Te mooi om te checken

Macarena Hernandez, verslaggeefster van de San Antonio Express-News, barstte in woede uit toen ze op 26 april 2003 de voorpagina van The New York Times onder ogen kreeg....

Ze kende de boosdoener persoonlijk, van een stage voor aankomende journalisten uit minderheidsgroeperingen, die ze bij The New York Times had gevolgd. Blair was in haar ogen een big kiss-ass, een enorme hielenlikker, die het belangrijker vond bij The New York Times te horen dan een goede journalist te worden. Bovendien was Blair ook nog zo brutaal haar te bellen met de ontkenning dat hij haar verhaal had gelezen. Hij viel meteen door de mand met zijn bewering dat Anguiano Spaans had gesproken en dat haar dochter haar woorden had vertaald. Anguiano sprak Engels, zodat Hernandez meteen doorhad dat Blair Anguiano nooit kon hebben bezocht.

Ze diende een klacht in bij haar oude stagebegeleidster bij The Times, die onmiddellijk adjunct Gerald Boyd inschakelde. Inmiddels had ook Howard Kurtz, de beroemde mediaverslaggever van The Washington Post, lucht van de zaak gekregen. Een megaschandaal dat uiteindelijk zowel hoofdredacteur Howell Raines als Boyd de kop zou kosten en The New York Times zijn reputatie als de beste krant ter wereld, was in de maak. Seth Mnookin, op dat moment mediaverslaggever van Newsweek, schreef een voorbeeldige reconstructie van deze affaire. Hard News is een spannend jongensboek, een leerzame verhandeling over het journalistieke instituut The New York Times én een managementhandboek ineen.

Mnookin geeft een rake typering van Jayson Blair: too good to check. Een mooi verhaal moet je niet doodchecken, luidt een oude journalistenwijsheid. Jayson Blair, de jonge, ambitieuze, zwarte verslaggever die vastbesloten was het te maken in een bedrijfstak die wanhopig op zoek was naar talenten uit etnische minderheden, was eenvoudig 'too good to check'. Blair was evenwel al als student en als stagiair bij de Boston Globe een pathologische leugenaar en oplichter, een dief van andermans ideeën en artikelen, een kwaadspreker, billenknijper, alcoholicus en grootverbruiker van drugs - gespecialiseerd in kantoorintriges en beschuldigingen van racisme tegen iedereen die hem voor de voeten liep.

Uiteraard kan er bij een krant weleens wat misgaan. Zo moest de Volkskrant in 1996 door het stof omdat een verhaal van medewerker Jan Haerynck over EuroDisney totaal verzonnen bleek te zijn. Maar Jayson Blair bleek niet minder dan 36 verhalen geheel of gedeeltelijk uit zijn duim te hebben gezogen. 'Ooggetuigenverslagen' uit alle uithoeken van de VS op de voorpagina van The Times had Blair in werkelijkheid op zijn kamertje in Brooklyn in elkaar gedraaid.

Op 11 mei 2003 had The New York Times alleen al 6439 woorden op twee binnenpagina's nodig om de leugens en fouten uit Blairs publicaties recht te zetten. Op de voorpagina begon het eigenlijke onderzoeksrapport van 7102 woorden dat was opgesteld door een team van vijf verslaggevers en twee onderzoekers. Hoe was het in 's hemelsnaam mogelijk dat een onervaren journalist vijf jaar lang zijn collega's om de tuin kon leiden en een bliksemcarrière van stagiair tot sterverslaggever kon maken, terwijl het al die jaren klachten bleef regenen van eindredacteuren en chefs over zijn gebrekkige capaciteiten, zijn oncollegiale gedrag en fouten in zijn artikelen? Het antwoord van The Times luidde: 'gebrekkige communicatie tussen leidinggevende redacteuren'.

Het antwoord van Mnookin, die voor zijn boek ruim honderd interviews met Times-redacteuren heeft gehouden, luidt: het schrikbewind van de even briljante als narcistische hoofdredacteur Howell Raines, steun en toeverlaat van de ambitieuze uitgever, 'Young Arthur' Sulzberger, telg uit een geslacht dat al meer dan een eeuw de belangrijkste eigenaar van de krant is.

Van oudsher had de familie Sulzberger zich tevreden gesteld met een prominente plaats in de New-Yorkse culturele elite. Geld verdienen met het vlaggenschip van de Amerikaanse journalistiek was niet nodig, niet chique ook. De jonge Arthur had The New York Times Company naar de beurs gebracht. Op Wall Street golden heel andere normen en waarden. Er moest echt winst worden gemaakt, liefst een procent of 15 en The New York Times moest zijn vleugels uitslaan. Sulzbergers pogingen van The Times een landelijke krant te maken waren redelijk succesvol; zijn overname van The International Herald Tribune in 2002, die werd gereduceerd tot een kopblad van The Times in Europa, heeft veel kwaad bloed gezet.

Howell Raines had in de 23 jaar van zijn carrière bij The Times zorgvuldig een hechte vriendschap met de jonge Sulzberger opgebouwd. Raines hield ervan de krant te gebruiken voor politieke campagnes, bijvoorbeeld tegen Bill Clinton. Als chef van de Washingtonse redactie en van de opiniepagina dwong Raines zijn mensen alles uit de kast te halen om de concurrentie af te troeven met opzienbarende verhalen. Voor de meeste van die redacteuren koesterde Raines een grote minachting; maar hij had ook persoonlijke favorieten die hij schaamteloos voortrok. Net als zijn baas Sulzberger vond hij The New York Times een ingeslapen instituut, dat ten onrechte teerde op het glorierijke verleden. Vanaf 5 september 2001, de dag waarop hij aantrad als executive editor, zou alles anders worden.

Dat werd het sneller dan verwacht. Op de ochtend van 11 september 2001 mobiliseerde The New York Times driehonderd verslaggevers en 54 fotografen om verslag te doen vanaf Ground Zero. De krant van 12 september besteedde niet minder dan 82.500 woorden aan de aanvallen op de Twin Towers. De verslaggeving over de aanslag op New York en de gevolgen leverde The Times een halfjaar later het recordaantal van zes Pulitzer-prijzen op.

Deze droomstart maakte Raines, die zichzelf als een journalistieke legende ging beschouwen, overmoedig. Hij voerde een zevendaagse werkweek in (van 10 tot 22 uur). Hij maakte een einde aan de macht van de ruggengraat van de krant: de chefs van de deelredacties. Die waren gewoon hun verslaggevers tussen tien en elf uur op pad te sturen. Raines introduceerde een top-down management van de krant, waarbij de hoofdredactie zonder inspraak van de chefs de nieuwsagenda bepaalde. De chefs werden systematisch overruled en kwamen zo klem te zitten tussen de top en hun eigen redacteuren.

Raines en zijn rechterhand Boyd, die zijn baas in arrogantie probeerde te overtreffen en die als zwarte topjournalist Jayson Blair de hand boven het hoofd hield, hadden niet in de gaten dat de frontsoldaten van The New York Times solidair waren met hun chefs. Als een veenbrand verbreidde het ongenoegen zich, aangewakkerd door een reeks affaires over het toedekken van fouten van lievelingetjes van de hoofdredactie.

Toen in mei 2003 de granaat Jayson Blair was geëxplodeerd, was er voor Raines en Boyd geen redden meer aan. Arthur Sulzberger benoemde op 14 juli 2003 old hand Bill Keller tot de zevende hoofdredacteur van The New York Times.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden