Sympathie voor Beeren

Misschien vond ik, na zijn wat zware en daardoor soms slaperig lijkende ogen, zijn stem het aardigst in het echoachtige karakter ervan, de rondheid, de zachtheid en de toon die een groot gevoel voor humor verried....

Ruim dertig jaar later zou ik hem opnieuw ontmoeten: de sympathie vaneens kwam direct terug; zijn stem bleek niets veranderd, zijn oogopslagevenmin. Toen ik in augustus 2000 het bericht van zijn dood hoorde, zagen hoorde ik hem even scherper dan ooit. Ik had hem het laatst gezien bijde opening van het Museum Het Valkhof in Nijmegen, heel even maar, hij moetook de kunst van het verdwijnen haast volmaakt hebben gekend.

Mijn sympathie, om niet te zeggen mijn zwak, voor hem is in enige dagennog veel groter geworden. In een omvangrijk boek dat vrienden en collega's hebben gemaakt (Wim Beeren - om de kunst is de titel ervan) wordt hijsteeds indrukwekkender, om zijn karakter, zijn ongelooflijk grote enveelzijdige werkkracht, zijn trouw aan tradities en vooral aan zijnleermeester, de Nijmeegse hoogleraar F. van der Meer, bij een vermogen zichvoortdurend te vernieuwen, en in de kunst om de deur van de toekomst tedurven kijken.

Het boek is in zes perioden uit Beerens leven verdeeld. Elke periodewordt ingeleid door een 'kenner' van die periode. Zijn studievriend KeesPeeters schreef de eerste en de laatste inleiding, over de Nijmeegsestudententijd en over de laatste jaren van Beerens leven.

Achter de inleiding tot elke periode volgen grotere en kleinereartikelen van Beeren in die tijd geschreven, van een stuk uit deschoolkrant van het Haags Lyceum - over Breitner - tot een artikel uit 2001over kunst en de openbare ruimte, een ideaal gegeven voor de maker van degeruchtmakende tentoonstelling Sonsbeek '71. Er valt een ontwikkeling aante wijzen: de jonge Beeren schrijft met een wat overdrevennadrukkelijkheid, die een lichte geldingsdrang en hang naar opinievormingverraadt; de latere schrijft bezonken en weloverwogen.

Waarover hij schrijft, is in de ondertitel van het boek samengevat:'Opvattingen van een museumman over moderne kunst, kunstenaars, musea enkunstbeleid.' Dat klinkt allemaal erg kunstartikel-achtig. De artikelenzijn dat ook. Maar ze zijn ook nog iets anders en dat boeide mij vooral inhet boek.

Beeren had al vroeg een vrij grote literaire belezenheid; hij is blijvenlezen, haast even veel en intens als hij keek en bleef kijken, denk ik.Veel van zijn artikelen verraden dat er een verlangen naar eenschrijverschap in hem aanwezig moet zijn geweest. Hij realiseerde dat inzijn manier van over kunst schrijven; die is zelden academisch, maar heelvaak persoonlijk en essayistisch.

Juist die essayistische stukken hebben een veroverend karakter: Beerentracht ook zichzelf iets duidelijk te maken. Formele en vakmatige gladheidzijn hem vreemd. In 1983 begint hij een catalogusartikel over de schilderSigmar Polke zo: 'Ik drijf in dit korte artikel over Sigmar Polke op hetvlot van de drie gekoppelde werken uit ons museum uit zelfbehoud, omniet te verdrinken in de zee van zijn oeuvre dat groot, bewegelijk engrillig is.' Schrijven als drijven - het is heel karakteristiek.

Ik kan over deze keuze uit Beerens werk alleen persoonlijk oordelen,naar de persoon van de schrijver dus. Die wordt in die zeer gevarieerdestukken alleen maar sympathieker. Die aardige stem begin ik steedsduidelijker te horen. Een schrijver maakt zich de lezers tot vriend, zoalshij vriend was van alle medewerkers aan deze schitterende documentaire.Beeren zou er niet verlegen van zijn geworden. Dat was hij al.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden