Tan Dun geest die zich laat gijzelen door zijn eigen ontroering

Tan Duns gebarentaal laveert in The Wolf tussen sierlijke tai chi en krachtdadige kungfu. Het klanklandschap herinnert oudere bezoekers misschien aan cowboy-series als Rawhide en Bonanza.

Beeld Concertgebouw

Pakkadám, pakkadám, pakkadám. Met klepperende strijkstokken jaagt het Koninklijk Concertgebouworkest over de Mongoolse steppe. De man die de troepen opzweept, heet Tan Dun. De Chinese componist, onder meer vermaard vanwege zijn muziek bij films als Crouching Tiger, Hidden Dragon, gunt Amsterdam de wereldpremière van een nieuw stuk voor contrabas en orkest. En hij dirigeert het bovendien zelf.

Tan Duns gebarentaal laveert in The Wolf tussen sierlijke tai chi en krachtdadige kungfu. Het klanklandschap dat hij ermee schildert, herinnert oudere bezoekers van het Amsterdamse minifestival CHINA here misschien aan cowboyseries als Rawhide en Bonanza. Jongere luisteraars herkennen het Hollywood-dna in heldhaftige hoorns. Oren die zijn gestaald in de Europese klassieke hardcore, staan vooral in de openingsmaten op steeltjes.

The Wolf opent met een verbluffend ballet voor contrabassen. Terwijl de solist, Dominic Seldis, zijn snaren met oriëntaalse glijertjes laat gonzen, stijgen mysterieuze fluittonen op uit de bassen van het orkest. Jammer genoeg roepen de twintig minuten die volgen netelige vragen op rond kunst en kitsch, smaak en wansmaak.

Mongolië

Tan Dun baseerde The Wolf op een recente roman, die zich afspeelt in Mongolië. Via de muziek mijmert hij over traditie en toekomst, mens en natuur, weidsheid en liefde. Het idioom schiet heen en weer tussen dravende ritmiek en romantische chinoiserieën.

Westerlingen die dit flikken, zien van het Concertgebouworkest geen opdracht tegemoet. Maar een Chinees valt lastig te beschuldigen van chinoiserieën, zeker niet als hij ze zo authentiek en oprecht weeft door een ander stuk: Nushu, The Secret Song of Women (2013), over de teloorgang van het nushu, een geheimschrift van vrouwen dat tot voor kort in zwang was in Tan Duns geboortestreek Hunan.

De afgelopen jaren trok hij er met een cameraploeg op uit. Op projectieschermen boven het podium toont hij de vrouwen van het Yao-volk, die met aangename stem zingen en klagen. Tan Dun plooit er een bij vlagen wonderschoon symfonieorkest omheen, plus de poëtisch tokkelende harp-soliste Petra van der Heide.

Maar opnieuw: je proeft een geest die zich laat gijzelen door zijn eigen ontroering. Tan Dun jubelt maar door, onder het filmbeeld van ritmisch petsende handen aan de waterkant. Voor het optimistisch stralende melodietje doet het ministerie van Propaganda in Hunan een moord.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden