Struycken heeft volkomen gelijk

De zaak van Peter Struycken tegen het Nationaal Architectuurmuseum, dat volhardt in verminking van zijn licht-kunstwerk, is volgens Wessel Reinink een testcase voor de Nederlandse cultuur....

SINDS in de dagbladen werd bericht (12-13 juni) dat Peter Struycken bezwaar maakt tegen de aantasting van zijn licht-kunstwerk door de streetart-beschilderingen op de betonnen pijlers onder de archiefvleugel van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, is het al wekenlang stil geworden rondom deze kwestie.

Wat bijna niemand buiten Rotterdam beseft, is dat gedurende deze zomer de situatie onveranderd is gebleven en dat dus Struyckens lichtspel met computergestuurde wisselende kleuren bij donker blijft aanstaan. Het gekleurde licht wordt echter niet door de witte betonnen pijlers gereflecteerd (zoals de bedoeling is), doch wordt door de aangebrachte schilderingen geabsorbeerd en op andere wijze van zijn effect beroofd.

Struycken meent dat zijn kunstwerk op ontoelaatbare wijze wordt aangetast en zoekt - sinds een bemiddelingspoging door de Stichting Beeldrecht geen resultaat opleverde - een uitspraak van de rechter te krijgen.

Een belangrijke basis voor zo'n geding is dat ook Struyckens wederpartij van mening is dat hier sprake is van een aantasting van het lichtkunstwerk; dat het effect door de beschilderingen weg is wordt door haar niet bestreden.

Bovendien heeft de wederpartij evenmin bestreden dat hier sprake is van een kunstwerk van een hoge kwaliteit. Hiermee wijkt zij niet af van het overwegend algemene oordeel: Struyckens lichtinstallatie is een publiek succes.

Wat opvalt en stoort, is dat door de vorm van de berichtgeving een verkeerde toon is gezet en de discussie daarmee van de kern van de zaak dreigt te worden afgeleid. Er is sprake van een reductie in dubbele zin, waardoor geen recht gedaan wordt aan het grote belang voor de kunst in het algemeen dat hier in het geding is. De eerste reductie is al van meet af aan door de vorm van de berichten gegeven: daarin staat op de voorgrond dat er een conflict tussen Struycken en het NAi zou zijn gerezen.

In het kielzog daarvan is in een der uitgebreidere commentaren (Forum, 14 juli) sprake van de 'toorn' van Struycken die zou zijn 'nedergedaald' op het hoofd van het NAi. De realiteit is echter dat er niets blijkt van een persoonlijke aanval van Struycken op wie dan ook en dat hij als eerste stap de Stichting Beeldrecht heeft ingeschakeld, met als belangrijkste doel om uit te zoeken in hoeverre een dergelijk kunstwerk bescherming kan krijgen, mede met het oog op de ontwikkeling van een algemeen geldige jurisprudentie.

De tweede reductie waardoor de kern van de zaak uit het zicht dreigt te geraken bestaat eruit dat Struycken zich helaas gedwongen ziet om zijn toevlucht tot juridische stappen te nemen. De rechter zal niet letten op de kwestie van de kwaliteit van het kunstwerk (al zal hij in dit speciale geval wel in zijn overweging betrekken dat deze door gedaagde niet wordt bestreden) en zal een afweging van belangen maken. Door deze reductie van de issue komt de eigenlijke kwestie niet aan bod.

De rechter zal vermoedelijk ook proberen om partijen tot een schikking te bewegen, bijvoorbeeld in de zin dat zij onderling tot een modus vivendi komen waarbij de kunstenaar zo nu en dan in de toekomst vergelijkbare aantastingen van zijn werk moet gedogen.

Struycken zal hoogstwaarschijnlijk aan zo'n regeling geen medewerking willen geven en het dan maar aan de rechter overlaten om in deze een uitspraak te doen. (Een auteur zal bij een boekverbranding toch ook niet willen marchanderen over het aantal boeken dat op de brandstapel zal gaan.)

Met een dergelijke beginselvaste houding zal Struycken proberen de schade van een juridisch steekspel voor de kunst te beperken. Het gaat om niet alleen kwaliteit, maar om het recht op een onaantastbare plaats voor de kunst. Het NAi laat zich, zoals gezegd, niet verleiden tot welk soort toezegging ook over de toekomstige omgang met de galerij, naar verluidt met als achtergrond de uitspraak binnen zijn bestuur dat een dergelijke aantasting van Struyckens werk 'moet kunnen'.

Ik kan mij niet voorstellen dat iemand, die zich zijn leven lang even consequent en standvastig hard werkend inzet voor hoogwaardige cultuur in het publieke domein als Struycken doet, zoiets zou kunnen zeggen. In een dergelijke uitspraak zit een sluipende verloedering besloten: kunst komt daarmee in een sfeer van consumentisme - Mag het ietsje meer/minder zijn? - en raakt dan op weg naar de uitdragerij van nationale onverschilligheid.

Je zou eigenlijk, als het er al niet was, een architectuurinstituut willen oprichten om hier op de bres te staan. Waarvoor? Voor de bescherming van kunst, waarvan het vindt dat ze kwaliteit heeft. Voor het uitdragen van de idee dat bescherming concrete ruimtelijke consequenties moet hebben: als de kunst een plek gekregen heeft, dan moet deze een areaal zijn waar niemand kan aankomen, want dat areaal is tegelijkertijd van niemand en van iedereen. Dat is goed, zowel voor de kunst als voor de stad, het openbare leven. Het is goed dat er in ons overvolle land plekken zijn, waar niemand kan aankomen en die juist daardoor hun uitstraling hebben. Dit wordt gesymboliseerd door het lichtkunstwerk van Struycken.

Laat ik eindigen met enkele citaten uit de presentatie ervan door de toenmalige directeur van het NAi, Adri Duivesteijn: 'Het lichtobject van Peter Struycken illustreert op een wel zeer in het oog springende wijze wat wij beoogden. Het voegt betekenis toe aan de arcade die zich (. . .) onder het archiefgebouw van het NAi uitstrekt. Ieder etmaal voeren architectuur en beeldende kunst hier een estafette uit. Overdag is het de arcade van Coenen: een bijzondere plek, en ook een stedebouwkundig gebaar dat stad en park scheidt en verbindt. Zodra het donker wordt, neemt Struycken de arcade over. De gaanderij begint dan aan een kleurrijk en altijd veranderend nachtleven; om zichzelf 's ochtends weer af te leveren bij daglicht (. . .) Peter Struycken heeft met deze arcade niet alleen het Nederlands Architectuurinstituut maar ook het Museumpark en de stad Rotterdam een nieuw beeld gegeven.'

A.W. Reinink is emeritus hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden