Film

Surge is een wervelwind met een sloophamer ★★★★★

Ben Whishaw in Surge Beeld
Ben Whishaw in Surge

Hoofdpersoon Joseph past in een fraaie traditie van personages die hun decor met de grond gelijk maken. Soms met gereedschap, meestal met de blote hand, en altijd vol overgave.

Als je óp een matras kunt slapen, lijkt het hoofdpersonage van Surge te denken terwijl hij in zijn luxe hotelkamer ligt, waarom dan niet ook erín? Joseph (een hypnotiserende, hyper-intense rol van Ben Whishaw) snijdt het oppervlak open, pulkt de schuimvulling eruit en wurmt zichzelf naar binnen, als een rups die terugglipt in zijn cocon.

Vervolgens verscheurt Joseph de bedbekleding. Hij rukt de flatscreentelevisie van de wand, verbrijzelt een lamp op het dressoir, trekt de gordijnen aan rafels. Zijn mobieltje plet Joseph met de minikluis.

Het is een sleutelmoment in het daverende Surge: de voorlopige climax van een hallucinant etmaal waarin Joseph, een verdoofd door het leven zwalkende luchthavenbeveiliger, alle zelfbeheersing overboord gooit. Tijdens een verstikkend avondmaal bij zijn ouders bijt hij zijn drinkglas stuk, een spontaan overgangsritueel waarmee Joseph zichzelf radicaal buiten de dagelijkse sleur plaatst. Likkend langs zijn bloederige tandvlees maakt hij zich onmogelijk op zijn werk, waarna hij door de straten van Londen banjert, een zieke collega bezoekt en meerdere banken overvalt.

Het camerawerk van Surge is net zo euforisch opgefokt als Joseph en spiegelt vaak letterlijk zijn onbesuisde bewegingen. Op de soundtrack knettert het, alsof Josephs energie in klank wordt omgezet. Whishaws extreem fysieke vertolking maakt het dier in Joseph zichtbaar. Dat alles werkt zeer aanstekelijk: je impulsen volgen, zonder enige verantwoording af te leggen, hoe heerlijk moet dat zijn.

Maar wat bezielt Joseph? Maakt zijn grenzeloze vrijheid hem tot held of psychoot? Het oordeel laat debuterend schrijver en regisseur Aneil Karia graag over aan het publiek.

Wat dat betreft, is het verhelderend om Surge in een bredere context te plaatsen, en dan specifiek de ontmanteling van Josephs hotelkamer. Die scène past in een fraaie filmtraditie, van personages die hun decor met de grond gelijk maken. Soms met gereedschap, meestal met de blote hand, en altijd vol overgave.

De oer-sloopfilmscène zit in de laatste akte van Orson Welles’ Citizen Kane (1941). Nadat mediamagnaat Kane (Welles zelf) door zijn vrouw is verlaten, raast hij als een menselijke wervelwind in het rond door haar slaapkamer, kasten van de muren trekkend, tafels omverwerpend, struikelend over het slagveld van huisraad. Een onverminderd indrukwekkende scène, Welles haalde zijn handen eraan open. ‘Ik voelde het!’, zei hij na afloop.

De onvoorwaardelijke fysieke toewijding van de acteur is bij zulke scènes essentieel: slopen in plaats van spelen dat je sloopt, daar gaat het om. Fijn dus dat de scène uit Surge kon worden opgenomen in een echte hotelkamer, in een vleugel die afgebroken ging worden. ‘Er stond niets wat heel moest blijven’, zei Whishaw tijdens een nagesprek in Londen. ‘Ik had de dag van mijn leven.’

De extase van het slopen spreekt eveneens uit de scène van The Godfather (1972) waar Connie Corleone tierend servies stuksmijt omdat haar man vreemdgaat. Denk ook aan de van bovenaf gefilmde interieurdestructie door psychopaat Begbie in Trainspotting (1996), of het verwoeste appartement uit Pink Floyd: The Wall (1982). Een ijzig hoogtepunt in de afbraakcinema is Michael Hanekes Der siebente Kontinent (1989), waarin een Oostenrijks gezin collectief suïcide pleegt maar eerst het woninginterieur tot gruis verwerkt. Sloopscènes zijn sowieso meestal erg bedrukkend: doorgaans ploegen de personages hun interieur om uit totale onmacht en razernij.

In Surge is iets anders aan de hand. Niet dat Joseph geen reden heeft om woedend te zijn. Ze lokken het allemaal uit, de collega’s die hem belachelijk maken, de buurman die voor overlast zorgt, de moeder die Joseph als een klein kind behandelt, de vader die liever helemaal geen zoon als hij had gehad. Toch lijkt dat allemaal nauwelijks nog van belang wanneer Joseph de hotelkamer demonteert. Sterker nog, hij maakt juist dan een kalme, ontspannen indruk. Alsof hij al slopend een staat van spirituele verlichting bereikt.

Dat wordt vooral duidelijk als je de scène tegenover andere filmische interieurvernielingen plaatst. Zoals die uit Joel Schumachers Falling Down (1993), een klassieker waarmee Surge vaak is vergeleken. Ook bij William Foster (Michael Douglas) slaan de stoppen door, ook hij stapt uit de tredmolen van de maatschappij. Geen wonder, suggereert de film: Foster is zijn baan kwijt, zijn vrouw heeft hem verlaten en terwijl hij door een rafelrand van Los Angeles dwaalt – eerst met aktetas, uiteindelijk met bazooka – herkent hij zijn eigen land niet terug.

Ook niet in de Koreaanse kruidenierszaak waar Foster geld wil wisselen. De eigenaar dwingt hem iets te kopen, vraagt te veel geld voor een blikje cola en irriteert Foster met zijn botte gedrag. Dus maait hij schap na schap omver met ’s mans eigen honkbalknuppel. Als Hollywood één iconische boze witte man kent, dan is Foster het.

Kijk vervolgens naar de beveiliger uit Surge, en de verschillen zijn groter dan de overeenkomsten. Joseph is helemáál geen boze witte man. Eerder een onschuldig kind, stralend in de stuwkracht van zijn impulsen. Iemand die de wereld bovendien niet uitscheldt maar haar herontdekt – zij het dit keer op zijn eigen voorwaarden.

Die innerlijke revolutie straalt voortdurend af op Josephs omgeving. Een drinkglas wordt iets om in te bijten. De bontjas van een vrouw in de metro verandert in een vacht om aan te ruiken. Een banaan wordt het pistool waarmee Joseph de bank overvalt. Kan het zijn dat hij de hotelkamer niet sloopt, maar eveneens tot iets anders transformeert – een nieuwe schuilplek, een ongefilterde werkelijkheid?

‘De meesten van ons zouden het heerlijk vinden om een kamer volledig uit elkaar te halen’, zei Whishaw tegen website inews.co.uk. ‘En dan niet alleen maar kapotmaken, zoals rocksterren doen in die clichés, maar echt gewoon ergens onder kruipen. Onder de schijn van de dingen.’

Voorstudie

Regisseur Aneil Karia en acteur Ben Whishaw maakten in 2013 de kortfilm Beat, die als een voorstudie van Surge kan worden beschouwd. Ook hier speelt Whishaw een eenling die zich van niets en niemand iets aantrekt. In zijn eigen energiebubbel loopt hij over straat, of misschien kun je beter zeggen dat hij danst, zo maf en precies sluiten zijn elastische bewegingen aan bij de op de soundtrack klinkende muziek van rockgroep Battles. Gaaf, hoe Karia ook hier een duister randje aan de extase van zijn hoofdpersonage geeft, in 11 minuten pure, zinderende cinema

Surge

Thriller

★★★★★

Regie Aneil Karia

Met Ben Whishaw, Ellie Haddington, Hammed Animashaun.

105 min., in 19 zalen / te zien op Picl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden