Column Sylvia Witteman

Sylvia Witteman leest Tsjechov, omdat de zomer voorbij is

Als de zomer voorbij is, denk ik altijd aan Tsjechov. Ook in zijn verhalen gaan zomers voorbij, met als beroemdste voorbeeld uiteraard De dame met het hondje, waarin de hoofdpersoon Goerov op het station van Jalta afscheid neemt van de getrouwde jonge vrouw met wie hij – eveneens getrouwd maar een notoire schuinsmarcheerder – die zomer een buitenechtelijke verhouding heeft gehad: ‘Hij voelde zich ontroerd, bedroefd, met een vleugje van berouw; (...) hij had haar altijd met vriendelijkheid en hartelijkheid bejegend, maar toch: in zijn optreden, in zijn toon, in zijn liefkozingen had aldoor iets van lichte spot doorgeklonken, de nogal grove aanmatiging van een gelukkige man, bovendien bijna twee maal zo oud als zij. (...) Hier op het station rook het reeds naar de herfst, de avondlucht was kil. Ook voor mij wordt het tijd om naar het noorden terug te keren, dacht Goerov, toen hij het perron afliep.’

De jonge vrouw in kwestie heet Anna Sergejevna. Ze heeft dezelfde voornaam en vadersnaam als de Anna uit Tolstojs 22 jaar eerder verschenen Anna Karenina en dat lijkt me geen toeval. De overeenkomst tussen beide Anna’s is duidelijk: ze gaan vreemd, in een tijdsgewricht waarin zoiets schandalig was. In Tolstojs zedenschets wordt Anna voor haar misstap bitter bestraft door het noodlot. Tsjechovs korte verhaal, daarentegen, eindigt met een slot dat de lezer in verwarring achterlaat: na wat aanvankelijk een korte, onbeduidende zomerse scharrel leek blijven Goerov en Anna elkaar stiekem ontmoeten en realiseren zich uiteindelijk dat zij wel degelijk écht van elkaar zijn gaan houden.

‘Hoe? Hoe moeten wij hier mee aan?’ vroeg hij zich af, zich het hoofd brekend. ‘Hoe moet het dan?’ En het had er de schijn van, of zij nog maar één stapje hoefden te doen – en zij zouden de oplossing gevonden hebben, en dan zou er een nieuw, prachtig leven voor hen aanbreken: en beiden gaven zich er duidelijk rekenschap van dat zij nog een heel, heel lange weg hadden af te leggen tot het einde zou zijn bereikt en dat het moeilijkste en ingewikkeldste eerst nu op komst was.’

Einde. Vergeleken met Anna Karenina’s gruwelijke apotheose (Alleen al die huiveringwekkende dwerg, met zijn ‘il faut battre le fer, le broyer, le petrir...’) is het slot van De dame met het hondje een tamme bedoening, die de lezer voornamelijk in verwarring achterlaat. Geen schuld, geen boete, gewoon, de lotgevallen van twee mensen die maar wat aanklooien, zoals dat mensen eigen is, met een onzekere toekomst, net als in het echte leven.

Tsjechov onthield zich dus van een moreel oordeel. Dat was indertijd nieuw en verontrustend. Met slechte mensen moest het immers slécht aflopen, in plaats van onduidelijk.

‘De dame met het hondje’ moet het inmiddels allang niet meer van zijn choquerende effecten hebben, maar het blijft een heerlijk verhaal vol rake beschrijvingen van levensechte mensen. Zoals Goerovs reactie als Anna na hun eerste nacht ‘verwelkt en treurig’ begint te jammeren: ‘We hadden het niet moeten doen’ zei ze. ‘Jij zult nu de eerste zijn, immers, om mij te verachten’. Er stond een watermeloen op tafel. Goerov sneed er een schijf van af en begon die op zijn gemak te verorberen. Er verliep minstens een half uur, zonder dat zij een woord spraken’.

Ja, zo zijn mannen.

Ondanks, of dankzij, de kritiek werd Tsjechov dan ook gretig gelezen en bewonderd. Het schijnt zelfs dat er kort na publicatie opeens veel meer dames met hondjes door Jalta flaneerden dan tevoren.

Grappig. Want het verhaal gaat over van alles, maar volstrekt niet over dat hondje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden