Swingend avondje van Ray Anderson

Ray Anderson's Pocket Brass Band. Bimhuis, Amsterdam, 7 maart. Herhaling: 22 maart Rotterdam, 23 maart Brugge, 24 maart Eindhoven...

Als hij nog geen noot gespeeld heeft, biedt Ray Anderson al swingend entertainment. 'It's a lot of fun to be in the Bimhuis', rapte hij bij aanvang, en scatte er wat vlugge figuurtjes omheen. Toen zette hij de trombone aan de lippen, voor een avond 'fun' op hoog niveau.

Het instrument lijkt een organisch onderdeel van zijn persoon, want hij hangt graag de clown uit maar durft ook gevoeligheid te tonen, en dat werd helder weerspiegeld in zijn weergaloos knappe en emotioneel rijke spel.

Met de bezetting waarmee hij nu toert werkt dat extra goed, omdat hij bij dit kwartet heeft gekozen voor een vestzakuitvoering van de brass bands uit New Orleans, die de jazz begin deze eeuw de singing horns schonken.

New-Orleansjazz heeft, vooral door de kapotgespeelde blanke variant die Dixieland heet, de bedenkelijke reputatie gekregen van opgeklopte vrolijkheid door heren met foute snorren. Meesterlijke artiesten als Anderson laten horen dat je er ook nu nog zinnige, niet anachronistische muziek mee kunt maken.

De harmonische structuur is meestal vrij simpel, maar dat geeft solisten juist een ruim terrein om overheen te zwerven. Het is veelzeggend dat een groot freejazzsolist als sopraansaxofonist Steve Lacy is begonnen in oude-stijl-orkesten.

Anderson vult de ruimte in met lange, slingerende melodieën, die vaak een onverwacht, bijna grotesk verloop hebben. Hij houdt van dik aangezette effecten, lach- en snikgeluiden en forse halen, het hele stemmenarsenaal van klassieke jazztrombonisten als Tricky Sam Nanton en Vic Dickenson. Al die vervormingen maken hem niet trager, hij kan noten sproeien als het moment daarom vraagt. Maar hij blijft daarbij een verteller, geen technicus die abstracties uit.

New-Orleansjazz is ook de muziek van het collectief, aanvankelijk was er zelfs nauwelijks sprake van solisten in eigentijdse zin. In de Pocket Brass Band huppelen de sonore tuba van Jon Sass en de trompet van Jack Walrath vaak om de trombone heen, waarbij iedereen op zijn eigen wijze naar hetzelfde doel onderweg is.

Drummer Bobby Previte houdt de boel in beweging met een creatieve, bijdetijdse versie van de oude paraderitmes, en aan zijn meeluisterende manier van spelen hoor je dat hij ook een componist van formaat is.

En wat kan die man swingen met één enkele koebel. Dat Walrath in zijn individuele bijdragen niet zoveel te melden heeft, en dat zijn mooiste licks citaten waren, was de enige smet op een gedenkwaardig concert.

Naast eigen stukken van de trombonist, zoals de heftig schommelende boottocht van Fishing With Gramps, waren er goed gekozen standards. Dat de grillige composities van Thelonious Monk stevig wortelen in blues- en gospeltradities bewees de ouderwets zompige versie van I Mean You, en een van Duke Ellingtons meest aardse stukken, The Mooche, klonk zoals het hoort: slepend en lekker goor.

Frank van Herk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden