'Taxi's toeterden, en niet uitsluitend zij'

LITERATUUR wordt niet meer in opdracht gemaakt, is eigenlijk nutteloos geworden, autonoom en schriftelijk. Een kunstvorm. Die is in Alexandrië ontstaan, zoals de dichter, graecus en nu ook romancier Ilja Leonard Pfeijffer (1968) betoogt in het recent verschenen Alexandrië-dubbelnummer van De Revisor, waarvan hij redacteur is: 'De literatuur van Alexandrië...

Arjan Peters

Pas met die laatste zin maakt de beschouwer Pfeijffer ons deelgenoot van zijn hartelijke instemming. Zijn analyse neemt daar het karakter aan van een stellingname, die in onze van autobiografische ontboezemingslectuur vergeven tijd als een provocatieve overtuiging overkomt. En wel eentje waarin Pfeijffer de lezer wil laten delen, zodat je je kunt afvragen in hoeverre dat mogelijk is, in de literatuur (van Alexandrië en van nu): niet willen overtuigen. Zo'n uitgangspunt werkt tenslotte pas, als je de lezer tenminste dáárvan weer overtuigt.

Even problematisch is zijn uitlating dat echte literatuur 'niets met de werkelijkheid' te maken heeft. Klinkt voortvarend, maar wat is werkelijkheid, en moeten we die niet eerst grondig kennen voordat we het contrast als contrast kunnen herkennen? Pfeijffers eerder in een essay geponeerde strijdkreet dat poëzie liever onbegrijpelijk moet zijn dan probleemloos toegankelijk, riep vergelijkbare vragen op. Bijna programmatisch hamert hij op het artificiële karakter van kunst. Het zijn op zijn minst retorische overtuigingspogingen, uitspraken over de werkelijkheid, zoals zijn exuberante gedichten nooit alleen maar virtuoze spelletjes zijn van een tevreden bellenblazer. Hij wíl er iets mee, met zijn serpentines, vuurpijlen, toeters en bellen. De lust tot uitdagen is hem niet vreemd.

Pfeijffer behoort niet tot de schrieperds voor wie literatuur de kunst van het schrappen is. Hij pakt de zaken onbekrompen aan. Vorige week voegde hij liefst twee titels toe aan de twee dichtbundels die hij al op zijn naam heeft staan: de roman Rupert - Een bekentenis en de dichtbundel Dolores - Elegieën, aangekondigd als het eerste en het laatste deel van een vierluik dat de Steppoli-tetralogie zal gaan heten.

Een definitief oordeel is nog niet mogelijk, maar over deze roman en nieuwe gedichten kan wel verondersteld worden dat ze op goedkeuring mogen rekenen van de essayist Pfeijffer. De Steppoli-tetralogie gaat een demonstratie worden van hoe literatuur in zijn ogen 'moet zijn'.

We dienen de ondertitel van Rupert, 'Een bekentenis', niet op te vatten als een autobiografische ontboezeming, zoveel is ons vooraf al duidelijk gemaakt. Wanneer Rupert vertelt over zijn wandeltochten door zijn - imaginaire - stad, volgt hij in feite een klassiek-retorisch voorschrift: een redenaar die uit het hoofd zijn betoog afstak, had zijn geheugen te trainen door zijn betoog langs een aantal vaste herkenningspunten te sturen. Een bruikbare ezelsbrug voor Rupert, die zich immers in de drie 'zittingen' waaruit de roman is opgetrokken, ten overstaan van een tribunaal moet verweren tegen de aanklacht dat hij een vrouw heeft verkracht.

Dit is een onnatuurlijk boek, wil Pfeijffer zeggen, en alles in Rupert werkt eraan mee om ons hiervan te doordringen. De roman is ludiek en maniëristisch, barstensvol intertekstuele Witzen en allusies, veelbetekenende Natureingangen (die zowel de gebeurtenissen als de gemoedstoestand van de hoofdpersoon aankondigen) en een kwistig gebruik van de enumeratio. Soms staan de zinnen erbij in hetzelfde eigenaardige Nederlands als in de proefvertalingen die ik ooit op het gymnasium zat te fröbelen: 'Over het tempo dat ik mij aanmat kan ik zeggen dat het het juiste tempo was'; 'Taxi's toeterden, en niet uitsluitend zij'; 'Volgens de wetten van de kansbereking was het waarschijnlijk dat er één uurwerk tussen zou liggen of staan dat de juiste tijd aangaf, maar tenzij je wist hoe laat het was, was het onmogelijk vast te stellen welke dit was.' De openingszin: 'Er scheen zon die tegenvalt', met die verspringing van tijd waardoor je meteen uit het verhaal wordt gehaald dat nog moet beginnen, krijgt 25 pagina's later een komische pendant: 'Zij had zonnevisfilet gemaakt die tegenviel.'

Meest aandoenlijk bij dit alles is dat Rupert het (althans hier) zwijgende tribunaal voortdurend van zijn oprechtheid wil overtuigen. Alles aan hem is onoprecht. Dat is het thema van zijn leven, voorzover dat in dit boek terechtkomt. Hij verliest zich in verbale hoogstandjes en vernuftige theorieën van eigen (of andermans) makelij, omdat hij niet in staat is zijn hartstocht langs andere kanalen te uiten. Hij zit opgesloten in zijn taal. Zeven maanden heeft hij een vriendin gehad, Mira, die in zijn bewoordingen uitgroeit tot een muze, Belle Dame Sans Merci met 'donkergroene roofdierogen'. Zij was echter zo werkelijk, zoals ze naast hem liep en sliep, dat Rupert prompt impotent werd. De vrolijke masturbant die in de onderwereld van de peepshow menige spermaklodder aan zijn roede onttrok, maakt tegenover de vlees en bloed geworden Ware niets meer klaar.

Zij legt het aan met zijn beste vriend Benno, dat zul je altijd zien, en vanaf dan slaat Ruperts geest op hol. Niets houdt hem meer aan de grond. Hij downloadt voze vrouwen die zich op internet aanbieden, zoekt de zonde van telefoonseks op, en promoveert een barmeid tot zijn 'Dolores', een naam waarin de smart der onbereikbaarheid niet erg subtiel opklinkt. Hij volgt haar door een labyrintisch stegennet van de wijk waarnaar zijn Mira verhuisd zou zijn, verdwaasd loopt hij door die wijk als in Haar, en als hij Mira daadwerkelijk aantreft als slachtoffer van een groepsverkrachting, lijkt het er verdacht veel op dat Ruperts malende hoofd deze lustverhogende setting heeft afgedwongen. Met de werkelijkheid heeft dit niets meer te maken.

Wat kan hij anders doen dan zijn gulp openen en het vanuit zijn toeschouwerspositie op een sjorren zetten? De daders vluchten, Rupert wordt ingerekend, later hoort hij dat de verkrachte vrouw heel geen Mira heette.

'Alles verliep volgens het boekje', staat aan het begin, als hij verslag doet van het begin van de Mira-episode, maar die zin kan ook boven de hele roman én boven de dichtbundel Dolores geplakt worden. Pfeijffer bezingt de vrouw van buiten, hij komt er niet bij, zoals hij in Rupert het onvermogen om aan 'de werkelijkheid' deel te nemen thematiseert. Alleen met woorden kan hij iets terugdoen, uitzinnige en vaak kolderieke woorden, die af en toe tot ongehoorde combinaties en in meer dan één opzicht spetterende taferelen en passages leiden.

Maar dat de onmacht van Rupert of de 'ik' (uit de dichtbundel) van een ander gehalte is dan die van hun creator, wil er niet helemaal in. Pfeijffers drive en flair zijn onmiskenbaar aanstekelijk, maar zijn vurigheid houdt altijd ook iets van koudvuur. Ruperts spermafluimen komen niet zonder reden veelal op zijn eigen handen en broek terecht. Ze druipen niet van de pagina's af, maar koeken daarop vast. Pfeijffers literatuur is het bedrijven van het hogere droogneuken.

Man verliest mooi meisje, omdat de zinnen die zijn zintuigen aanmaken tussen hem en haar komen te staan. Daar kun je niet tegenin gaan door je verbale vermogens tot het uiterste op te schroeven. Voor je het weet, vlucht je in kitsch (met name de dichtbundel, hoe spitsvondig ook geschreven, lijdt daaronder), waarmee je jezelf een rad voor ogen draait. Rupert en Dolores zijn er de resultaten van: kunstige kunst, buitengewoon hedendaags-Alexandrijns, onvoldoende evenwel om dit jurylid te overtuigen. Wil ik ook niet, zal Pfeijffer terugroepen. Dan niet, zou ik daarop antwoorden - in de hoop dat er toch iets bij hem gaat knagen.

Ilja Leonard Pfeijffer: Rupert - Een bekentenis.
De Arbeiderspers; 172 pagina's; ¿ 13,95.
ISBN 90 295 3636 5.

Ilja Leonard Pfeijffer: Dolores - Elegieën.
De Arbeiderspers; 38 pagina's; ¿ 10,-.
ISBN 90 295 3642 X.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden