Strijdliederen voor de gouden bloem

Twee liederen vertolken als geen ander het verlangen naar Jeruzalem: het Hebreeuwse Yerushalayim shel Zahav (Jeruzalem van goud) en het Arabische Zahrat al-Mada’in (De bloem der steden)....

I.

Twee volken, één stad.

Joden en Arabieren strijden al honderd jaar om Jeruzalem. Israëlische soldaten en Palestijnse stenengooiers voerden de tragedie pas weer op. Televisiecamera’s gaven hen wereldwijd een miljoenenpubliek. Bij een drama van zulke proporties hoort muziek!

Twee liederen vertolken als geen ander het verlangen naar Jeruzalem: het Hebreeuwse Yerushalayim shel Zahav (Jeruzalem van goud) en het Arabische Zahrat al-Mada’in (De bloem der steden). Ze zijn in Israël en Palestina op de radio, in winkels en tijdens festiviteiten alomtegenwoordig.

Allebei dateren ze van het roemruchte jaar 1967. Inderdaad, dat klinkt naar het begin van de ‘Summer of Love’ – naar Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band van de Beatles en de debuutplaten van de Doors en Jimi Hendrix. Maar in het Heilige Land staat 1967 voor de Zesdaagse Oorlog, de laatste in een eeuwenlange reeks veldslagen om Jeruzalem. De Joodse staat Israël veroverde toen de Oude Stad met zijn heilige plaatsen. Het was een vernedering voor de Arabische wereld in het algemeen en de Palestijnen in het bijzonder.

Sindsdien geldt Jeruzalem van goud als het officieuze volkslied van Israël, en De bloem der steden als dat van de Palestijnen. Indringender dan een politieke beschouwing maken ze duidelijk waarom het sluiten van vrede in het Midden-Oosten zo moeilijk is.

II.

De eerste uitvoering van Jeruzalem van goud was voor Israël een mystieke ervaring. De krantenverslagen waren lyrisch over het Nationale Songfestival van mei 1967. Z

angeres Shuli Natan had een stem ‘die zo transparant was als het water in een fontein’. De 19-jarige dienstplichtige droeg een wit gewaad en had de présence ‘van een priesteres die een religieuze ceremonie uitvoerde, die voorging in een gezamenlijk gebed’.

Jeruzalem van goud, van brons en van licht,

oh, ik ben als een viool voor al jouw liederen.

Het lied was bedoeld om niet meer dan een pr-stunt te zijn. De energieke burgemeester Teddy Kollek zocht naar een manier om zijn landgenoten met een Jeruzalem-manie te begeesteren. Zijn stad had namelijk een slechte naam, ondanks de hoofdrol die Jeruzalem inneemt in het Jodendom. Tweeduizend jaar lang hadden Joden in de diaspora tijdens de jaarlijkse pesachmaaltijd hoopvol gepreveld: ‘Volgend jaar in Jeruzalem’. Maar nu ze dan eindelijk waren teruggekeerd naar het Bijbelse Land, vestigde iedereen met enig plezier in het leven zich aan de kust in Tel Aviv.

Het fragiele bestaan aan de wapenstilstandslijn van 1949 had Jeruzalem geen goed gedaan. De stad werd door gemetselde muren en prikkeldraadrollen gespleten in een Joods westen en Arabisch oosten. Met de vinger aan de trekker loerden Israëlische en Jordaanse soldaten 24 uur per dag naar elkaar.

Net als voorgaande jaren vierde Israël zijn Onafhankelijkheidsdag in 1967 met een bijbelquiz en het songfestival. Burgemeester Kollek had niet zomaar iemand gevraagd voor een deuntje: hij had de populairste tekstdichteres van Israël, Naomi Shemer, weten over te halen. De 36-jarige Shemer schreef een lied van verlangen, aangekondigd met pastoraal getokkelde gitaarakkoorden en voortgedreven door een eenvoudige, volksmuziekachtige melodie.

De berglucht is zuiver als wijn,

en de geur van naaldbomen

wordt gedragen door de avondbries

en het geluid van klokken.

Maar dan slaat het lofdicht om in een treurdicht. Want de weg naar de religieuze bron van het Jodendom was afgesneden door het niemandsland van de wapenstilstandslijn. De historische Oude Stad aan de andere kant – met de joodse Klaagmuur, de christelijke Grafkerk en de islamitische Al Aqsa-moskee – was sinds 1948 verboden terrein voor Israëli’s.

Hoe de waterputten zijn uitgedroogd.

De markt is leeg

en niemand bezoekt meer de Tempelberg

in de Oude Stad.

Het was het begin van ‘een uniek cultureel fenomeen’ in de Israëlische geschiedenis, zegt Dalia Gavriely-Nuri, die aan de Bar-Ilan Universiteit van Tel Aviv doceert over de Israëlische oorlogssamenleving. ‘Jeruzalem van goud was in eerste aanleg een burgerlijk liedje van verlangen. Maar door de bijzondere omstandigheden veranderde het binnen korte tijd in een militair overwinningslied.’

Over het songsfestival lag de schaduw van oorlog. De Egyptische president Gemal Abdel Nasser had de gemoederen in de Arabische wereld opgezweept en gedreigd ‘de Joden de zee in te drijven’. Jeruzalem van goud was als een medicijn voor een collectieve depressie. De Israëlische radio draaide het dag in dag uit. ‘In veel schuilkelders langs de grens houden leden van de burgerbescherming samenzangfeestjes’, schreef de krant Maariv destijds. ‘In Jeruzalem is het nieuwe lied van Naomi Shemer de populairste melodie.’

Tot verbijstering van velen nam het Israëlische leger op 7 juni de Oude Stad van Jeruzalem in. ‘De messias – op een tank rijdend naar de Tempelberg’, was de veelzeggende kop in Ma’ariv. De legerrabbijn buitte de omstandigheden ten volle uit. Hij blies bij de Klaagmuur voor het eerst sinds 1948 weer de sjofar, de ramshoorn die ritueel bij de joodse feesten klinkt. Vervolgens hieven de bezwete commando’s met de helmen in de hand een lied aan – jawel, het was Jeruzalem van goud.

Het raakte aan de metafysische dimensies van het Israëlisch-Arabisch conflict. Het was alsof Naomi Shemer een profetes was. Van de weeromstuit voegde ze een couplet toe om de nieuwe werkelijkheid te vangen.

[Zie verder pagina 36]

Twee volken, twee liederen
[vervolg van pagina 35]

We zijn teruggekeerd naar de waterputten,

de markt en het plein.

Een sjofar klinkt weer vanaf de Tempelberg

in de Oude Stad.

De roem van het lied kent sindsdien geen grenzen. Tot ver in de jaren negentig was de verzamel-lp Liederen van de Zesdaagse Oorlog de best verkochte plaat van Israël. In 1998 werd Jeruzalem van goud uitgeroepen tot het beste lied uit het 50-jarig bestaan van de Joodse staat. Bij de opening van de Maccabiah Spelen – de Joodse Olympische spelen – klinkt het bij wijze van volkslied van het Joodse volk.

Het deed niets aan de glorie af dat Naomi Shemer later bekende dat ze de melodie had gebaseerd op een Baskisch volkswijsje. ‘Het echte volkslied HaTikva’, zegt de Israëlische onderzoekster Gavriely-Nuri, ‘was tenslotte geleend van De Moldau, het nationalistische muziekstuk van de Tsjechische componist Bedrich Smetana.’

Jeruzalem van goud weerspiegelt ‘de consensus’ over wat Israël zijn ‘eeuwige, ondeelbare hoofdstad’ noemt. ‘Als ik het op de radio hoor, windt het me nog steeds op’, zegt Gavriely-Nuri. ‘Bijna als een Pavlov-reactie.’ Nostalgie naar tijden waarin alles even overzichtelijk leek te zijn, speelt daarbij zeker een rol.

Toch is er na de Zesdaagse Oorlog door enkelingen ook kritiek geuit op de liedtekst van Shemer. De omstreden zin was: ‘De markt is leeg.’ Het symboliseerde een tragische Israëlische blindheid, want de markt was helemaal niet leeg. De Arabische souk van Jeruzalem borrelde van leven. Daar woonden de Palestijnen, alleen zagen de Israëli’s hen in alle euforie liever over het hoofd.

III.

De 31-jarige zangeres Fairuz vertolkte De bloem der steden voor het eerst tijdens een zomerconcert in de bossen van haar geboorteland Libanon. Het was twee maanden na afloop van de Zesdaagse Oorlog. De nederlaag was in de Arabische wereld hard aangekomen, óók omdat de autoritaire leiders hun bevolkingen hadden doen geloven dat het een abc-tje zou zijn om Israël van de kaart te vegen.

Het verlies van Jeruzalem stond centraal. De Al Aqsa-moskee is de op twee na belangrijkste heilige plek van de islam – na Mekka en Medina – en had sinds 1948 onder het bestuur van Jordanië gestaan. Het was een vernedering dat moslims daar voortaan alleen mochten bidden met goedkeuring van Joodse soldaten.

Jeruzalem, Jeruzalem, stad van gebed, ik bid.

Onze ogen reizen elke dag naar jou,

bewegen door de gangen van de tempels,

omhelzen de oude kerken,

vegen het verdriet van de moskeën.

Het acht minuten durende De bloem der steden, geschreven door haar vaste liedschrijvers Assi en Mansur Rahbani, raakte een snaar. De Rahbani-broers besloten de filmopnamen van het bosoptreden toe te voegen aan de filmmusical Ballingschap, waarmee Fairuz in het najaar de bioscopen van Libanon veroverde. Maar ze mikten op een nog groter publiek. Bij uitzondering hadden ze daarom de liedtekst in het klassieke Arabisch geschreven. Hun gebruikelijke repertoire van Libanese dorps- en liefdesliedjes werd vertolkt in het nationale dialect.

In traag meanderende melodieën betreurt Fairuz Jeruzalem. Groot orkest met strijkers en koper begeleiden haar. De Rahbani’s waren in de jaren zestig toonaangevend in het toevoegen van westerse invloeden aan traditionele Arabische muziek. Tegelijk verloochenden ze hun herkomst als christenen niet: in De bloem der steden klinkt ook Byzantijnse kerkmuziek door.

Vrede werd een martelaar in het land van de vrede,

en Gerechtigheid sneuvelde aan de poorten.

Toen de stad Jeruzalem viel,

trok de liefde zich terug

en nestelde zich oorlog in de harten van de wereld.

Het was haar doorbraak. Voor het eerst namen ook niet-christelijke Libanezen en de linkse intelligentia in Beiroet haar serieus. Radiostations in de hele Arabische wereld draaiden onophoudelijk Fairuz. In Syrië schreef staatsdichter Suleiman al-Aysa speciaal voor haar een vers. Binnen luttele jaren groeide Fairuz daarna uit tot de grootste Arabische zangeres ter wereld.

Als dank voor haar lofzang kreeg ze van Palestijnse ballingen uit Jeruzalem in 1968 al een uit olijfhout gesneden sleutel van de heilige stad. Twintig jaar later vatte de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish samen hoe belangrijk de liederen van Fairuz voor zijn volk waren geweest. ‘Zij spraken ons hart aan. Zij belichaamden het herstelde vaderland. Zij waren de motivatie voor ons om door te gaan op de lange weg van de karavaan.’

Na de lange weeklacht neemt De bloem der steden dan ook een strijdlustige wending. Slagwerk, schetterende trompetten en een mannenkoor zetten het kracht bij.

De verblindende woede is in aantocht.

Het zal het aangezicht van de onderdrukking verslaan.

Het huis is van ons, Jeruzalem is van ons,

en met onze handen brengen we de stad in zijn oude luister terug.

De cultuurhistorische betekenis van het lied ligt voornamelijk in dat laatste deel, zegt de Palestijnse Amerikaan Joseph Massad, die als hoogleraar is verbonden aan de Columbia Universiteit van New York. ‘De zinsnede ‘De verblindende woede is in aantocht’ refereert eraan dat de Palestijnen niet langer zullen berusten in hun lot.’ De periode van berusting duurde na de stichting van Israël in 1948 – waarbij 700 duizend Palestijnen zijn gevlucht en verdreven – tot de oprichting in 1965 van de Fatah-militie van Yasser Arafat. ‘De wederopstanding van Palestijns verzet tegen de toeëigening van hun stad klinkt er in door.’

Het lied van Fairuz genoot grote populariteit tijdens de eerste en de tweede Palestijnse opstand (1987-’93 en 2000-’05). Ook na de onlusten in Jeruzalem van de laatste weken was het moeilijk nog een opname van De bloem der steden te pakken te krijgen in de muziekwinkeltjes rond de Oude Stad. ‘Altijd als er spanningen bij de Al Aqsa-moskee zijn, grijpen mensen terug op traditionele muziek’, zei een verkoper in de Saladinstraat. ‘Nu iedereen speculeert over het uitbreken van een derde intifada, vragen mensen vanzelf om Fairuz.’

IV.

Twee volken, één stad.

De liederen Jeruzalem van goud en De bloem der steden vertolken het exclusieve beslag dat Israëli’s en Palestijnen op de heilige stad leggen. De anderen zijn helemaal afwezig.

Of niet?

Als Fairuz haar ogen over Jeruzalem laat glijden – zie het citaat hierboven – dan bezoekt ze ook de ‘tempels’. De Palestijns-Amerikaanse historicus Massad hoort daarin nadrukkelijk een verwijzing naar joodse synagoges. ‘Maar goed, het lied gaat natuurlijk vooral over de geschiedenis van de islam en het christendom in de stad, en de bedreiging die het zionisme daarvoor vormt.’

In het Israëlische ‘bewustzijn’ wordt Jeruzalem van goud helemaal geïdentificeerd met Joods Jeruzalem, zegt de Israëlische onderzoekster Gavriely-Nuri. Toch is ook in dit geval ‘een oecumenische lezing’ mogelijk.

Het merkwaardige ‘brons’ in het refrein, kan een verwijzing zijn naar de islamitische Rotskoepel. Bij een restauratie tussen 1960 en 1964 had die namelijk een bronzen en aluminium dak gekregen – en niet de gouden bedekking van tegenwoordig. De ‘klokken’ waarvan het gebeier door de avondwind wordt gedragen, zijn daarnaast een verwijzing naar de vele kerken van de Oude Stad.

Maar of dat ook aanknopingspunten biedt voor een definitieve Jeruzalem-remix, valt natuurlijk te betwijfelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden