Sylvia Witteman herlas Red ons, Maria Montanelli van Herman Koch

Witteman heeft iets gelezen

Sylvia Witteman las de boeken van schrijver Herman Koch. Foto anp

Ik zat indertijd een beetje in mijn maag met Herman Kochs grote succesroman Het diner. Stilistisch mankeerde er niets aan, maar de plotwendingen bevielen me niet. In eerste instantie denk je: dit gaat over de duistere kant die ieder mens nu eenmaal heeft, maar uiteindelijk blijkt die gehoopte Everyman toch een échte psychoot te zijn, en het Kwaad toch niet in onszelf, maar in de Ander te schuilen. Wat me trouwens wél beviel aan het boek, dat het zeer Hollands was, maar dan op een góéde manier, zonder de gebruikelijke lulligheid.

Een paar jaar later probeerde ik Zomerhuis met zwembad. Het leek op Het diner, maar dan slechter. De in Het diner zo bijtende ironie en misantropie verzandde hier in clichés en goedkoop effectbejag. Ook Hollands, maar niet op de goede manier. Toen ik het halverwege weglegde, ging er een lampje branden in mijn herinnering: Koch had ooit iets geschreven dat ik écht goed vond. Geen thriller, wel een scherpzinnige en vlijmende satire op de mensheid in het algemeen, en een mij helaas welbekend milieu in het bijzonder. Welk boek was dat ook weer?

Deze week viel het in mijn brievenbus. Red ons, Maria Montanelli. Ik ging even zitten om er in te bladeren. Twee uur later trof ik mezelf verpletterd aan naast een gedoofde haard. Het boek was niet gewoon goed, zoals ik me herinnerde, het was ontzettend goed. De boeken der kleine zielen, De avonden en Blauwe maandagen ineen, maar dan zó geestig dat je de subliem verpakte tiener-weltschmerz hinnikend van sarcastisch plezier en herkenning verslindt.

'Zo kookte mijn moeder avond in, avond uit voor een lege zaal, want aan mij had ze wat dat betreft ook niet veel. Ik hou van eten met mijn bord op mijn schoot, witte broodjes met hardgekookte eieren of haring of pekelvlees, als je er tegelijk maar iets bij kan lezen, liefst een stripboek voor de honderddertigste keer, (...) en vooral niet aan een tafel, waarbij je tussen het kauwen door allerlei domme gesprekken zit te voeren terwijl je alleen maar met rust gelaten wilt worden. (...) Het straalde van (mijn vaders) gezicht af dat hij liefst heel ergens anders zou willen zijn, en in elk geval zijn tong niet wilde branden aan de veel te verfijnde en bloedhete hapjes die mijn moeder ons tegen beter weten in voorschotelde.' Aldus de naamloze verteller, die een paar bladzijden verderop met sublieme ironische distantie de dood van zijn moeder zal beschrijven. Een en ander voltrekt zich tegen een achtergrond van het hypocriete, ons-kent-ons-milieu; geld, kinderen op het would be-creatieve, artistieke Montessori-lyceum (door Koch met wellustige spot afgebrand) en 'zo ongeveer 150 banketbakkers en delicatessenwinkels. Die laatste zijn het ergst, je kunt er je gewoon geen voorstelling van maken als je niet een keer zelf hebt gezien wat daar achter de toonbank staat. Van hun onderbroek tot hun stroperige tuitmondjes stinken ze naar de buitenlandse kaassoorten en fijne vleeswaren.' Amsterdam-Zuid door de ogen van Holden Caulfield.

Het boek is bijna 30 jaar oud, maar daar merk je verbazend weinig van, wat veel zegt over de Amsterdamse elite in kwestie. Ook mijn dochter verslond het. Zelfs heb ik nu een sprankje literaire hoop wat betreft mijn zoons. Die lezen nóóit iets vrijwillig. Als het een beetje meezit maken ze voor dit boek een uitzondering die ze voorgoed op andere gedachten zal brengen.

s.witteman@volkskrant.nl

Meer over