Swiebertje was een man van iedereen

Joop Doderer was zo verbonden met Swiebertje, een rol die hij zeventien jaar speelde, dat hij een hekel aan het personage kreeg....

Daar zat hij dan, het lijf gebogen op een stoel, de handen leunend op een wandelstok. Joop Doderer. Sinds 1942 had hij niet meer in de Amsterdamse Stadsschouwburg gestaan, maar op 1 juni 1994 was het eindelijk weer zover, toen hij in Rijkemanshuis van Eugene O’Neill zijn rentree bij het gesubsidieerde toneel maakte.

Het ging om een kleine rol, maar zijn aanwezigheid was niet minder dominant. Doderer maakte van de gekielhaalde bankier uit O’Neills stuk een deerniswekkend personage. Vrijwel zonder woorden maakte hij een gedesillusioneerd leven tastbaar.

Zo kenden de meesten hem niet. Doderer, gisteren op 84-jarige leeftijd overleden, was natuurlijk in de eerste plaats Swiebertje, en hij zal als de populaire landloper (‘Saartje, doe mij nog een koek-jen’) uit de gelijknamige televisieserie, gebaseerd op de kinderboeken van John Uit den Bogaard, ook de geschiedenis ingaan.

‘Swiebertje was een man van iedereen’, luidde Doderers verklaring voor het succes van de serie, in 2002 officieel tot ‘het beste programma van de Nederlandse tv-geschiedenis’ uitverkoren. Met kerst en nieuwjaar werd hij nog altijd overladen met kaartjes.

De afgelopen jaren, na zijn succesvolle terugkeer bij het serieuze toneel, kon Doderer op afgewogen toon praten over de rol die onbedoeld zijn alter ego was geworden. Bij de presentatie van Swiebertje op dvd, enkele jaren geleden, haalde Doderer gretig herinneringen op aan de opnamen in Oudewater. Ook reikte hij met ogenschijnlijk plezier de Swiebertje Award uit, en Doderer leek zelfs geraakt toen hij in Oudewater een standbeeld van de zwerver mocht onthullen.

Toch is de relatie met de beroemdste rol uit zijn leven lange tijd slecht geweest. Doderer leed aan wat later in toneel- en televisiekringen het ‘Swiebertje-syndroom’ is gaan heten: het grote publiek had hem zo lang – bijna zeventien jaar – in die ene rol gezien dat het hem niet meer als een ander personage kon accepteren. Hij week er zelfs voor uit naar Engeland, waar hij vier jaar lang veel werk had in kwalitatief hoogstaand televisiedrama. Ook speelde hij een grote rol als Zuid-Afrikaans agent, in The Human Factor (1979) van Otto Preminger, naast Richard Attenborough, Derek Jacobi en John Gielgud. Een bevrijding, noemde hij die tijd.

De buitenlandse ervaring deed Doderer vaak mopperen over de mentaliteit in Nederland. Hij kon met verontwaardiging praten over de lage status die de culturele elite de klucht als genre toebedeelde, en de werkhouding van Nederlandse acteurs noemde hij te weinig serieus. Van de ‘ouwe jongens-krentenbroodsfeer’ in repetitielokalen wilde hij niets weten. Ook mopperde hij over de talloze ‘onbenullen’ op de televisie die zich acteur noemen omdat ze toevallig het scherm mogen vullen.

Soapies? ‘Die helpen het acteursvak naar de sodemieterij.’

Doderer, kind uit een remonstrants onderwijzersgezin dat opgroeide in Amsterdam, moest lang bij zijn ouders aandringen voordat hij tijdens zijn hbs-tijd toneellessen mocht gaan nemen. Hij werd in 1939 – 18 jaar oud, en ‘bij gebrek aan talent’ geweigerd aan de Amsterdamse Toneelschool – als volontair geëngageerd bij Het Nederlandsch Toneel. Die positie stelt hem in staat de grote acteurs van die tijd, onder wie Cor van de Lugt Melsert , van nabij te observeren. Van de Lugt Melsert stuurde hem ook naar spraakles, om van zijn accent af te komen. Na de Tweede Wereldoorlog komt Doderer bij het cabaret terecht. Vanaf dat moment – eind jaren veertig – richt hij zich vooral op het lichte genre. Hij speelt in musicals, maakt zeven seizoenen deel uit van het gezelschap van Wim Sonneveld, duikt in films op (zoals in 1959 in Gerard Ruttens Het wonderlijke leven van Willem Parel), en hij is veel op de radio te horen, in De bonte dinsdagavondtrein, en het razend populaire radiofeuilleton Koek en ei.

In die jaren is Doderer al een ster, die weet hoe hij zijn populariteit kan uitventen. Theaterplannen – met zijn eerste echtgenote Conny Stuart, met Jan Blaaser – worden door Henk van der Meyden met een groot gebaar in De Telegraaf gepresenteerd, en tijdens steevast uitverkochte blijspelen gaat Doderer graag aan de haal met zijn tekst – een gewoonte die een bulderlach door de zaal deed gaan, maar woede wekte bij zijn collega’s op het toneel.

Zijn imago van lastige, nukkige komediant kantelde toen Doderer in 1994 zijn rentree bij het gesubsdieerde toneel maakte – 55 jaar nadat hij bij Het Nederlandsch Toneel als figurant binnenkwam.

De erkenning voor zijn acteurskwaliteiten kwam wat laat, hield hij vol, maar hij toonde zich dankbaar voor de kansen die regisseurs als Ivo van Hove en Ger Thijs hem boden. Hij voelde zich goed bij het serieuze toneel, dat hij in 1975 in Vrij Nederland nog theater ‘met een roos in de blote reet’ had genoemd.

Oprecht verbaasd: ‘Ik word bij het Zuidelijk Toneel met zo veel égards behandeld, en er wordt zo precies en serieus over alles nagedacht.’

Tot zijn 90ste wilde hij in de theaters staan, zei hij, en zelfs met zijn ‘Swiebertje-gevoel’ kwam het goed. Zijn missie – met acteren de kost verdienen, en zorgen dat hij goede kleren ‘aan z’n donder’ had – was glorieus geslaagd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.