Dit is de toekomst Aflevering 1

Superpositie

Beeld Martyn F Overweel

Hoe ziet de toekomst eruit? Daar kan fictie veel over vertellen. Zes Nederlandse auteurs spraken op ons verzoek met wetenschappers en schreven naar aanleiding daarvan een kort verhaal voor de serie Dit is de toekomst. Dit is de eerste aflevering geschreven door Hanna Bervoets.

Kijk, daar gaat hij, dat blauwe sportbroekje, dat lange rode haar, dat is Billy Moore, negen jaar. Links en rechts van hem stuiven kinderen over het schoolplein, sommigen vliegen hun ouders direct in de armen, anderen doen of ze hun wachtende vaders en moeders niet bij het hek zien staan, lopen hun zwijgend voorbij ten teken dat de auto kan worden gehaald.

Liever luisteren naar dit verhaal?

Hanna Bervoets heeft het verhaal ook voorgelezen. Ook kun je luisteren naar haar gesprek met Leo Kouwenhoven, nanotechnoloog aan de TU Delft, over hoe ons leven eruit ziet als het wordt beheerst door quantumcomputers.

Billy’s moeder is er niet bij. Zij is thuis, ligt boven in bed. Geeft niets, achter de brievenbus hangt een touwtje en hij weet de weg. Eerst de straat uit, oppassen bij het oversteken, de brug over en dan naar rechts, het kanaal blijven volgen; hij loopt de route al jaren – maar vandaag niet. Vandaag slaat Billy, net als gisteren, al ver vóór het stoplicht rechtsaf: hij voelt zijn nek warm worden als hij de zijstraat inloopt, alsof hij iets doet wat niet mag. Dit is een heel stuk om, maar zo komt hij tenminste geen andere kinderen tegen.

Op de oude route kreeg Billy steeds vaker gezelschap van Bella en Rosie. Dan kwamen ze vlak achter hem lopen, hun armen in elkaar geklonken. Ze zeiden niets, giechelden alleen maar, en ondertussen kwamen ze steeds dichterbij, soms zó dichtbij dat ze op zijn hielen stapten. Wanneer hij dan schold of wankelde, dan lachten Rosie en Bella nog harder. Eigenlijk was dat nog bijna irritanter dan Mitchell en Roger die hem meestal alleen zijn tas om lieten draaien zodat zijn boeken en broodtrommel op straat knalden. Thuis was hij dan minutenlang bezig zijn spullen schoon te wrijven met gezichtsdoekjes van zijn moeder – daarna roken zijn pennen naar parfum, maar hij wil geen poep of bacteriën aan zijn handen.
Een keer namen ze zijn games mee. Ze raapten ze gewoon van straat en stopten ze rustig in hun zakken, alsof ze een stel mooie schelpen gevonden hadden. Zijn moeder werd woedend toen ze dat hoorde. Ze was nog niet zo ziek als nu, dus liepen ze naar het huis van Mitchell, en de moeder van Mitchell riep haar zoon en dwong hem, waar ze allemaal bij waren, zijn hele verzameling in te leveren: een groot blauw krat vol games en controllers zou voorlopig op de bovenste plank van de grote kast in hun huiskamer bewaard worden. Mitchell had gehuild en gegild als een meisje maar Billy voelde nauwelijks triomf, eerder plaatsvervangende schaamte.
Op school werd het daarna alleen maar erger. Steeds vaker kwamen ze ongevraagd voor, naast of achter hem lopen, en maar lachen, en maar op zijn hielen stappen, tegen zijn knieholtes trappen – dat is dus waarom hij deze nieuwe route uitgedacht heeft. Daar, daar is het einde van de straat al. Billy steekt over, het is al laat en hij wil niet dat zijn moeder zich zorgen maakt. Zodra hij de deur open heeft, rent hij met treden tegelijk de trap op – voor niets, blijkt als hij de grote slaapkamer binnenkomt: zijn moeder slaapt nog.
‘Mam, ben je wakker?’
Zijn moeder reageert niet en hij loopt naar de badkamer om de kraan open te draaien: misschien wekt het geklater haar.
Als hij binnenkomt met een glas water zit zijn moeder gelukkig rechtop. Voorzichtig zet hij het glas op het nachtkastje, dan laat hij zich in haar armen vallen. ‘Hé, lieverd’, zegt ze zacht. ‘Je bent er.’

Hoe fictie de wetenschap beïnvloedt, in vier lessen

De kruisbestuiving tussen feit en fictie kan tot intrigerende toekomstverkenningen kan leiden. Hoe? We leggen het uit in vier lessen.

Een klein onderzoeksziekenhuis, net buiten Londen: Billy Moore, twaalf jaar nu, staat zich in een van de gangen te verwonderen. Bij verhalen over deze plek zag hij een kolos van een gebouw voor zich; een beter ziekenhuis moest toch op z’n minst groter zijn dan de ziekenhuizen thuis. Maar het QMRC heeft maar twee verdiepingen en paar afdelingen, dus hij hoopt maar dat het waar is, dat ze zijn moeder hier écht beter kunnen maken.
‘Wil je iets drinken?’ vraagt Lorna.
‘Cola’, hoort hij zichzelf brommen. Waarom hij zo kortaf doet weet hij zelf ook niet goed, Lorna vroeg het vriendelijk en dit is een vrolijke dag, hun vierde dag in Engeland en de eerste dag dat mama bestraald wordt. Alleen, zijn moeder en Lorna zijn al zes jaar uit elkaar. Ze is hen altijd blijven opzoeken maar sinds een paar maanden is ze er opeens weer bijna dagelijks, hoe dat zit weet hij niet en hij hoeft het ook echt niet te weten, maar Lorna moet nu niet denken dat ook voor hem alles weer oké is – al weet hij dat hij blij mag zijn dat zij er deze week bij is. Als Lorna niet had vrij genomen, had hij vast niet mee gemogen.
‘Wil je ook iets eten?’
‘Weet niet.’
‘Een broodje?’
‘Mwa.’
Lorna zucht en woelt door zijn haar voor ze opstaat. Ze denkt natuurlijk dat hij zich zorgen maakt. Dat was ook het argument waarmee hij zijn moeder vroeg, nee, smeekte, of hij mee mocht: je mag me niet alleen laten, dat kan ik niet aan! Het was slechts deels waar. Natuurlijk is hij bezorgd, maar niet meer of minder dan normaal: zijn moeder is al zo lang ziek en al die tijd is ze niet doodgegaan. En hij wil ook écht graag bij haar zijn vandaag, maar net zo goed wilde hij niet achterblijven, want achterblijven had betekend dat hij mee moest op schoolkamp en dat zou, nou ja, niet bepaald goed zijn gegaan.
Een paar weken geleden al kwam de mededeling dat ze in legertenten zouden overnachten, de jongens in groepjes van vijf bij elkaar. Kai, Hoessein, Georgie en Luke wilden natuurlijk samen slapen. Richie, Feissel, Boy en Adam hadden toen vlug Sem gevraagd, terwijl Sem normaal alleen met de meisjes omgaat. Nu bleef Kai’s groepje dus over om een tent mee te delen maar Billy wist wel zeker dat dát niet zou gaan, Kai is de ergste van allemaal. Het was Kai die hem, al op de eerste dag van de brugklas, had nageroepen waar zo’n beetje iedereen bij was: ‘Kijk die vieze lange haren, alleen zwervers hebben dat!’ Vier maanden lang had hij het aan moeten horen, zwerver, vieze haren, tot hij zijn moeder gesmeekt had zijn haar af te knippen, maar ze mocht het niet zelf doen, het moest bij een echte kapper, een dure kapper, zodat het er straks écht mooi uitzag. Zijn moeder had gezegd dat ze het zonde vond; van zijn haar of van haar geld, dat zei ze er niet bij, maar hij wist dat ze voor Londen spaarde en riep dat niet alleen dát, maar ook hij belangrijk was. Toen ging zijn moeder overstag. Hij kreeg een kort kapsel bij een dure kapper en hij wou dat hij Londen nooit genoemd had. Met een warme rode nek kwam hij de volgende dag de klas binnen. Nog voor de eerste bel ging voelde hij iemand op zijn rug tikken: ‘Hé, lach eens?’ Kai maakte een foto en stuurde die naar de hele klas: ‘Zwervertje denkt dat-ie mooi is!’
‘Hé, ben jij de zoon van Margret?’
Billy kijkt op. Voor hem staat een man in dezelfde witte overjas als zijn moeders dokters, maar het gezicht van deze man is anders, jonger. ‘Duurt lang hè?’, zegt de man. ‘Je moeder is vast heel blij dat je op haar wacht.’
‘Waaróm duurt het zo lang?’
De man fronst, alsof hij iets heel moeilijks heeft gevraagd.
‘Weet jij waarom je moeder hier is?’
Ah, dat is het dus, denkt Billy: deze man denkt dat mama en Lorna hem dom houden, dat hij niets aankan. ‘Natuurlijk’, zegt hij vlug. ‘Mijn moeder heeft tumoren in haar maagstreek en bovenbenen, en hier hebben ze heel speciale MRI-apparaten waarop ze die uitzonderlijk precies kunnen zien.’
De man in het wit knikt, lijkt best onder de indruk. ‘En jullie hebben niet alleen heel goede MRI-apparaten’, gaat Billy verder, want nu zal hij bewijzen ook hóé verkeerd die man hem heeft ingeschat: ‘Jullie bieden ook betere bestraling, preciezer, zodat alleen de tumoren geraakt worden en niet alles wat eromheen zit, daarom heeft bestraling hier wel zin en thuis niet’ – die zit.
‘Jij bent goed op de hoogte, zeg!’ De man lacht en stelt zich voor als Josh en komt naast hem zitten; dat voelt inderdaad beter, nu kunnen ze tenminste normaal praten.
‘Hé, en weet je toevallig ook waarom onze apparatuur dat kan?’
Billy knikt, al weet hij het dit keer niet helemáál zeker. ‘Omdat jullie quantumcomputers hebben?’, zegt hij voorzichtig. En dan lacht Josh opnieuw en zegt hij dat ze in feite geen quantumcomputers bezitten, maar dat ze er wel op inloggen, mee rekenen, en dan, daar, in de gang van afdeling C4 van het QMRC Hospital in Londen, gebeurt er iets wat Billy’s leven voorgoed zal veranderen. Hij stelt een vraag, één simpele vraag maar: ‘Hoe dan?’ En terwijl Lorna komt aanlopen met zijn cola zegt Josh: ‘Heb je weleens van Schrödingers kat gehoord?’

Zolang hij niet achterom kijkt, hoeven ze er niet te zijn. Billy Moore werd eergisteren dertien jaar en zit tegenwoordig het liefst helemaal vooraan in het klaslokaal. Hij heeft de capuchon van zijn vest over zijn alweer halflange haren getrokken, achter hem klinkt gefluister en gelach nu mevrouw Wilson even de klas uit is; misschien lachen ze om hem, misschien om iets wat ze op hun telefoon zien en misschien komt het geluid wel helemaal niet uit de kelen van zijn klasgenoten. Nee, net zo goed is het ruis uit grote zwevende geluidsboxen, of de taal van pluizige roze monsters met antennes op hun koppen: ‘Alles is mogelijk’, hoort hij dokter Josh nog zeggen, vorig jaar op de gang van het ziekenhuis waar ze zijn moeder genazen.
Elke dag denkt hij aan dat gesprek, al weet hij inmiddels niet meer helemaal zeker wat hij van Josh leerde en wat hij daarna zelf opzocht. Maar het was Josh die hem vertelde over Schrödinger, het baanbrekende gedachte-experiment van honderd jaar geleden.

Beeld Martyn F Overweel

Stop een kat in een doos met een flacon vergif en doe die doos dicht, zei Schrödinger. Zolang je de kat niet kan zien, weet je niet of het dier dood of levend is. Sterker: zolang je alleen die dichte doos ziet is de kat dood én levend, allebei: de kat verkeert in twee staten tegelijk, in superpositie – net als de deeltjes waar de quantumcomputer zo snel mee rekent. Pas wanneer je de doos opent, vervalt de kat in een van de twee mogelijke toestanden, dood of levend, en wel omdát je de doos opent, omdát je kijkt. Dat, weet Billy inmiddels, is de basis van de quantummechanica, ook wel de wetten die de echte wereld beschrijven. Dit wit verlichte klaslokaal, die klok met Romeinse cijfers, het raam dat op de licht bewolkte lucht uitziet, die eik buiten, de tas onder zijn tafel en de tekeningen van gezichtjes en bliksemschichten op het tafelblad: samen vormen ze slechts de waarneembare wereld, maar over de quantumwereld, de echte wereld, zeggen ze weinig. Want in de echte wereld verkeert alles en iedereen misschien wel constant in verschillende toestanden tegelijk: het licht is aan én uit, de klok tikt én staat stil, de tafel is schoon én vies, zijn tas is er wel én niet, zolang hij maar niet kijkt, zolang hij al die dingen maar niet ziet, verkeren ze in superpositie. En hoewel die domme, domme klasgenoten achter hem dus net zo goed dood als levend kunnen zijn, stelt hij zich het liefst voor dat ze dood zijn, gestorven na een slok vergif – die gedachte helpt hem dagen als deze door te komen, om rustig te blijven zitten wanneer hij, zoals nu, een tikje tegen zijn achterhoofd voelt. Het zou een propje kunnen zijn, door spuug gehard, spuug van Kai, of, waarschijnlijker, van George of Melissa of een andere sukkel die Kai’s ass wil likken. Maar net zo goed voelt hij een hagelsteentje uit een verre, witte ijswereld. Het snaveltje van een kolibrie die zijn roze capuchon voor feestelijke bloem aanziet. Of een briefje, gewoon een lief briefje, van Diede.
Toen Diede vanochtend goedemorgen zei keek hij haar net te lang aan. Ze zei niets terug, maar als hij niet gekeken had, dan had ze, zeker weten, ook wél iets teruggezegd. ‘Hé Billy’, bijvoorbeeld. ‘Hoe is het?’

Het is vijf uur ’s middags en hoogzomer dus alle buren zitten buiten, maar Billy ligt alleen op bed met zijn broek op zijn knieën. Zoals altijd sluit hij zijn ogen. Want zolang hij niet kijkt is het óók mogelijk dat het Diede is die haar hand om zijn penis legt. Ze ligt bij hem in bed, trekt hem af terwijl hij met een wijsvinger haar tepel streelt: ze lacht, ze vindt het fijn, en even vraagt hij zich af of hij over haar borsten zal spuiten zoals die man in die film laatst.
Nee, besluit Billy. Het gaat hier wel om Diede. Hij wil haar aankijken als hij met gesloten ogen klaarkomt. Hij wil er zeker van zijn dat zij óók geniet.

Billy Moore zou best een slot op zijn slaapkamerdeur willen. Straks komt zijn moeder natuurlijk voor de zoveelste keer zeggen dat het eten klaar is. Maar hij wil niet eten, hij moet zijn chatsessie afmaken.

Sommige leden uit zijn Q-chain hebben hier onmogelijke tijden voor vrijgehouden. Bij Cali is het midden op de dag en bij Rom99 juist heel erg laat, wat dat betreft mag hij blij zijn dat het hier zeven uur ’s avonds is, maar dat lijkt zijn moeder niet te begrijpen – kijk, daar is Logos eindelijk: hi, man!, schrijft hij. Ze chatten zonder videofunctie. Binnen hun Q-chain blijft iedereen anoniem en daar is hij blij mee, hij heeft het idee dat de anderen oud zijn, of in elk geval ouder dan hij. Ging de camera aan dan zagen ze een veertienjarige met lang, dieppaars geverfd haar zitten. Toch doet hij in kennis en kunde niet heel veel onder aan de anderen, weet hij. Quantumtoegang via de q-applicatie is voor iederéén nieuw.
Hi, Logos, schrijven ook de andere leden, en dan: terug naar de conversatie. Die zou moeten gaan over de berekeningen waar ze als chain mee bezig zijn, maar net zo vaak verzandden chatsessies in gevatheden en voorspellingen over wat ze allemaal gaan bereiken, eeuwige roem en a shitload of money, grappen ze dan, maar ook: verlossing. Ja, ze zijn het er allemaal over eens: als hun berekeningen, eventueel gecombineerd met die van andere Q-chains, hen in staat stellen de echte wereld zichtbaar, voelbaar, of in elk geval meetbaar te maken, dan zal alles voorgoed veranderen. Ook de rest van de wereld zal inzien dat we ons leven, onze keuzes en ambities, op een slap aftreksel van de werkelijkheid baseren – dat we, kortom, niet zoveel waarde zouden moeten hechten aan status, figuurlijk en letterlijk. De vraag is dan natuurlijk of ze dat lauwe aftreksel van de werkelijkheid ook echt zullen kunnen verruilen voor de echte, vele malen rijkere werkelijkheid, maar binnen zijn chain is men positief: meer kennis betekent meer mogelijkheden, en daarmee meer vrijheid om hun levens te leven zoals ze dat zouden willen, misschien wel verdienen – ja, op een dag zullen ze zich die vrijheid in de echte wereld toe-eigenen maar tot die tijd draaien hun conversaties ook nog om het aftreksel: Cali vertelt dat zijn nieuwe vriendin het uit wil maken, ze ‘voelt’ het niet meer, zegt ze, en fuck, hij mist haar nu al, man.
Balen, man, schrijft Billy. Ik voel me ook vrij slecht, tikt hij dan. Ah shit, vertel, vertel, man, zeggen de anderen, en Billy schrijft dat het gevoel er weer was, vanochtend bij het opstaan, die zwarte zon in zijn maag, de zware stralen die zijn longen lijken te doorboren – hij wil niet naar zijn werk, hij háát zijn collega’s. En die chick dan, die ene leuke collega?, vraagt Rom99. Diede, schrijft Billy, maar ik heb haar al een tijdje niet gezien, man.
Die avond aan tafel prikt hij vier aardappelschijfjes achter elkaar op zijn vork.
‘Wat is er toch?’, vraagt zijn moeder.
‘Niets.’
‘Met wie was je aan het chatten net?’
‘Met niemand.’
Geen leugen, hij kon zijn kameraden niet zien, ze waren er wel én niet, in superpositie. Maar zijn moeder schuift haar bord opzij en buigt zich over tafel om haar hand op zijn pols te leggen; hij schrikt, dit doet zijn moeder alleen als er iets ergs is en ze heeft het niet meer gedaan sinds ze weer beter is.
‘Lief, ik hoor de laatste tijd vervelende verhalen over de quantumapplicatie.’
‘Wat dan?’
‘Dat er misbruik van gemaakt wordt, dat mensen er allerlei gevaarlijke dingen mee maken.’ Billy trekt zijn pols los en schudt zijn hoofd: ‘Ik weet niet waar je het over hebt’, zegt hij, en hij voelt zich plotseling even woedend als machteloos, vals beschuldigd en hij weet niet eens waarvan.
‘Dan is het goed’, sust zijn moeder, maar hij heeft hier geen zin meer in en hij propt zijn aardappelen naar binnen om zo snel mogelijk weer naar zijn kamer te kunnen. Daar zoekt hij op wat zijn moeder net bedoelde, met ‘misbruik’, en ‘middelen’.

Het is twintig over zes en Diede is er nog steeds niet. Billy zit op het rechterbankje in de rozentuin, precies zoals Melissa’s bericht voorschreef, maar is er nog altijd alleen.
Natuurlijk weet hij dat Melissa niet te vertrouwen is. Maar dit ging over Diede. Melissa schreef dat die hem wilde zien, en Diede is haar beste vriendin: waarom zou ze over haar liegen? Misschien durft Diede zelf niets te sturen. Zo goed kennen ze elkaar niet, en misschien vindt ze dit wel, nou ja: romantisch?
‘Als jij iemand leuk vindt, laat je dat dan weleens door een ander vertellen?’, vroeg hij zijn moeder gisteren. ‘Jazeker’, had ze gezegd, en meteen legde ze haar ochtendsandwich neer om hem samenzweerderig aan te kijken, een blik die hem vervulde van schaamte om wat hij gevraagd had en, tegelijkertijd, van schuldgevoel omdat hij niet vaker dit soort dingen vroeg, hongerig als zijn moeder leek naar dit soort min of meer persoonlijke conversaties. ‘Al is het een stuk stoerder om zelf op iemand af te stappen’, zei zij ondertussen, en ze knipoogde en vroeg niet verder en daar was hij haar dankbaar om. Maar nu twijfelt hij dus aan Melissa’s intenties: zit hij hier voor niets?
Rustig blijven, zegt hij zichzelf. En hij probeert, zoals ze bij stressbeheersing hebben geleerd, door zijn buik te ademen, al gaat dat maar matig; de lucht lijkt tussen zijn ribben te verdwalen en haast automatisch doet hij zijn ogen dicht: zo is Diede er wel én niet. Zijn omgeving, de dorre rozen, de bekladde bankjes, de wolken, zijn telefoon, Melissa’s bericht: ze zijn er wel én niet, zolang hij niet kijkt verkeert alles in verschillende staten tegelijk, en hé, zie, daar is Diede, vlug snelt ze de rozentuin in: Sorry, zegt ze, sorry dat ik zo laat ben. Hij knikt en ze komt naast hem zitten en dan brengt ze haar gezicht vlak bij het zijne om hem een zoen op de mond te geven. ‘Ik vind het zo lief dat je altijd goedemorgen tegen me zegt. Dat doet eigenlijk niemand, weet je dat?’, en ze legt haar hand al op zijn spijkerbroek. In één ruk heeft ze zijn riem los, en daar gaat haar hand, zo zijn broek in, hij voelt zijn kruis tintelen. Langzaam wrijft Diede over zijn eikel, precies zoals hij het fijn vindt. En dan pakt ze zijn piemel: ‘ik wil dit al zo lang’, zegt ze, en ze lacht, eerst zacht, maar dan wordt haar lach plots luider, een schaterlach die plotseling zo laag klinkt dat hij ervan schrikt, en, afgeleid als hij is, zijn ogen opent. Een fout. Want nu hij weer kijkt neemt de omgeving haar vaste vorm weer aan en ziet hij Melissa en Jeysem staan, hun camera’s op hem gericht. Ze gieren het uit om hoe hij daar zit, helemaal alleen, zijn eigen pik in zijn hand.

‘Billy?’
Zijn dat ze, roepen ze zijn naam? Hij heeft niet lang nodig, even maar, zijn nieuwe Q-chain verwacht dat hij zich elke dag op een opgedragen tijdstip meldt, in elk geval de eerste veertig dagen na zijn toetreding: kwestie van vertrouwen opbouwen. Soms groet hij hen vanuit huis, vandaag vanaf de computer in de mediatheek: Sergeant Murphy checking in!, tikt hij.
‘Hé, verkrachter!’, klinkt het nu luid en duidelijk achter hem. God, waarom houden ze hun koppen niet? Georgie, Boy en Feissel zitten samen aan de tafel voor de grote boekenkast maar Billy Moore kijkt niet om, houdt zijn blik strak op het scherm gericht en wacht op bevestiging van zijn nieuwe chainleider, marshall Ringe.
‘Biiiiiily!’
Hoe zou het in zijn oude Q-chain gaan? Zouden ze hem missen daar? Het leek hem tijd voor iets nieuws, iets concreters; de berekeningen schoten niet op in zijn vorige groep. Maar de afgelopen dagen vraagt hij zich steeds vaker af hoe het met Logos en Cali gaat, verlangt hij naar de troostende woorden die zij zouden schrijven wanneer hij zou vertellen hoe volkomen SHIT de situatie met zijn ‘collega’s’ nu is.
‘Hé, Billy, kom eens hier!’
Sinds het voorval in de rozentuin laten ze hem geen moment met rust. De filmpjes gingen rond, uiteraard, er kwam een klassengesprek onder leiding van mevrouw Grois waarin Diede, fucking Diede, vertelde dat ze zich vies voelde nu, ‘besmeurd’, en ze wreef in haar ogen en liet zich vasthouden door Melissa. Die middag kwamen Kai, George en Feissel hem na school achterna: ‘Vuile verkrachter’, zeiden ze, en ze sjorden aan zijn jasje. De volgende dag stonden ze er weer, dus de dag daarop nam hij de achteruitgang. Dat ging een paar dagen goed, tot ze twee weken geleden plots met vijf man achter school stonden en hem vier keer in zijn maag stompten. Het is of er, sinds de rozentuin, iets ontbreekt; een ruimte, een afstand tussen zijn lichaam en dat van anderen, alsof zijn schaamte een schil heeft doen smelten, iedereen kan erbij en dus raakt iedereen hem aan, overal, op het schoolplein, in de kantine, op de gang: schoenen tegen zijn kuiten, tikjes tegen zijn achterhoofd. Handen in zijn kruis.
‘Hé, kom eens hierheen, dan!’ Niet kijken, denk hij: zolang ik hun shitkoppen niet zie – nee, dat is een naïeve gedachte, fuck superpositie, dat werkt nu niet, en hij kijkt naar zijn scherm en ziet dat marshall Ringe zijn bevestiging typt: Check in authorized, sergeant Murphy.
In principe is hij klaar nu, en hij wil de chain verlaten en opstaan maar bedenkt zich. Hij is vrij, het volgende uur, maar het groepje bij de boekenkast misschien niet. Wie weet vertrekken zij vanzelf zodra de bel gaat.
Met een aangezet geïnteresseerde blik begint hij door de oude conversaties in zijn nieuwe chain te scrollen. Hij weet al wat er staat, heeft alles al gelezen; Ringe, Miffy, Mohem en JoeFort, zijn nieuwe kameraden, schrijven anders dan zijn oude chaingenoten nauwelijks over nu en later. Nee, hier blijft het niet bij fantasieën over de echte wereld, hier zijn ze bezig de echte wereld vorm te geven, want wie de echte wereld inricht heeft het daar straks ook voor het zeggen. In zijn nieuwe chain dus geen half uitgewerkte berekeningen van hoe de echte wereld eruitziet, maar concrete discussies over de Grote Verbouwing: ‘Wij zijn de architecten van de echte wereld’, schrijft Mohem regelmatig: ‘Wij maken de bouwtekening’ – en dan gaat het over manieren en middelen, planning en gereedschappen, en, steeds vaker, over tavi’s en tabacs, ontworpen met de quantumapplicatie, verkrijgbaar in glazen flacons voor de prijs van een slof sigaretten.
De bel gaat en Billy Moore hoort de jongens aan de tafel bij de boekenkast hun spullen pakken: ‘Dag, Billy, echt jammer dat je niet even bij ons kwam zitten!’
Hij wacht nog een paar minuten voor hij zelf gaat: de mediatheek uit, de lege gang door, de stille trap af, jassen aan de kapstok, het schoolplein buiten bijna leeg nu. Dit is het, denkt Billy. Zo hoort de echte wereld eruit te zien. Rustig, leeg, vrij, bevrijd.
Wij zijn architecten, fluistert hij.

Kijk, daar aan de rand van schoolplein, daar staat Margret Moore, haar knieën tegen de afzetlinten. Links en rechts van haar wachten ongeduldige moeders en vaders onder camera’s en zwaailichten. Margret heeft een baseballpet op, een oud exemplaar van haar zoon, vlak voor ze vertrok griste ze het ding toch maar van de kapstok.
‘Ik zie haar niet, ik zie haar niet’, zegt de vrouw naast haar.
‘Misschien betekent dat wel dat ze veilig is’, zegt Margret, en ze durft de vrouw niet aan te kijken.
Een tavi, gonst het al de hele ochtend. Een aanval of ongeluk met een targeted virus, het vierde incident dit jaar, maar het eerste in een schoolgebouw: de brancards blijven maar komen, het krijgt haast iets mechanisch, Margret moet denken aan hoe ze mannen elke ochtend kratten uit vrachtwagens zag laden toen ze nog boven een groothandel woonde.
Ik moet vragen of jij me komt ophalen, schreef haar zoon haar negentig minuten geleden, er is iets gebeurd, ik begrijp ook niet wat.
Ik begrijp ook niet wat. Die zin laat haar niet los. Direct na het berichtje had ze meer informatie gezocht, er waren al nieuwsberichten over het incident, ontdekte ze, en daar stond in dat men aan een tavi attack dacht. Wist haar zoon dan niet wat een tavi was? Hij gebruikt de quantumapplicatie nota bene dagelijks, en is dat niet waarmee ze die tavi’s ontwerpen?
Ik begrijp ook niet wat. Steeds als ze dááraan denkt, voelt Margret iets uitzetten in haar maagstreek.
‘Ik zie haar écht niet!’, klinkt het opnieuw. Eindelijk durft Margret opzij te kijken. De vrouw rechts van haar heeft een paar grote, groene, bijna frivole oorbellen in. Natuurlijk is er geen regel dat je je oorbellen uit moet doen wanneer een rampsituatie zich aandient, maar het heeft het iets geks, die grote blije lellen, iets hartverscheurends, eigenlijk, en plots voelt Margret haar ogen prikken en haar handen trillen.
‘Melissa!’, roept de vrouw en Margret schrikt van de intensiteit van de kreet. Melissa ligt op haar rug op een brancard. Net als bij de andere getroffenen zijn haar ogen wijd open. Maar haar blik is wazig, alsof ze zich iets afvraagt over de wolken: het meisje is springlevend, maar vertrokken.
Margret wil een arm om haar buurvrouw slaan maar kijk, daar staat haar zoon plots. In de deuropening van de school, met een klein groepje andere, ongedeerde leerlingen.
Even kijkt ze haar kind aan. Dan komt Billy naar haar toe, eerst met grote passen, het laatste stukje rent hij. En zij spreidt haar armen zoals de andere overgebleven ouders dat ook doen, en wanneer haar zoon vlak bij haar is wacht ze niet langer en trekt ze hem aan zijn jas naar zich toe. Ze drukt haar zoon tegen haar borst, sluit haar ogen, snuift zijn geur op. En Billy is vijftien maar Billy is ook negen jaar en komt haar slaapkamer binnen met een glas water. Voor hij zich in haar armen werpt, zet hij het glas voorzichtig op het nachtkastje. ‘Hé lieverd’, hoort ze zichzelf zeggen. ‘Je bent er’.

Schrijfster Hanna Bervoets en wetenschapper Leo Kouwenhoven. Beeld Katja Poelwijk

De feiten achter de fictie

Voordat ze haar verhaal ‘Superpositie’ schreef, sprak auteur Hanna Bervoets op uitnodiging van de Volkskrant uitgebreid met hoogleraar Leo Kouwenhoven (TU Delft) over de quantumcomputer. Bervoets had zich goed ingelezen en wist zelfs al wat een ‘qubit’ was.

Door George van Hal

De ontmoeting

Alsof iemand continu een fietsband oppompt. Zo klinkt het in een van de weinige ruimtes van Nederland waar al een vroege, rudimentaire quantumcomputer huist. Het gepiep is het gepomp van koelvloeistoffen die de kwetsbare quantumbits – qubits, in natuurkundejargon – koel moeten houden, zo’n 273 graden onder nul.

Hier toont Leo Kouwenhoven, hoofd van het nieuwe Microsoftlaboratorium aan de TU Delft, auteur Hanna Bervoets hoe de naderende quantumtoekomst eruit gaat zien. ‘Quantumcomputers worden simpelweg te groot voor een apparaat op je bureau’, vertelt hij terwijl hij zijn armen in een weids gebaar langs glanzende, manshoge koelkasten zwiept. ‘Het worden er straks misschien een handjevol, waar je vanaf een afstandje op inlogt. Een clouddienst.’

Superpositie

Even de basis: een quantumcomputer is een computer die rekent met de wetten van de quantumfysica. In die tegendraadse theorie kunnen deeltjes bijvoorbeeld op meerdere plaatsen tegelijk zijn, in ‘superpositie’ zitten, zeggen natuurkundigen. Zo ook de qubits, die niet alleen 0 óf 1 kunnen zijn, maar ook 0 en 1 tegelijk. Doordat ze op een fundamenteel andere manier rekenen, kunnen quantumcomputers sommige problemen sneller oplossen dan zelfs de krachtigste hedendaagse supercomputer.

Die technologie staat nog in de kinderschoenen. De quantumcomputer van Kouwenhoven telt slechts een handjevol qubits. ‘Het is lastig om goed te voorspellen wat quantumcomputers in de toekomst allemaal kunnen’, zegt hij. Je kunt het wat dat betreft wel vergelijken met de ontwikkeling van het internet. Ooit bedoeld om computers op afstand te verbinden, is het nu de thuishaven van aandacht slurpende sociale media, het broedgebied van politieke revoluties en de verkeersader waarover elk Whatsappbericht surft dat je naar een naaste stuurt.

Zeker is dat de quantumwetten op kleine schaal dingen mogelijk maken die op het eerste gezicht nog het meest op toveren lijken. Een kwestie van perspectief, vindt Kouwenhoven. ‘Quantumfysica is niet vreemd, het is de taal van de echte natuur’, zegt hij. En wie die taal écht snapt, wie weet hoe de quantumfysica – onttrokken aan ons zicht – aan de knoppen van de werkelijkheid draait, die kan bijzondere dingen.

Targeted virus

‘Toepassingen op de schaal van atomen en moleculen liggen erg voor de hand’, zegt Kouwenhoven. Denk aan het simuleren van scheikundige reacties, het ontwikkelen van materialen voor efficiënte zonnecellen of het ontwerpen van medicijnen zonder bijwerkingen, zoals bij de behandeling van Billy’s moeder in het verhaal.

Of, dat kan natuurlijk ook, het ontwerpen van slimme virussen. Eentje die alleen mensen met een bepaald dna-profiel aanvalt, bijvoorbeeld: mannen, mensen met blauwe ogen of iedereen waarvan de kleine teen bij geboorte een tikje krom stond.

Chatten op de Q-chain

‘De echte wereld is quantum en wij zien daar slechts de projectie van’, zegt Kouwenhoven. Wanneer je eigen werkelijkheid nogal te wensen overlaat, klinkt dat behoorlijk aanlokkelijk. Vandaar dat veel personages in Bervoets verhaal gefascineerd, zelfs geobsedeerd, raken door de theorie. Van een afstandje ingelogd op de quantumcomputer delen zij hun obsessie in Q-chains, een soort (door Bervoets verzonnen) quantumchatboxen. Daar hopen ze de ware werkelijkheid, met behulp van berekeningen op het nieuwe systeem, nóg dieper te leren kennen.

Zit er een limiet aan het aantal mensen dat je kunt kennen? Wat bewijst de uitslag van een schriftelijke test eigenlijk? In onze Grote Vragen Podcast beantwoorden we ‘vragen waar je nooit over na hebt gedacht maar plotseling dolgraag een antwoord op wilt hebben’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden