nieuwe voorstelling een nieuwe vertaling gemaakt. Omdat de toneelpraktijk bij iedere voorstelling opnieuw een poging wil doen dichter bij de schrijver te komen met een taalbeeld dat bij de huidige tijd past. En onze tijd wijzigt voortdurend zijn theateridioom, dus ook zijn taal, gelukkig.

Regisseurs worden vrijer tegenover de grote theaterdichter en proberen de kern van zijn gedachten, ideeën en beelden iedere keer opnieuw te toetsen aan de dag van vandaag. En de dag van vandaag verdraagt het overmatig gebruik niet meer van ‘wier’, ‘der’, ‘vuig’, ‘dewelke’ en ‘sakkerloot’, om maar eens een paar altijd terugkerende antieke woorden te noemen.

Waarom in onbruik geraakte woorden als ‘vorsen’ in te zetten wanneer ‘zoeken’ voor het grijpen ligt? Om het stuk de patina van vroeger te geven? Nee, Shakespeare werkt in onze tijd alleen als onze taal van nu is. Wij kunnen hem nu eenmaal niet in het Engels spelen, dan zouden we ons kunnen verbeelden de tekst wel in zijn volheid te begrijpen, niet gehinderd door de wetenschap dat de Engelse woorden uit Shakespeares tijd, die ons als dagelijks in de oren klinken, inmiddels een andere betekenis hebben gekregen.

De honderden eenlettergrepige woorden in het Engels hebben bijna in alle gevallen een tweelettergrepig Nederlands equivalent – ja, dat is een grote handicap. Geef dan liever het metrum op ten gunste van de betekenis. En is er dan eens een eenlettergrepig woordje voorhanden, dan moet er toch weer naar iets antieks worden gezocht – waarom? Waarom ‘rein’ en niet ‘puur’als het origineel ‘pure’ biedt, omdat ‘pure as snow’ in het Nederlands beter klinkt wanneer er ‘rein als sneeuw’ staat? Dat is dan wel geen restaureren, maar bepleisteren.

Zou Van Hoves indrukwekkende Romeinse trilogie niet aan zeggingskracht hebben ingeboet als Caesar in de tweede akte van Julius Caesar in Courteaux’ omzetting had gezegd:

Strekte ik zo ver veroverend mijn arm

Om nu vreesachtige grijsaards te beliegen?

Tom Kleyn, de huidige vertaler, maakte hiervan:

Heb ik zoveel gebied veroverd,

Dat ik die grijsaards niet de waarheid durf te zeggen?

Iedere keer wanneer ik aan mijn oordeel twijfel omdat ik op werkelijk prachtig door Courteaux in het Nederlands omgezette monologen stuit, zoals bijvoorbeeld in diens Hamlet-vertaling, dan staat er ineens een voor mij onoverkomelijk woord als ‘noodwendig’, en is de betovering verbroken. De beruchte ‘to be or not to be’-claus is zo’n voorbeeld, sterk, helder, to the point, wijsgerig en begrijpelijk – en toch in het metrum. Courteaux geeft in zijn inleiding en in de noten bij de tekst duidelijk aan waarom hij deze zinsnede in ‘te zijn of niet te zijn’ vertaalt, hoewel het eenvoudiger ‘zijn of niet zijn’ mijn voorkeur heeft. Maar waarom hij omwille van het metrum ‘der wereld hoon en gesels’ schrijft, of ‘minneleed’, ‘’t zieke leed der mijmering’, het zijn oplossingen die prachtige regels als

Want wat wij in die doodsslaap kunnen dromen,

Als wij van aardse kwelling zijn bevrijd,

Dwingt ons tot aarzelen. Daar zit de schroom,

Die al die smart zo lang in ’t leven houdt;

lijken te besmetten.

Al die mooie regels die ver boven simpele vondsten uitstijgen, bewijzen waarom Hugo Claus zegt dat Courteaux ‘op zijn schouder zit’, of Ivo van Hove hem ‘mijn eerste leidsman’ noemt. Ik zeg het ze graag na wanneer ik ergens in de nabije toekomst weer eens een stuk van de grote man kan gaan ensceneren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden