ReconstructieKunstsubsidies

‘Te veel naar de Randstad, te weinig naar de regio.’ Verdeling kunstsubsidie leidt tot scheve gezichten

Beeld Isa Grutter

Coalitiepartij CDA, gesteund door negen provincies, is boos op D66-minister Ingrid van Engelshoven dat het geld van Fonds Podiumkunsten vooral in de vier grote steden belandt. Terwijl er juist béter gespreid zou worden. Hoe kwam het zover? 

Akte 1: Waar het mis ging

‘Flevoland is precies een van de provincies, een van de regio’s, die fors kan profiteren’, zei minister van Cultuur Ingrid van Engelshoven (D66) een jaar geleden tijdens een debat in de Tweede Kamer. Ze verdedigde toen haar plan om de subsidieregelingen voor de podiumkunsten muziek, dans en theater om te gooien. De bedoeling was dat het culturele leven waaraan de regering meebetaalt beter de diversiteit van de samenleving zou weerspiegelen – van jong tot oud en van de multiculturele stadswijk tot ver in het land.

Het liep anders.

Flevoland is momenteel een van de voortrekkers van het protest dat negen provincies donderdag aantekenden bij Van Engelshoven over de verdeling van de vierjarige subsidies van het Fonds Podiumkunsten (FPK). Bij de bekendmaking daarvan, begin augustus, bleek dat er geen enkel theater- of muziekgezelschap uit Flevoland tussen zat. Gedeputeerde voor Cultuur Michiel Rijsberman (net als Van Engelshoven lid van D66) concludeert daarom dat de subsidieronde ‘juist leidt tot het verlies van rijksgesubsidieerde instellingen in Flevoland en dat is onbegrijpelijk en totaal ongewenst’.

Ook Overijssel en Gelderland ontdekten dat uit die provincies geen aanvragen waren gehonoreerd en er dus van de 21 miljoen euro uit de pot niks naar het oosten kwam. In de cijfers tekende zich een trend af: 81 procent van de toegekende subsidies ging naar de vier grote steden en maar 19 procent naar de rest van Nederland, bleek uit een door het FPK zelf geleverde statistiek.

Coalitiepartij CDA reageerde als door een wesp gestoken. De christen-democraten werpen zich in het cultuurdebat steevast op als voorvechters van de ‘geografische spreiding’: ook buiten Amsterdam wonen mensen die kunst maken en waarderen en zij hebben evenveel recht op de cultuurmiddelen van het Rijk. Om dat te benadrukken had CDA-Kamerlid Lenny Geluk-Poortvliet vorig jaar met de VVD nog een motie ingediend om ‘geografische spreiding’ zwaar mee te laten wegen bij de verdeling van subsidies; een ruime Kamermeerderheid schaarde zich daar achter.

Nadat de provincies in woede waren ontstoken, ontdekte Geluk-Poortvliet tot haar onaangename verrassing dat spreiding voor het FPK geen criterium was bij de beoordeling van de gezelschappen, terwijl dat in de vorige subsidieperiode nog wel zo was. Ze stelde subiet Kamervragen op – hoe kan dit zijn gebeurd?

CDA-collega’s met een sterke regionale achterban steunden haar, onder wie verliezend kandidaat-partijleider Pieter Omtzigt. Op Twitter deelde hij die verontwaardiging met zijn 89 duizend volgers, een schare waarmee hij vóór het anderhalvemetertijdperk de Schouwburg van Hengelo honderd avonden op rij had kunnen vullen. ‘Amsterdam: 54% van de subsidies (0,8 miljoen inwoners). Gelderland en Overijssel: 0% (3,1 miljoen inwoners). Waarom? Iedereen moest voldoen aan ‘diversiteit en inclusiviteitscode’. Nou, deze verdeling is heel erg niet inclusief!’

Zo treft minister Ingrid van Engelshoven bij terugkeer van vakantie dus bijna een hele bestuurslaag van het koninkrijk tegenover zich én een getergde coalitiepartij, die zich het regeerakkoord uit 2017 nog herinnert. Daarin staat: ‘Het is belangrijk dat het kunst- en cultuuraanbod voor iedereen bereikbaar is, zowel in de Randstad als in de regio.’

Akte 2: Hoe het met idealen begon

Subsidieronden in de cultuurwereld gaan altijd gepaard met ophef en rumoer: gezelschappen en instellingen die buiten de boot vallen, vechten dan voor wat ze waard zijn. Maar onder dit augustusprotest schuilt ook de politieke vraag of Van Engelshoven haar beloften en afspraken is nagekomen.

Na haar aantreden in 2017 heeft Van Engelshoven flink gesleuteld aan het kunstbestel. Voor het verdelen van cultuursubsidies heeft de overheid een complex stelsel opgetuigd om de invloed van de smaak van de politici van dienst te beteugelen. Voor je het weet is er anders alleen subsidie voor de Vijfde symfonie van Ludwig van Beethoven of juist voor abstracte rotondekunst van glanzend staal.

Het verdelen van rijksgeld is echter onmogelijk zonder politieke keuzen en daarom betrekken bewindslieden en parlementariërs bij de subsidieronden ook niet-artistieke criteria. En die zijn aan modes van het moment onderhevig. Denk daarbij door de jaren heen aan: het aantal symfonieorkesten en dansgezelschappen dat het land nodig heeft; verdient een theatergezelschap zelf ook geld; trekt het ensemble ook bezoekers met een migratieachtergrond; hoeveel muziekwerken van Nederlandse componisten staan op de lessenaar; is de raad van toezicht wel echt onafhankelijk; en: zit het goed met de spreiding van cultuur over het hele land?

Het huidige kunstbestel van het Rijk (zie afbeelding hieronder) dateert uit 2008 en bestaat uit de culturele basisinfrastructuur (BIS) en zes rijksfondsen voor de kunstdisciplines. Het is de hogere wiskunde van het kunstbeleid. Voor dit verhaal is de poot voor de podiumkunsten van belang, de poot ook waar de meeste kunstsubsidies in omgaan.

De BIS bestaat uit de cultuurvoorzieningen die het Rijk essentieel vindt voor Nederland. De symfonieorkesten, opera- en theaterhuizen en festivals met internationale allure zitten erin. Over de samenstelling van de BIS beslist de minister eens in de vier jaar zelf op basis van een advies van de Raad voor Cultuur. Onder de BIS hangen dan zes rijksfondsen met de opdracht om kunstenaars in de verschillende disciplines te steunen.

Het Fonds Podiumkunsten subsidieert de minder geïnstitutionaliseerde makers en gezelschappen waarvan het de artistieke ontwikkeling interessant vindt. Over die subsidiebesluiten heeft de minister niets rechtstreeks te zeggen. Het Fonds bepaalt dus zelf, maar de minister kan opdrachten bij de beoordeling meegeven.

Minister Van Engelshoven heeft als een van haar opvallendste cultuurbeleidsdaden 15,8 miljoen euro weggehaald bij het FPK en overgebracht naar de culturele basisinfrastructuur (BIS) voor de subsidieperiode 2021-2024. De helft daarvan bleef geoormerkt voor muziek, theater en dans, de andere helft kreeg andere bestemmingen, zoals urban arts en design.

De verschuiving had als doel meer ruimte voor vernieuwing te creëren in het fundament van het Nederlandse culturele leven. Niet alleen oude vertrouwden als het Concertgebouworkest in Amsterdam en Het Nationaal Toneel in Den Haag moesten daarin, maar ook jeugdtheater, ensembles en ontwikkelinstellingen voor experimenten vanuit het hele land. De BIS moest het moderne Nederland beter weerspiegelen.

Van Engelshoven wilde die herschikking niet alleen in haar werkkamer uitdenken, ze trok het land in om alle hoeken en gaten erbij te betrekken. Ze moedigde uiteindelijk vijftien ‘stedelijke regio’s’ aan zelf te schetsen wat hun positie in het Nederlandse culturele leven is. Het ministerie in Den Haag zou met die profielen het landelijke beleid beter kunnen afstemmen op de wensen van bijvoorbeeld 025 (Arnhem/Nijmegen) of BrabantStad (Eindhoven, Den Bosch, Breda, Helmond en Tilburg). Het maakte de bestuurlijke verhoudingen tussen gemeente, provincie en rijk niet per se duidelijker, maar het wekte wel verwachtingen voorbij de Hollandse waterlinie.

Akte 3: Toen sloop de twijfel erin

Al het overleg heeft zo’n hoge stapel rapporten, adviezen, brandbrieven, vergaderverslagen en Kamernota’s opgeleverd, dat op dat papier ook makkelijk de tekst van de 38 toneelstukken van William Shakespeare zou passen. Voor de kwestie van regionale spreiding is deze passage cruciaal, die Van Engelshoven ruim een jaar geleden in haar Uitgangspuntenbrief schreef: ‘Cultuur is van en voor iedereen, ongeacht woonplaats, culturele achtergrond of opleiding. Samen met gemeenten en provincies wil ik cultuur voor zoveel mogelijk mensen betekenis geven.’

Mooie woorden, maar hoe krijg je dat bij de podiumkunsten voor elkaar als maar de helft van de weggehaalde 15,8 miljoen ook in de BIS bestemd blijft voor muziek, dans en theater? De verschuiving ging betekenen dat veel minder gezelschappen subsidie zouden krijgen om zich artistiek te ontwikkelen - subsidie maakt het mogelijk avonturen aan te gaan waarvan je niet meteen weet of ze slagen. In Kamerdebatten spraken zowel oppositie- als coalitiepartijen zich bezorgd uit, ook ingefluisterd door partijgenoten op provincie- en gemeentehuizen.

Maar de minister hield de boot vorige zomer vakkundig af. ‘Natuurlijk zegt elke provinciale of lokale bestuurder dat het bij hem net iets meer moet zijn. Dat zou ik ook doen. Ik ben wethouder geweest. Men verwacht in de eigen stad dat je daarvoor opkomt.’

In antwoord op bezorgde vragen van het CDA zei Van Engelshoven eind november: ‘Het is inderdaad zo dat we verschuiven van het Fonds Podiumkunsten naar de BIS. Net zomin als ik kan zeggen wat dat betekent voor welke instelling, kan ik nu zeggen hoe dat precies neerslaat in de regio’s, omdat wij eenvoudigweg ook nog niet weten wie welke subsidies gaat aanvragen en wat er wordt gehonoreerd. Wel is het zo dat zowel voor de honorering in de basisinfrastructuur als voor het Fonds Podiumkunsten spreiding een heel belangrijk beoordelingscriterium is.’

Zo trok Van Engelshoven in de Kamer de lijnen waarbinnen de Raad voor Cultuur en het FPK moesten blijven bij hun adviezen en besluiten over wie er de komende vier jaar geld moest krijgen. De verschuiving kon beginnen.

Spreiden ín Limburg

Hoe ingewikkeld het regionaal spreiden van kunstsubsidies is, ontdekte de provincie Limburg ook zelf. Voor de verdeling van 11,2 miljoen euro kwam de adviesraad Cultuurtank met een uitkomst waarbij Noord- en Midden-Limburg achter het net visten. De provincie legt er 2,2 miljoen euro bij om dat recht te trekken en kondigde aan dat ‘er in de toekomst naar een eerlijker spreiding over Limburg wordt gekeken’, schreef dinsdag dagblad De Limburger. 

Akte 4: Dit kon de bedoeling niet zijn

De Raad voor Cultuur nam als gevolg van de Tweede Kamer-motie van CDA/VVD ‘geografische spreiding’ op als criterium bij de beoordeling van de subsidieaanvragen voor de BIS. Zozeer zelfs dat ‘instellingen in het noorden, oosten en zuiden hier en daar voorrang hebben gekregen boven instellingen in de Randstadprovincies’. Het werpt vruchten af: van de gehonoreerde aanvragen komt 60 procent uit de Randstadprovincies en 40 procent uit de rest van het land. Het was een duidelijk verschil ten opzichte van vier jaar eerder, toen de verdeling nog 69 tegenover 31 procent was.

Alle provincies krijgen een BIS-instelling, en Flevoland zelfs voor het eerst. Theatergroep de Bonte Hond uit Almere maakt de overstap van het FPK naar de BIS, en ook het nog ontwikkeling zijnde Kunstmuseum Flevoland doet alvast mee in een nieuwe categorie voor regionale musea.

Het Fonds Podiumkunsten gooide zijn hele regeling overhoop. Het verdeelde bijvoorbeeld de aanvragen niet meer in de categorieën muziek, theater en dans, maar naar de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag. Voor de festivals maakte het een indeling in regio’s en zocht daarvoor ook speciale regioadviseurs aan, zodat podiumkunstenfestivals in alle landsdelen subsidies konden krijgen uit de pot van 6 miljoen euro. Hier is de afgelopen weken geen kritiek op gekomen, onder meer omdat iedereen wiens aanvraag goed is beoordeeld ook geld gaat krijgen. In Flevoland is dat het theaterfestival 2turvenhoog in Almere, dat voor het eerst geld krijgt van het FPK.

Voor de verdeling van de ‘productiesubsidies’ – bestemd voor ensembles, (muziek)theatergroepen en dansgezelschappen om concerten en voorstellingen van te doen – zag het FPK af van het opnemen van een spreidingscriterium. Bij de verdeling van de beperkte middelen – er was ruim twee keer zoveel geld gevraagd als de 21 miljoen die in de pot zat – ging de meeste aandacht naar artistieke criteria.

‘Het Fonds heeft 15,8 miljoen minder te besteden voor meerjarige subsidies, dit bedrag is toegevoegd aan de BIS. Met deze verschuiving kan in de BIS een betere spreiding tot stand komen’, schreef het FPK in een verklaring. ‘Dat is voor het Fonds reden geweest de spreiding een minder grote nadruk te geven in de beoordeling.’

De beoordelingsregeling is op 5 november goedgekeurd door de minister. Daarin is wel opgenomen dat de beoordelingscommissies die het FPK uit vakgenoten samenstelt bij iedereen de artistieke kwaliteit over de afgelopen jaren wegen, de kwaliteit van de plannen voor de komende jaren en de mate waarin er publiek voor het gezelschap en zijn werk is. In de hogere subsidiecategorieën, waar meer geld lag te wachten, telden ook de betekenis binnen het Nederlandse podiumlandschap en uiteindelijk inbedding in de samenleving. Voor alle aanvragers gold dat ze de ‘gedragscodes’ moesten onderschrijven, die de cultuursector de afgelopen jaren zelf voor hun organisaties heeft opgesteld. Het gaat om het bevorderen van eerlijke beloning, goed bestuur en diversiteit. Hoe ze daar handen en voeten aan geven, telde verder niet.

Dit beoordelingssysteem leverde de regionale spreiding op die provincies en het CDA de gordijnen in heeft gejaagd: 81 procent naar de vier grote steden (waarvan 54 procent naar Amsterdam alleen). Het is een verslechtering ten opzichte van vier jaar geleden, toen de verhouding 73 tegenover 27 procent was.

Het FPK nuanceert het beeld van die cijfers door te wijzen op de voorgenomen speelplekken van alle gezelschappen. Hun tournees – gepland voor de coronacrisis – bestrijken vaak het hele land. Wie de speellijsten die het FPK levert bij elkaar optelt, komt op 4.997 in Nederland gespeelde voorstellingen waarvan 2.460 in de grote steden (49 procent) en 2.537 in rest van het land (51 procent).

Akte 5: Zijn de scherven nog te lijmen?

Voor elk gelijk is een rekensom te vinden. Flevoland had drie rijksgesubsidieerde gezelschappen in het Fonds Podiumkunsten – de Bonte Hond, Suburbia en Vis à Vis. Na de ronde hebben ze een theatergezelschap, een museum in ontwikkeling (beide in de BIS) en een theaterfestival (in het FPK). Is dat vooruitgang?

De vraag is of Van Engelshoven met een gebaar de woede bij de provincies en de verontwaardiging bij het CDA kan wegnemen. Het eenvoudigst voor de provincies is: het budget van Fonds verhogen, dat is immers vier jaar geleden ook gebeurd toen een hele zwik goed beoordeelde gezelschappen over de rand ging vanwege een te krap budget. Als Van Engelshoven er tot 2024 jaarlijks 15 miljoen bij doet zijn alle goed beoordeelde gezelschappen in allerlei provincies geholpen.

Maar het is twijfelachtig of dat gebeurt. Het CDA heeft in de zomer tegen een motie van de PvdA gestemd waarin toen al werd gevraagd het budget van het FPK te verruimen. De christen-democraten zijn er niet op uit meer geld aan cultuur uit te geven. ‘De bezuinigingen terugdraaien was geen optie’, zegt Kamerlid Geluk-Poortvliet. ‘Dan is het duidelijk dat het Fonds Podiumkunsten binnen de bestaande kaders moet opereren. Dat betekent voor mij eerlijke verdeling van de aanvragen over regio’s.’

Het zou betekenen dat het Fonds zijn werk over moet doen, met nieuwe criteria. Het zou nogal een draai zijn voor de minister, die de FPK-regeling zelf heeft goedgekeurd. Het is bovendien twijfelachtig of dat juridisch allemaal kan; én het is de vraag en of een meerderheid van de Kamer zo’n ‘alles-op-losse-schroeven-operatie’ steunt op het moment dat de coronapandemie de culturele sector al in de onzekerheid heeft gestort.

Maar daarmee is het laatste woord niet gezegd. Het Binnenhof komt langzaam in verkiezingsstemming en het kan er de komende maanden stevig aan toe gaan als coalitiepartijen hun verschillen steeds gaan benadrukken – van de stadse kosmopolieten van D66 tot de burgers van buitenaf van het CDA.

Lees verder 

In dit interview lichtte Henriëtte Post, directeur van het Fonds Podiumkunsten,  begin augustus de subsidiekeuzes toe. ‘Je weet dat een enorm verlies aan arbeidsplekken volgt.’

In juni maakte de Raad voor Cultuur zijn advies bekend over samenstelling van de Culturele Basisinfrastructuur, met daarin de grootste gezelschappen van het land. Daar was toen veel plek voor vernieuwing. De Tweede Kamer greep later in, en voegde ook het afgevallen Scapino Ballet en Eurosonic Noorderslag aan het pakket toe. De popmuziek drong toen door tot het hart van de kunstsubsidies. Maar waarom deed maar één band een aanvraag? 

En lees ook dit verhaal over Arnhem, dat een een rijk cultureel leven had, tot de coronacrisis. Hoe gaat de stad wederopstaan?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden