Strijd om beste Bach: klein, kleiner

Matthäus Passion..

* * * *

NAARDEN/AMSTERDAM Wat is het beste voor Bach? Als we dachten dat dirigerende Bachspecialisten elkaar langzamerhand gevonden hebben, bij de kwestie met wat voor bezetting een Matthäus Passion zich het best laat uitvoeren, dan hebben we het mis. Controverses over kleine, dan wel zeer kleine Bachcollectieven hebben zich uitgebreid naar het hoe en het wat van alle vocale deelnemers.

Primeur van de Nederlandse Bachvereniging: in Naarden klinkt een ‘asymmetrische Matthäus’. Jos van Veldhoven voert het stuk uit met een Eerste Koor van acht zangers plus vier ariasolisten, en een nog kleiner, in een zijbeuk opgesteld Tweede Koortje van vier solisten, samen ook een collectiefje. Bij Van Veldhoven kijk je nergens meer dan op, sinds hij in 2005 overstapte op minimale Bachbezettingen.

Omdat hij zijn Bach telkens weer anders doet, en zich graag beroept op de wetenschap, kun je er telkens de suggestie uit afleiden dat Van Veldhoven al zijn vorige Matthäussen fout heeft gedaan, zodat er ook nu wel niet veel van zal kloppen. Maar het ware contact ligt hier in de zoektocht.

De vastberadenheid waarmee Van Veldhoven zijn eigen, steeds veranderende uitgangspunten koestert, is een attractie op zichzelf. Hier een theorbe, daar een klavecimbel. Kleine crescendi, nee, nu toch grotere. Ooit staande soloviolisten, nee ze zitten weer. Vastroesten is er niet bij. En al helemaal niet bij de trouwe, nu licht gecraqueleerde evangelist Gerd Türk. Laat staan bij de even trouwe Charles Daniels, die, enigszins terzijde als ‘tenor 2’, zijn aria Geduld tot een muziektheatraal hoogstandje maakte.

Over vastroesten gesproken: het Koninklijk Concertgebouworkest, dat bij de ene Bach vaak een andere weg volgt dan de vorige, sinds Harnoncourt ermee ophield, schakelde ditmaal de Canadees Bernard Labadie in voor het plaatsen van de richtingwijzers. Na een Bachloos jaar (in 2009 klonk St. John’s Passion van McMillan), was er nu weer een Lamm Gottes uit 27 kinderkelen, te midden van twee keer twintig koorzangers, twee keer veertien strijkers en de rest.

Labadies eigen trouvaille betrof eveneens de solozangers. Zij posteerden zich achterop het podium, maar schoven voor sommige aria’s naar voren en weer terug als bij een weerhuisje. Het KCO, dat jarenlang een tienkoppige solistencast heeft gehuldigd, had er nu zes, van wie de alt Marie-Nicole Lemieux fraai begon met de aria Buss und Reu (achteraan), waarna de sopraan Miah Persson naar voren beende voor een wat plichtmatiger Blute nur.

Op dat moment leek het nog of Labadie ‘alt 1’ bedoelde wanneer er achteraan werd gezongen, en ‘sopraan 2’ wanneer dit voorop geschiedde. Een nog min of meer begrijpelijk procédé, al was het duidelijker geweest wanneer de zangers er een punthoed met het cijfer 1 of 2 bij hadden opgezet.

Toen Nathan Berg (bas 1, bas 2) en de prachtige tenor Werner Güra (2 en 1) echter een potje bleken te maken van vooraan/achteraan, rees de vraag welke Bachuitgave men in Quebec in de winkel heeft liggen. Het bijkomende oponthoud in de muzikale flow deed afbreuk aan de noblesse van een intiem klinkende passie.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden