Struikelen in het donker

The New York Review is een op en top intellectueel blad en daar moet je maar net zin in hebben....

Niets is minder waar. Sinds kort ligt in de boekhandel een Britse bundel essays over dwalingen in de wetenschap die al in 1995 in het Amerikaanse weekblad is verschenen. Er is na lezing slechts één conclusie mogelijk. Dit Hidden Histories of Science, een pocket van net geen tweehonderd ruim opgemaakte pagina's, zou verplicht moeten worden gesteld op alle wetenschappelijke opleidingen.

Wetenschap, is de strekking, is maar net wat haar beoefenaren ervan maken. Mensenwerk, niet meer en niet minder. De wetenschappelijke gemeenschap heeft net zo goed als iedere andere blinde vlekken, lijdt aan vergeetachtigheid en is liever lui dan moe.

Dat kan weliswaar niet vaak genoeg gezegd worden, toch is het op zichzelf niet iets om warm of koud van te worden, zeker nu de wetenschapsjournalistiek volwassen is geworden en in het algemeen meer doet dan het bejubelen van de geleerden en hun vindingen. Dat Hidden Histories niettemin zeer lezenswaardig is, komt door de manier waarop de vijf auteurs het wetenschappelijk mensenwerk hier beschrijven: die stamt zonder meer uit de hogeschool van de retorica.

Samensteller en redacteur Robert Silvers heeft dan ook een illuster gezelschap van schrijvende geleerden bijeen gebracht. Wereldberoemd zijn bioloog Stephen Jay Gould en neuroloog Oliver Sacks, wereldberoemd in kleinere kring zijn arts-auteur Jonathan Miller, geneticus R.C. Lewontin en fysicus Daniel J. Kevles.

Geschiedenis is van de overwinnaars, maar wie wint er in de wetenschap? Dat is de vraag. Oliver Sacks, de New Yorkse neuroloog die Silvers tijdens een etentje op het idee voor de bundel bracht, schrijft in het slotessay te vrezen dat de geschiedschrijving van de wetenschap onbegonnen werk is, juist omdat maar al te vaak de verliezer aanvankelijk wint.

Een voorbeeld is Sacks' eigen onderzoek, in de jaren zestig, naar migraine Hij merkte dat ongeveer één op de twintig patiënten niet alleen zigzag-flitsen zag tijdens een aanval, maar ook roosters, draaikolken en webachtige structuren. In de literatuur was daarover niets te vinden, leek het. Tot hij op een ruim honderd jaar oud wetenschappelijk artikel stuitte van de Britse astronoom J. Herschel, zelf migrainelijder.

Waarom was een frequent verschijnsel een eeuw lang onopgemerkt gebleven? In hetzelfde jaar had de Franse arts G. Duchenne gewezen op spierdystrofie, een veel zeldzamere aandoening. De medische literatuur stond de jaren daarna bol van nieuwe gevallen en observaties.

Herschels werk, meent Sacks, is niet alleen vergeten omdat de astronoom geen status in de medische stand had. Pas met de opkomst van de chaostheorie konden ingewikkelde visuele patronen worden thuisgebracht en bleek werk van een eeuw oud toch actueel. In de tussenliggende tijd was het onbegrepene gewoon over het hoofd gezien. Patiënten hadden het er ook niet over.

Het syndroom van Gilles de la Tourette, waarbij de patiënt tics vertoont en ongecontroleerde taal uitslaat, is een vergelijkbaar geval. Het syndroom werd in de jaren tachtig van de vorige eeuw beschreven en breed waargenomen. Maar na de eeuwwisseling leek het opeens verdwenen, in de literatuur en de praktijk, tot het in de jaren zeventig werd herontdekt als bijwerking van experimenten met psychofarmaca.

Waarom? Omdat, aldus Sacks, na de eeuwwisseling het verzamelen van beschrijvingen geen wetenschap meer werd gevonden. Verklaard moest er worden, en aangezien Tourette niet verklaard kon worden, verdween de aandoening uit beeld, werd ze aanstellerij gevonden. Opvattingen over wat wel en niet wetenschappelijk was, bepaalden zelfs wat artsen aan patiënten zagen.

Op dezelfde manier blijkt de medische wetenschap ooit te zijn vergeten dat hersenbeschadigingen kunnen leiden tot kleurenblindheid (bekend sinds 1899, eind jaren tachtig herontdekt), dat kleurperceptie een psychisch, niet zuiver fysisch proces is (zoals de dichter Goethe vergeefs onder de aandacht bracht, zelfs met overtuigende experimenten), dat patiënten opnieuw aangehechte lichaamsdelen niet meer als iets van zichzelf voelen (tot driemaal toe vergeten en herontdekt).

Historici gaan er doorgaans van uit dat ze een reeks gebeurtenissen bestuderen die zich min of meer geleidelijk ontrolt. Dat moge misschien waar zijn voor de politieke historie of die van de cultuur, maar wetenschap laat zich in die matrijs niet vangen, benadrukt Sacks.

De overige auteurs geven daarvan nog tal van andere voorbeelden. Hypnose, zo beschrijft Miller, werd in de eerste helft van de achttiende eeuw ontdekt door de Oostenrijker Franz Anton Mesmer en aangewend als therapeutisch middel tegen 'verstoringen van het geestelijk magnetisme'.

Behandelingen van neurotische patiënten met sterke magneten werden een tijdlang mode in de salons van Parijs en Londen. Hypnose geraakte daarna echter steeds verder in de sfeer van de kermisattractie en werd uiteindelijk weggevaagd door Freuds theorieën over het onderbewuste. Tot de psychoanalyse ontdekte dat hypnose daartoe de toegang kan geven.

Op dezelfde manier beschrijft Kevles hoe een halve eeuw niet serieus werd genomen dat virussen een rol kunnen spelen bij het ontstaan van kanker, een idee dat al uit het eind van de negentiende eeuw stamde. En Kevles hekelt het idee dat er een hiërarchie in de natuurwetten bestaat die fysica stelt boven chemie, gevolgd door biologie. Dat verblindende beeld staat nieuwe inzichten alleen maar in de weg, meent Kevles.

Interessant in dat verband is ook bioloog Stephen Jay Gould, die (zoals eerder in tal van zijn boeken) het idee bestrijdt dat evolutie gelijk staat aan vooruitgang. Volgens Gould leidt die - doorgaans onuitgesproken - vooronderstelling tot misverstanden en zelfs wetenschappelijke misvattingen. In boeken en musea hameren evolutionaire stambomen erop dat de mens 'hoger' is dan een ammoniet of een huishoudbacterie. En Toshiba liet in een advertentie ooit een aapmens met een oude IBM sjouwen en de moderne mens met een vedergewicht notebook.

Terwijl, aldus Gould, een grasveld welbeschouwd een beter beeld geeft van hoe evolutie werkt: sommige experimenten van moeder natuur schieten - gegeven de omstandigheden - beter wortel dan andere. Dat het zo vrijwel nergens wordt voorgesteld, betekent dat we over enige tijd tot de ontdekking zullen komen dat er gegevens over het hoofd zijn gezien, voorspelt hij.

De vorig jaar overleden filosoof Thomas Kuhn noemde zulke dwingende beelden paradigma's en beschreef uitgebreid hoe die alleen met conceptuele revoluties kunnen worden ingewisseld voor iets nieuws.

Kuhn komt in Hidden Histories zelfs bij naam niet voor en dat mag een verademing heten. Deze bundel wil niet meer of minder dan een verzameling levendige bewijzen zijn voor de stelling dat wetenschappelijke vooruitgang, als die al bestaat, meer berust op struikelen in het donker, op peinzen en herinneren, dan op doelbewuste strategie.

De erudiete, breedvoerige stijl maakt het misschien niet helemaal tot een boek om even tussen de bedrijven door te lezen. Maar na lezing ziet het wetenschapsbedrijf er nooit meer hetzelfde uit.

Martijn van Calmthout

Robert Silvers: Hidden Histories of Science

Granta Books, import Penguin Books Netherlands; ¿ 29,70

ISBN 1 86207 005 9

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden