Te groot voor een boek, dit turbulente leven

Met charisma en lef wist componist Peter Schat een generatie op sleeptouw te nemen. Muziekjournalist Bas van Putten heeft een scherpzinnige biografie afgeleverd van deze lastige hemelbestormer.

'Meer dan eenmaal heb ik overwogen dit project te staken.' Met die pontificale bekentenis begint muziekjournalist Bas van Putten zijn biografie van de Nederlandse componist Peter Schat (1935-2003). Er volgen meer confidenties. Bijvoorbeeld: 'Aan dit boek is zeven jaar gewerkt. Ik volgde geen methode.' En: 'De inhoud is te groot voor een boek.'

Het is duidelijk: hier heeft een auteur een taak van zodanig gewicht op zich genomen, dat hij er bijkans onder dreigde te bezwijken - de lezer gelieve zich er rekenschap van te geven, voor hij zich in de daaropvolgende 560 pagina's verdiept. Een noodzakelijke omvang overigens, want, legt de auteur uit: 'Schats verwevenheid met bredere culturele en maatschappelijke ontwikkelingen vergde meer tijd en op papier meer ruimte dan ik had voorzien.' Wat betekent dat Alles moest anders uitsluitend Schats leven en werk tot 1970 behandelt. Het tweede deel - met Schat als aanjager van de Notenkrakersactie, de grote waterscheiding in de naoorlogse muziek - houden we tegoed. Of, zoals de schrijver het zelf in zijn voorwoord formuleert: 'Ik kom erop terug.'

Grootse perspectieven, dramatische gebaren - en dan moet de eigenlijke biografie nog beginnen. Het zijn schoten voor de boeg die goed passen bij het onderwerp, want de barokke hemelbestormer Peter Schat was allerminst een man van het midden. Zijn notabele uitlatingen, op vrijwel elke pagina te vinden, getuigen ervan: 'De komende duizend jaar ga ik me met muzikaal theater bezighouden', en, even typerend: 'Ik zou wel met de hele wereld naar bed willen'.

Contrasten

Van Putten tekent het leven van deze expansieve, ook verbaal bevlogen componist als een aaneenschakeling van allianties en conflicten, vol verbroken vriendschappen, banvloeken en polemieken, op muzikaal terrein niet minder dan in zijn persoonlijke leven.

Contrasten te over: de godzoekende jongeling die een vierstemmig gezang componeert op 'als ik in gedachten sta/ bij het kruis van Golgotha' verandert een decennium later - met vriend Harry Mulisch - in een gelovige Cuba-ganger, die de Amerikaanse president Johnson 'absoluut erger dan Hitler' noemt. Een fase verder bekeert Schat zich tot het maoisme, om in de jaren tachtig te eindigen als een radicale anticommunist, die eist dat voormalige kameraden boeten voor hun foute inzichten van vroeger.

Ook in muzikale zin is het een en al turbulentie. In 1960 meldt hij zich bij de strenge maestro Pierre Boulez in Basel, die zijn devote discipel 'muzikaal consequent' leert denken. Nog geen twee jaar later moet Schat niets meer van rigoureus geordende muziek hebben ('die keurig geknipte seriële Versailles-tuinen') en verlangt hij naar 'een stinkende varkensstal, legerhoeren uit de Dertigjarige Oorlog', om daarna, in de slipstream van provo, uit te komen bij het opruiende engagement van zijn sterkste composities: Thema, To You en Canto General.

Zo blijft hij pendelen tussen standpunten, een ongedurigheid die culmineert in zijn publiek verkondigde afscheid van het modernisme en een terugkeer naar de ten onrechte gesmade tonaliteit. En ook dat gaat met krachttermen gepaard. 'Veel twintigste-eeuwse avant-gardemuziek klinkt net zo rot als de Bijlmermeer eruitziet', stelt hij in 1984. Niet lang daarna noemt hij De Materie van voormalig bentgenoot Louis Andriessen 'een sadistische aanslag op de kunst van het componeren'.

Herenclub

Een van de wrange consequenties van die ostentatieve strijdlust is zijn excommunicatie uit de Herenclub, waarin hij ruziede met collega's over hun houding jegens Mao en Castro. Harry Mulisch laat hem als een 'eerloze verrader' uit de club zetten - een affront die het leven van de componist volgens zijn biograaf 'een fatale wending' gaf: Schat zou in verbittering eindigen, vervreemd van zijn vrienden en met het stigma van een door zijn muze verlaten kunstenaar.

Intrigerend genoeg was Peter Schat - het type man 'voor wie je op moest passen' - óók een warme, genereuze, overrompelende figuur, een durfal die anderen met noten en woorden op sleeptouw nam en zo de voorman werd van de generatie die de Nederlandse gecomponeerde muziek in de jaren zestig grondig opschudde. Reconstructie, het roemruchte collectieve schandaalstuk uit 1969 (vijf componisten, libretto van Mulisch en Claus), was er zonder Schat niet gekomen. 'Hij is er jarenlang mee bezig geweest die mensen bij elkaar te krijgen', herinnert componist Rob du Bois zich, 'het kwam allemaal van hem'. Collega Reinbert de Leeuw, later allerminst on speaking terms, is in de jaren zestig niet de enige die valt voor Schats charisma: 'Wij dweepten met hem, hij was uit één stuk, zag er ook fantastisch uit, met die rode haren en die kop.'

Uit al die elkaar tegensprekende brokstukken tracht Bas van Putten een samenhangend portret te smeden, waarbij hij trefzeker put uit het overvloedige archief dat Schat naliet ('zijn tweede levenswerk naast het oeuvre') en ook citeert uit een indrukwekkende hoeveelheid gesprekken met muzikanten (van Pierre Boulez tot, bien étonné, jingle-componist Joop Stokkermans), vrienden en verwanten, onder wie Peter Schats jongere broer Erick, eigenaar van een florerende bakkerij in Californië.

Pijnlijke intimiteiten

De centrale vraag, door Van Putten al in zijn inleiding geformuleerd, komt in steeds wisselende gedaanten aan bod: 'Hoe kon een zo getalenteerde, verbaal begaafde, weerbare publieke figuur als Peter Schat zo geïsoleerd raken in het Nederlandse cultuurlandschap?' Onvermijdelijk gaat Van Putten daarbij in op Schats jeugd als gereformeerde bakkerszoon in Utrecht. En met name op de hardhandige scheiding eind jaren vijftig, als het complete gezin naar de Verenigde Staten emigreert en Peter omwille van de muziek als enige achterblijft.

Onthutsend is de brief die de prille, maar dan al om zijn orkestwerk Mozaïeken bewonderde kunstenaar aan Schat senior in Californië schrijft. De met zijn seksuele identiteit worstelende zoon verwijt zijn vader in bedekte termen dat die nooit voor zijn homoseksuele geaardheid is uitgekomen: 'Ik heb ontdekt dat ik een geweldige afkeer van mezelf heb, en die heb ik van jou meegekregen.' Het ontroerende antwoord: 'Jongen wat zit je in de soup. Maar er is een ding dat ik je moet zeggen. Je bent geen homo maar bisexual.'

Zo worden ook pijnlijke intimiteiten in de biografie nauwgezet maar prudent belicht, waarbij Van Putten de paradoxale trekken van Schats karakter psychologisch genuanceerd tot hun recht laat komen. Typerend is wel dat Van Putten zijn inzichten nogal luidruchtig verwoordt - zie de typering van een klassieke Schat-polemiek als 'de noodsignalen van een verscheurde geest die nog niet inziet dat zijn steen des aanstoots als een boemerang retour moet komen'.

Kanttekeningen

En niet alleen de beeldspraak is aan de exuberante kant ('de christenvoet gaat soepel van de rem'), ook in de vele kanttekeningen, uitweidingen en terzijdes weet de auteur moeilijk maat te houden. Moest dat er nou echt óók in, die oprisping over het veranderde mediaklimaat ('kunstnieuws van nu is dat Linda Ronstadt aan parkinson lijdt ') en dat extra zinnetje over de Nacht van Schmelzer, al heeft de gememoreerde onmin over 'de dekking van de rijksbegroting' verder niets met het betoog uit te staan?

En neem hoofdstuk 8, over Schats 'multimediale braniestuk' uit 1966, Labyrint. Dat mastodontische hoofdstuk beslaat maar liefst 190 pagina's, en bevat naast onnodige preciseringen - over de happenings van Robert Jasper Grootveld is elders echt genoeg opgetekend - ook zoveel finesses over de productietechnische ups en downs van Labyrint, dat je ietwat moedeloos het aantal resterende pagina's gaat zitten tellen - had die complete biografie niet gewoon in één band gekund?

Zonde dus, want Alles moest anders heeft óók een imponerende hoeveelheid nuance en scherpzinnigheid te bieden, en valt bovendien te lezen als een compendium van het Nederlandse componeren na 1950, bezien vanuit het perspectief van een charismatische lastpak.

Val in ravijn

De dood van Peter Schats geliefde Marina Schapers (1938-1981), door een val in een ravijn tijdens hun gezamenlijke vakantie in Griekenland, valt chronologisch gezien buiten het bestek van dit eerste deel van Schats biografie. Toch besteedt Bas van Putten uitgebreid aandacht aan het drama, of preciezer gezegd: aan de zijns inziens discutabele manier waarop Connie Palmen Schapers' dood verwerkte in haar roman Lucifer (2007). In zijn inleidende 'Overwegingen bij een biografie' schrijft hij: 'Belangrijk is hier vast te stellen dat Palmens boek, goedschiks of kwaadschiks, de uitdrukking is van een breed gedragen fascinatie voor de man Peter Schat.' Zijn biografie beschouwt Van Putten als 'een tweede poging in boekvorm uitdrukking te geven aan dezelfde fascinatie (...), maar zonder de fictie en mét de muziek.'

Linkse generatie

De titel Alles moest anders is eerder gebruikt, voor een essaybundel uit 1991 bij uitgeverij Nijgh & van Ditmar over 'het onvervuld verlangen van een linkse generatie', met bijdragen van onder anderen Max Arian, Anet Bleich, Andrée van Es, Elsbeth Etty, H.J.A. Hofland en Arnold Koper.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.