'Stront, seks en foute grappen. Ik heb Ik, J. Kessels schuddend van het lachen zitten schrijven'

Het idee dat het geestige minder waard zou zijn dan het ernstige is een misvatting, zegt P.F. Thomése bij de verschijning van het laatste deel van zijn fuckingkomische J. Kessels-trilogie.

'Als ik wist hoe dat bij nette mensen overkwam, zou ik het misschien niet durven opschrijven.' Beeld Ernst Coppejans

Uw verslaggever stelde voor om het interview over Ik, J. Kessels, het laatste deel van de trilogie over de vriendschap tussen P.F. Thomése, 'P is for Penis, F is voor Fuck, de bekende vintage acteur P.F. Thomése, alias Porny Franz, gespecialiseerd in het klassieke Duitse aftrekwerk' en de paffende, zuipende en onverstoorbare Tilburgse country & bluesheld J. Kessels in stijl te laten plaatsvinden bij een afhaalchinees in Haarlem, de woonplaats van de auteur.

'Vies vreten is er hier in Haarlem genoeg', mailde Frans Thomése, 'maar een fatsoenlijke Chinees ho maar. Daarvoor moet je toch echt in Tilburg zijn. Er is hier wel een goeie Italiaan. Klassieke maffiosi uit Napels. Het heet dus Napoli. Zullen we daar dan maar heen gaan?'

P.F. Thomése (Doetinchem, 1958) is een gelauwerd literair auteur. In 1991 kreeg hij de AKO Literatuurprijs voor zijn debuut Zuidland, hij schreef veelgeprezen historische romans, essays en verhalen en werd internationaal geprezen voor het ijzingwekkende en ontroerende Schaduwkind.

Het afgelopen decennium publiceerde hij ook twee huiveringwekkend komische roadnovels: J. Kessels - The Novel en Het bamischandaal. Een paar jaar geleden kondigde hij aan dat er nog een derde zou volgen: Ik, J. Kessels. Over de titel merkt 'P.F.' op een van de eerste bladzijden van de gelijknamige roman minzaam op: 'Klinkt als een slap aftreksel van Ik Jan Cremer en dat was destijds ook een aftreksel, maar dan tenminste nog een aftreksel van Jan Cremer zelf.'

Die eerste J. Kessels-romans deden nogal wat stof opwaaien, vanwege de ranzige taal waarin P.F. Thomése op ironische wijze verslag deed van de omstandigheden waarin hij met zijn beste vriend en meest geliefde personage in verzeild raakte. In J. Kessels - The novel gingen de twee boezemvrienden in een Toyota Kamikaze over de Duitse snelwegen achter de verdwenen 'hete frituurspetter uit de Cafetaria van Vroeger' aan, BBtje o dubbel sneetje van weleer.

In deel twee, Het bamischandaal, reisde P.F. naar Shanghai omdat J. Kessels verliefd was geworden op het Chinese nichtje van de Tilburgse afhaalchinees, 'wrong noodles, you asshole', en hij hem achterna was gereisd. Op de flaptekst stond te lezen dat er voor de verandering ook eens flink geneukt mocht worden, niet in het minst door de auteur zelf. 'En nog wel met een of ander lekker wijf.'

P.F. Thomése
Ik, J. Kessels
Fictie
Pluim; 198 pagina's; euro 19,99.

De romans bereikten zo'n cultstatus dat er niet alleen boeken werden verkocht, maar ook allerlei merchandising met J. Kessels. 'Films, T-shirts, asbakken, de hele ratsmodee,' zo herinnert P.F. zich in de roman de uitverkoop van hun vriendschap. 'Ik was een vuile verraaier, een dubbele nog wel, nu ik ook nog eens van Rita's royale flamoes had meegesnoept.'

Op 7 januari 2013 vond in de Amsterdamse Nes zelfs een heuse J. Kessels-fandag plaats. Omroep Brabant kopte: 'J. Kessels grote afwezige op eigen fandag.' Thomése verklaarde, hangend aan een bartafeltje op het podium: 'Ik heb hem vanochtend gebeld, maar hij heeft nou eenmaal een kuthekel aan dit soort gelegenheden.'

Het bleek dat J. Kessels, die zich schuilhield in zijn 'tijdelijk permanente noodflatje in Tilburg-Noord', er tabak van had om als personage door zijn vriend P.F. Thomése hoofdstuk na hoofdstuk in zijn onderbroek te worden gezet. De vriendschap die in de literatuur werd gevierd, liep in werkelijkheid schipbreuk.

In het Eindhovens Dagblad, de krant waar Thomése en Kessels elkaar bijna veertig jaar geleden ontmoetten - en waar de laatste nog altijd als ster-columnist schittert in de kolommen - verzuchtte Kessels, toen hij hoorde dat er wéér een roman aankwam waarin hij als held werd opgevoerd: 'Het is zoals het is. Ik kan er toch niks aan doen.' In de reacties op de website van de krant vielen lezers hun columnist bij. Eentje schreef verontwaardigd: 'Laat Jos gewoon met rust.'

'Tsja', zegt Thomése in Haarlems Napoli. 'Zo staat het er nu voor. Maar zo is het natuurlijk allemaal niet begonnen, laat staan dat het er óm begonnen zou zijn. Toen ik eind jaren zeventig begon bij het Brabants suffertje, herkenden Jos en ik veel in elkaar. Wij voelden ons daar allebei misplaatst. We wilden eigenlijk helemaal geen journalist zijn. We doken na de avonddienst het nachtleven in, voor zover dat bestond in Eindhoven en Tilburg. We konden uitstekend samen zuipen en roken, naar wijven kijken. Al was hij meer een tietenman en ik een kontenman, zoals je in de romans hebt kunnen lezen.'

De vriendschap kreeg vleugels door de liefde voor Amerika. 'Ik had met de Greyhound een grand tour door de United States gemaakt, Jos met het vliegtuig. We hadden allebei Amerika van de Oost- tot de Westkust gezien. Ik was zelfs in Mexico beland. Dat deelden wij: wij hadden al een echt leven achter de kiezen. Later maakten we samen bedevaarten in de Deep South en de Far West naar de bronnen van de muziek.

'We gingen eigenlijk voor de namen, de namen van het oude zuiden die zingen als oude tunes', schreef Thomése in het openingsverhaal van Greatest Hits, 'swingend als Chattanooga, Opelousa, Bogalusa of Pascagoula, statig als Beaumont, Baton Rouge of Lafayette, exotisch als Cocodrie en ronduit bekend als Nashville alias Music City U.S.A. Memphis, the home of the blues, en the big easy New Orleans - en tussen al die namen stroomt lazy de Mississippi, die zo oud en moe is dat hij ook Ole Man River wordt genoemd.'

Beeld Ernst Coppejans

'Zo is het begonnen', zegt Thomése. 'Er was geen masterplan om J. Kessels het beroemdste personage uit de Nederlandse letteren te maken. Het is een uit de hand gelopen grap. Ik vond het vreemd om hem niet op te voeren in mijn Amerikaanse reisverhalen. Dat is zoals Cees Nooteboom het altijd doet. Die wil je laten denken: die Nooteboom ligt alleen te peinzen op een hotelkamer, die ondergaat alle ontberingen in eenzaamheid. Terwijl hij in werkelijkheid keurig met zijn eigen vrouw onder schoongewassen lakens in een reisgids lag te turen. Ik dacht: dat ga ik niet doen. Ik belééfde die reizen ook nadrukkelijk samen met J. Kessels. Hij moest erin.'

Maar waarom voerde hij zijn vriend op onder zijn eigen naam? 'Dat werkte sterk. Geen camouflage. Al noemde ik hem, omdat ik zelf publiceerde onder de naam P.F. Thomése, voor de congruentie J. Kessels. Met die ene initiaal. En die punt. Ik las in die tijd wel eens wat voor uit een J. Kessels-verhaal, en dat leidde altijd tot grote hilariteit. Daardoor smaakte het al snel naar meer. J. Kessels ontwikkelde zich in die verhalen, werd steeds fictiever. Maar in werkelijkheid zag ik hem minder en minder.'

Al vanaf de eerste gepubliceerde verhalen, rond het begin van de jaren negentig, zag Jos Kessels weinig in zijn rol als cultheld. 'Daar kon ik ook wel inkomen', zegt Thomése, 'want je schendt toch de vertrouwelijkheid van de vriendschap. Iets wat we samen hadden, werd van iedereen. Als vrienden práát je ook niet over vriendschap. Dat is veel te gay. Hij moet het als een vorm van verraad hebben beschouwd, terwijl ik het zag - en zie - als een reverence. Een hommage. Ik heb niet zoveel vrienden over wie ik een roman ga schrijven. Hij is een uitzonderlijke figuur. In die zin vraagt hij erom.'

Als er nieuwe verhalen, of, in 2009, een J. Kessels-roman aankwam, legde Thomése die aan hem voor. 'Ik heb altijd alles opgestuurd en voorgelegd. Met de mededeling: als je er niet mee kan leven, dan moet je het maar zeggen. Maar hij heeft nooit wat gezegd. Dat snap ik wel. Je zegt niet zo makkelijk tegen iemand die een boek heeft geschreven: flikker 't maar in de prullenbak. Ik denk dat hij er dubbel in stond. Hij kon er aanvankelijk ook wel om lachen. Als je hem belde en hij nam niet op, dan hoorde je ineens: 'Dit is het antwoordapparaat van J. Kessels.'

In de periode dat Het bamischandaal verscheen en Thomése met zijn vriend over dat boek en de nasleep ervan wilde praten, gooide Kessels de hoorn op de haak. Sindsdien hebben ze elkaar niet meer gesproken. Juist daar gaat het in Ik, J. Kessels om: de hopeloze poging om de vriendschap weer leven in te blazen. P.F. gaat als 'pseudo-Proust' op zoek naar de verloren tijd en reist af naar Tilburg om J. Kessels te vinden.

'Aanvankelijk had ik het idee dat J. Kessels, met behulp van zijn oude vriend Peerke Sonnemans, zelf een boek in elkaar zou flansen omdat hij het oneens was met wat P.F. Thomése allemaal over hem te berde had gebracht. Een protest van de geportretteerde tegen zijn biograaf.'

Uiteindelijk draaide Thomése het om: P.F. krijgt in de eerste regels van de roman bericht dat er op de uitgeverij een typoscript is gearriveerd, Ik, J. Kessels, waarvan de redacteur, dr. Bertram Mourits, vermoedt dat P.F. de schrijver is. Dat leek Mourits een doorzichtig postmodern trucje. 'Hij had zo'n beetje aan alle universiteiten gestudeerd; hem maakte je niks meer wijs.'

CV P.F. Thomése

1958 geboren in Doetinchem
1979-1984 redacteur Eindhovens Dagblad
1986 debuteert met verhaal in De Revisor
1990 debuut Zuidland (AKO Literatuurprijs 1991, verhalen)
2001 verhuist van uitgeverij Querido n aar Contact
2003 Schaduwkind (over dochter Isa)
2007 Vladiwostok! (roman)
2009 J. Kessels, the novel (roman)
2011 Grillroom Jeruzalem (Bob den Uylprijs 2012, reisboek)
2015 De onderwaterzwemmer (roman)
2016 Verzameld nachtwerk (essays)

Toch zit het anders: P.F. blijkt het typoscript, als het hem door zijn redacteur is opgestuurd om 'er nog eens rustig naar te kijken', een verschrikking te vinden omdat hij daarin uit de geschiedenis wordt weggeschreven. 'IK, J. KESSELS schreeuwden die kolossale kapitalen mij toe, kan het voortaan zelf, ik heb geen fucking arrogante kutauteur als jij meer nodig.' Daarop keert P.F. terug naar Tilburg om dat ingezonden typoscript te ontkrachten en de vriendschap met J. Kessels te herwinnen.

'Omdraaiing van de bewijslast', zegt Thomése boven een dampend bord lunette al tartufo. 'Kessels heeft natuurlijk alle recht om zich kapot te ergeren aan mijn boeken. En die film die er daarna ook nog eens van is gemaakt.' In zijn roman komen de Tilburgers in opstand tegen de schrijver: 'Gij zijt een leugenaar en een verraaier en da witte ge zelf ook, Franske.' Ik had geen recht van spreken met dieje literaire fratsen van me. Ja, een bietje moeilijk doen over wa mekkelijk zat is.' En over de verfilming: 'Zeg nou zelf, Franske, diejen dikke plofkip van de Jumbo, hoe hiet die? Frank Lammers, die lekt toch voor gene meter op onzen Jos?'

Thomése grinnikt. 'Kessels' reputatie wordt geschaad, zijn zielerust wordt verstoord. Maar ik draai dat om: ik doe of mij iets verschrikkelijks wordt aangedaan.' Die ingeving zette bij hem de motor van het schrijven aan. P.F. stapelt de ene fantasie op de andere, doet de ene loze beschuldiging na de andere. In feite zijn het slagen in de lucht, en foetert hij erop los. De oeverloze gedachtenstroom heeft wel iets van Gerard Reves 'geouwehoer waar Gods zegen op rust'.

'Als het gaat om die cadans', zegt Thomése, 'is mijn voorbeeld Louis-Ferdinand Céline geweest. Ik denk eerlijk gezegd dat Reve het ook van Céline heeft. Tot je nek in de stront zitten, maar dan toch zo'n toon weten aan te slaan alsof het geheel buiten je om is gegaan. Jezelf vrijpleiten, terwijl je zo schuldig bent als wat. Een geweldige vorm.'

'De seksuele fantasieën doen misschien wel aan Reve denken. Het verlangen naar de ander. Maar het is bij mij toch gelijkwaardiger. Het wezen van de vriendschap wordt bepaald door het feit dat we tegen elkaar opkijken. De een naar de ander, en de ander naar de een. Er is ook het verlangen de ander te zijn. Vriendschap heeft veel te maken met spiegeling.'

In de scène waarin P.F. deep down in Tilburg met twee lellebellen op leeftijd het bed in duikt, een blonde en een donkere, denkt hij: 'Mijn hele fantasieleven had in het teken gestaan van deze halfslachtigheid en verdubbeling - onder het motto: twee halven maken toch maar mooi één hele.'

Zelfs daar en dan, terwijl P.F. een stijve 'knoeperd' heeft en zijn hand 'op eigen houtje herinneringen aan het opgraven was in die heerlijke kletsnatte binnenwereld van het blonde wonder zonder naam', kan hij niet stoppen met piekeren over de verloren vriendschap met J. Kessels. Via de dames verovert P.F. in gedachten zijn vriend. 'De blonde liet de hele tijd kutscheten, zo sopte en klotste het bij haar.'

Beeld Ernst Coppejans

Thomése is geen sprekend voorbeeld van Hemingway's beroemde motto 'Easy reading is hard writing'. 'Ik heb Ik, J. Kessels schuddend van het lachen zitten schrijven. En snel ook, anders wordt het stroef. Formuleren is associëren, en onder je handen komen bij het schrijven ineens dingen samen die je zelf ook verrassen. Humor is vaak gebaseerd op het samenbrengen van ongelijksoortige dingen. Zoals bij Reve: banaliteiten en plechtstatige, archaïsche taal. In mijn geval heeft het ook te maken met de onmogelijkheid van het verlangen: dat je niet kan accepteren dat het leven zo banaal is, dat je niet bent wie of wat je zou willen zijn.'

Probeert hij dat in de literatuur op te lossen? 'Achteraf weet ik altijd precies hoe alles vroeger had gemoeten. Heb jij dat niet? P.F. denkt dat ook als hij met die twee dames van ver over de datum het bed in duikt. O ja! Nu kan ineens wél waar het je hele leven niet van is gekomen! Had dat eerder gezegd, in mijn weergaloos en reddeloos verspilde jeugd. Nu mag P.F. erop, maar het is mosterd na de maaltijd.' Thomése lacht. 'Héél veel mosterd, een knijpfles mosterd na de maaltijd.'

Elke schrijver, vindt Thomése, schrijft zijn romans om zijn leven te verbeteren. 'Alles gaat mis, de bedoeling ervan ontgaat je, maar in je boeken ga je dat rechtzetten. De een is daarbij meer gepreoccupeerd door de banaliteiten waar hij tot zijn nek toe in zit, de ander gaat juist verheven gedachten formuleren. Je hoort wel dat schrijvers zich prachtig aankleden voor ze gaan zitten schrijven. Dat ze hun lezers in een satijnen kamerjas tegemoet treden. Dat vind ik van dat auteursgetut. Dan zou ik net zo aanstellerig gaan schrijven als Arthur Japin.'

Hij zucht. 'Het fijne van schrijven is nu juist dat je het in de anonimiteit doet. Dat niemand je ziet. Dus ik zit stinkend en ruftend achter mijn bureau. Daarom kan ik ook zulke kinderachtige dingen schrijven. Stront, seks en foute grappen. Als ik wist hoe dat bij nette mensen overkwam, zou ik het misschien niet durven opschrijven. Nu zit ik pas als het boek uitkomt met de gebakken peren.'

In Ik, J. Kessels zit de redacteur van P.F. ook met het boek in zijn maag. 'Met mijn vorige roman, De onderwaterzwemmer, zal men zich comfortabeler hebben gevoeld', zegt Thomése. 'Die werd dan ook prompt voor de Libris-prijs, de ECI-prijs én de Belgische Fintro Literatuurprijs genomineerd. Dat lot zal een J. Kessels-roman niet treffen. Bij mijn voor-vorige uitgever, Querido, lagen mijn J. Kessels-verhalen jarenlang onder de koffievlekken op de verwarming van mijn redacteur te verrotten. Die rommel moest ik maar ergens anders mee naartoe nemen. Toen heb ik mijzelf maar helemaal ergens anders mee naartoe genomen.'

Ook deze kant van zijn schrijverschap moet serieus genomen worden, vindt Thomése. 'Ik wil banale onderwerpen niet aan banale schrijvers overlaten. Het resultaat hoeft niet van minder waarde te zijn. Rembrandt schilderde en tekende de meest ordinaire onderwerpen. Het resultaat was meesterlijk. John Ruskin, de 19de-eeuwse kunstcriticus, een echte estheet, ging over zijn nek van de 17de-eeuwse Hollandse schilderijen. Melkbussen, emmers, oude schoenen of slemppartijen - hoe konden de Hollandse meesters met hun fabelachtige techniek dat nou schilderen?'

Thomése is dan ook niet van plan zich te verdedigen. 'Ik vind dit een van mijn beste boeken. Ik reken de J. Kessels-trilogie tot het mooiste wat ik heb gemaakt. Het idee dat het geestige minder waard zou zijn dan het ernstige is een misvatting. In de oudheid en bij Shakespeare betrof een komedie de zeden en de gedragingen van de mensen, en de tragedie de verhouding tot het goddelijke. Steevast werd de tragedie hoger aangeslagen. En eigenlijk is dat nog steeds zo.'

Monter slaat Thomése in Napoli zijn espresso met één korte, vinnige beweging achterover. 'Ik trek me er geen reet van aan. Een roman moet confronteren. Als schrijvers brave Hendriken zouden zijn die het beste met ons voor hebben, zou ik ze niet lezen. Ik houd juist van het onbetamelijke en onsmakelijke, het unheimische.' Hij grijnst. 'J. Kessels zal het met me eens zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.