Straatnamen uit een licht gehavende roman; LITERATUUR VAN DEZE EEUW IS DE LITERATUUR VAN DE STAD

WAT HEBBEN Alexandrië, Berlijn, Bombay, Dublin, New York, Novi Sad, Odessa, Parijs, Triëst en Wenen wel wat Bern, Düsseldorf, Hongkong, Kopenhagen, Montreal, Milaan, Oslo of Singapore niet hebben en vermoedelijk ook nooit zullen krijgen?...

Zanzibar, ach Sansibar oder der letzte Grund: wie de aandrift voelde de hoofdredacteur op grond van de vorige zin schriftelijk op de hoogte te brengen van de lacunes in de aardrijkskundige kennis van de boekbespreker, kan zich de moeite besparen. Want bij Zanzibar gaat het juist om het onbeslotene; de klank en het woordbeeld zijn alles, straten of stranden, ze doen er niet toe. Mogadishu, mon amour: ja, dat kan, als titel, net zoals 'Zijn reis naar Timboektoe is altijd onopgehelderd gebleven' als slotzin van een verhaal heel goed is - terwijl je niet moet denken aan een heuse huwelijksreis naar dergelijke rampzalige oorden. I'll Meet You in Ouagadougou: ik wil het meteen lezen, maar van die afspraak zie ik af.

Alexandrië? Lawrence Durrell. Berlijn? De Alexanderplatz, natuurlijk, die vreselijke woestenij van de wereldverbeterende massamoordenaars, die gebouwen konden slopen en mensen afvoeren, maar Döblins handschrift niet konden uitwissen. Bombay is Rushdie - en Dublin Joyce natuurlijk, van A Portrait of the Artist as a Young Man tot Ulysses. Het is zo langzamerhand de vraag of het gemeentebestuur de stad niet beter alsnog Joycity kan noemen. Dresden en Londen konden weggebombardeerd worden, maar niet uitgewist, zoals ook Novi Sad en Triëst bestaan in zinnen die niemand meer ongedaan kan maken. We bekijken ze, als we ze bezoeken, door de ogen van degenen die ons hebben leren kijken.

Maar wat neemt iemand mee die naar Kopenhagen trekt, niet in zijn handbagage, maar in de contrabande die hij in zijn hoofd draagt? Bjely naar St.-Petersburg, dat spreekt, maar wie of wat naar Bern? Armzalige oorden zijn het, de steden die slechts op de landkaart van de ANWB staan en niet op die van de verbeelding. Milaan of Oslo, dat komt nooit meer goed: zelfs Angoulême en Gorinchem staan er beter voor.

Steden zijn domeinen van de verbeelding. Milan Kundera heeft eens geschreven dat je pas thuis bent in een land als je weet wie het zijn naar wie de straten en pleinen vernoemd zijn. De welomschreven en rustgevende identiteit meldt zich op de hoek van twee straten, oog in oog met twee blauwe geëmailleerde straatnaambordjes. Zo ook kan men een stad pas vertrouwen wanneer het stratenplan niet appelleert aan een vouwblad, maar aan de licht gehavende band van een roman, het plaveisel oplicht in een herinnerde dichtregel.

In de warboel van gevelrijen en open plekken die een stad is, kan alleen de verbeelding systeem aanbrengen. Dat is een verzonnen orde, die het helemaal hebben moet van de verbindingen die de verbeelding aanbrengt - want los van de voorstellingswereld blijven steenklompen vermoedelijk hopen stenen. Niets steunt de verbeelding bij die bedwingende ordening zo goed als de uitgewerkte verbeeldingswereld van een schrijver. Een stadsbewoner en een stadsbezoeker, zij kunnen kiezen - net als de stadsbeschrijver.

De literatuur van de twintigste eeuw is de literatuur van de stad geworden; misschien zijn William Faulkner en Bruno Schulz wel de laatsten die zich eraan hebben kunnen onttrekken. De stedelijke literatuur is er bovendien in toenemende mate een van de grote stad. Dat is niet helemaal onbegrijpelijk.

Het doet zich evengoed in de poëzie voor als in het proza en het is een verschijnsel dat zijn wortels heeft in de negentiende eeuw en sedertdien een indrukwekkende ontwikkeling heeft doorgemaakt. T.S. Eliot is niet de eerste schrijver die de stad serieus genomen heeft - in de poëzie was dat vermoedelijk Baudelaire; William Blake wordt, als hij het over de stad heeft, nog op en top een moralist, een verontwaardigde plattelandsbewoner die de stedelijke structuren slechts zag als een verzameling gebreken - maar hij heeft haar wel als eerste onttrokken aan het idioom dat vooral beklemtoont wat de stad niet te bieden heeft. Nee, een stad is geen al te groot dorp, geen stenen onderbreking van de natuurlijke orde van heuvels, bossen, velden en stromen, geen klontering van kwaden, geen oord waar alles wat waarlijk des mensen is, vergeten werd. Hij heeft van haar gebreken haar rijke voedingsbodem gemaakt.

Het is te mooi, ook 75 jaar nadat het werd geschreven nog, om er niet even stevig uit te citeren - het is tenslotte april, de maand waarmee het gedicht begint, the cruellest month. Her en der is die maand andermaal bezig bloemen omhoog te stuwen out of the dead land, al zijn het dan veelal nog geen seringen. Juist in de parken en braakliggende woestijnen van de stad schieten ze overal op, de bloemen van het voorjaar, mixing memory and desire, stirring dull roots with spring rain. Een weiland kent weliswaar ook voorjaarsbloemen, maar hun kleuren bewerkstelligen nimmer die vreemde concoctie van verlangen met herinneringen.

Een plantsoen is geen vergeten stukje van een voormalig weiland, een stadstuin geen bebouwde akker. In de tweede strofe van The Waste Land is T.S. Eliot zover - dan komt de stedelijke stad aan bod, de stad die geen variant van het platteland is. 'What are the roots that clutch, what branches grow out of this stony rubbish?', roept de dichter uit. 'Son of man, you cannot say, or guess, for you only know a heap of broken images, where the sun beats, and the dead tree gives no shelter, the cricket no relief, and the dry stone no sound of water.' Het braakland is tot geen natuurlijk leven te bewegen, ook al lijkt een stedelijke boom nog sprekend op zijn verwanten aan de bosrand en lijkt geen vogel zich te storen aan al die klompen steen langs de waterkant.

0 AAR WAAR het om gaat, is vanzelfsprekend die stapel gebroken beelden: als de stad iets is, dan is ze een verzameling verstoringen, alleen is het onverstandig voortdurend uit te gaan van datgene wat ze verstoren. De gebroken beelden zijn op zichzelf nieuwe beelden geworden; juist dat ze gebroken zijn, maakt ze zo door en door stedelijk. Sommige processen zijn onomkeerbaar: een omelet wordt nooit meer een ei, laat staan een kuiken - en uit het beeld dat de stad afbrak, laat zich alleen nog maar een nieuw beeld maken, wat we ons aanvankelijk ook nog herinneren van de polder, het slootje, de oude molen of het verdwenen hekje met de koeien erachter.

Wij, de stedelingen van de late twintigste eeuw die soms nog zelf onze oorsprong hebben op het platteland, maar dat veel vaker hooguit nog kennen als het lege gebied dat tussen twee steden in ligt en waarvan we omtrent de eventuele bewoonbaarheid slechts uit de tweede of zelfs de derde hand curieuze details hebben vernomen, wij weten niet beter dan dat we onze beelden van de ons omringende wereld niet cadeau krijgen - zoals wij stedelingen geen enkel beeld cadeau krijgen. We moeten ze maken met onze blik.

Een bos is een bos, een gebergte een gebergte, maar een plein of een skyline moet je verzinnen - 'dus tikken op de machine', zegt een andere dichter. Wat is een plein, vraagt de Vlaamse dichter en essayist Stefan Hertmans zich af in zijn even luisterrijke als intelligente bundel stadsimpressies Steden. Pleinen bestaan niet, pleinen worden gemaakt - door architecten en stedebouwkundigen en vaker nog door de geschiedenis, maar wat die er allemaal ook van gemaakt mogen hebben, het plein wordt pas een plein in onze waarneming. En die waarneming gedijt wonderwel onder toevoeging van de literatuur, de pokon van onze voorstellingswereld.

De Amerikaanse literatuurhistoricus Richard Lehan doet er in zijn boek The City in Literature nog een schepje bovenop. Wat hem betreft is de stad als geheel een vrucht van de verbeelding - en dat vooral van die van de schrijver: je moet haar bij elkaar tikken op de schrijfmachine. De stad is een literaire uitvinding, pas uit de literatuur kent de lezer de stad, pas door de literatuur wordt de ervaring van de stadsbewoner een zelfstandige ervaring - geen verzameling onwennigheden, geen bron van weemoedige herinneringen of vervreemdende ergernissen. De lezer leert de stad ondergaan door de wijze waarop zijn schrijvers zich aan haar hebben overgegeven, en pas daardoor wordt die stad wat ze is.

Wij zijn pas in de negentiende en twintigste eeuw stadsbewoners geworden: de 14 procent van de wereldbevolking die rond 1800 stedeling was, zal in 2006 vijftig procent geworden zijn, en waar er toen elf steden waren met meer dan een miljoen inwoners, zijn dat er nu meer dan vierhonderd. Die imposante historische metamorfose wordt weerspiegeld in de literatuur, en omgekeerd heeft de literaire verbeelding die omslag aangegrepen om een bruikbaar beeld van de stad te maken. De stad is van het decor van de verbeelding tot bron van de verbeelding geworden.

Dat is een verandering die zich tussen het midden van de vorige eeuw en het tweede kwart van de huidige heeft voltrokken: de personages in de romans van Charles Dickens of de stakkerige helden uit Eugène Sue's Les Mystères de Paris zijn nog verdwaald in een verwarrend decor. Van de figuren in het werk van Paul Auster, Don DeLillo of Thomas Pynchon kun je dat onmogelijk meer zeggen. Zij hebben de stad allang geaccepteerd - en de suggestie van een activiteit, van een beslissing die van die formulering uitgaat, is al overdreven. De stad is in hun werk een gegeven, het leven in de stad een natuurlijke conditie waarvoor moeilijk een alternatief kan worden bedacht, laat staan een concurrerend alternatief.

Richard Lehan laat zijn introductie van de stad als literair gegeven, als menselijke constructie die voorafgaat aan wat de verbeelding vervolgens wil zeggen over de constructies die de mensen die in die stad wonen moeten gaan maken, beginnen bij Augustinus' De Stad Gods. Daar wreekt zich de culturele bekrompenheid van de Engelstalige wereld, die domweg ontstaat door het gebrek aan talenkennis dat altijd een gebrek aan eruditie teweegbrengt. Lehan moet zich in zijn historische overzicht en in zijn analyse beperken door wat in het Engels voorhanden is en wat hij kent uit een opleiding die hem slechts vertrouwd maakte met de Engelse en de Franse literatuur.

0 TEFAN HERTMANS heeft daar geen last van - en dus kan hij voor zijn begrip van de stad in de literaire verbeelding ook gebruik maken van de Centraal-Europese en de Duitse literatuur, ja, zelfs van de Italiaanse. Zijn ijkpunten zijn Walter Benjamin en Robert Musil, Milan Kundera en Claudio Magris, maar - zoveel ruimer en erudieter als zijn beschouwingen daardoor ook worden - eerlijk gezegd lijkt het me nog aan de beperkte kant. Met wat Salman Rushdie met Bombay heeft gedaan, en Borges, Llosa en Marquez met de steden van het Zuid-Amerikaanse continent, is het beeld van de stad in de literatuur er alleen nog maar gecompliceerder op geworden.

Het omslagpunt in de literatuur wordt bewerkstelligd door het modernisme - daar zijn Hertmans en Lehan het onafhankelijk van elkaar wel over eens. Lehan wijdt een hoofdstuk aan wat hij alvast 'Joycity' noemt, het Dublin van James Joyce, een stad en het beeld ervan in een literair oeuvre, die Hertmans meteen al een stuk interessanter weet te maken door ze vanuit Triëst te bekijken, dat Siamese gedrocht van Latijnse en Centraal-Europese stadscultuur aan de Adriatische Zee waar de conceptie van Joyce's Dublin heeft plaatsgevonden.

Die Latijnse achtergrond - een heuvel, een agora, een centrale plaats in het landschap: de stad als heerser over en hoogtepunt van het haar omringende platteland - is gemakkelijker te begrijpen en dus ook in de literatuur beter een plaats toe te kennen dan de Centraal-Europese. Hertmans kiest het begin van zijn twintigste-eeuwse stadsgeschiedenis in de openingsscène van Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften, waarna hij Walter Benjamins Passagen-Werk tot zijn gids maakt, en hij slaat daarmee naar mijn smaak de spijker op zijn kop.

Van Benjamin komt zijn ordeningsprincipe dat de stad tot een systeem maakt - een systeem van uitdrukkingsvormen, waarin de negentiende-eeuwse passages de op drift geraakte behoeften en hunkeringen van de plattelandsbewoner die stadsbewoner werd en daardoor alle houvast kwijtraakte, weer temmen. De etalages van de winkels transformeren de behoeften in mogelijkheden, de verlangens in genoegens. Een vitrine is geen akker en een toonbank geen werktuig.

De plattelandsbewoner die naar de stad trekt, stapt uit zijn geschiedenis, de geschiedenis van families en gewoonten, van omgangsvormen en redelijke verwachtingen. In de stad verliest hij zijn herkenbare eigenschappen en zo hij ze niet zelf al verliest, verliest hij ze in de ogen van de mensen die hij tegenkomt. Hij wordt Musils mens zonder eigenschappen, die in een van Musils novellen zelfs zijn karakteristieke naam moet opgeven en die, een typisch stedelijk verschijnsel, de administratieve aanduiding 'A-één' toegekend krijgt. Wie zich zo laat noemen, moet al zijn eigenschappen zelf kiezen, en waar kan dat beter dan in een winkelstraat waar men zich iedere denkbare uitmonstering kan aanmeten - van de meest modieuze, uitzinnige en opvallende tot de meest anonimiserende, die de aangepaste confectie met zich meebrengt.

Hij moet zich een nieuw leven scheppen en een nieuwe manier van waarnemen aanleren. De beelden die hij had zijn immers aan gruzelementen gegaan. Richard Lehan reconstrueert in zijn The City in Literature hoe dat in de literatuur in zijn werk is gegaan: gedetailleerd en voor sommige domeinen van de literatuur tamelijk uitputtend. Hij volgt het spoor van de stad van de Verlichting, die een marktplaats is, ook van ideeën, via de geïndustrialiseerde stad van de negentiende eeuw, naar de levende, organische stad van het modernisme, om uiteindelijk uit te komen in het postmoderne Los Angeles, waar geen centrum meer is, geen voor de hand liggende samenhang.

De schrijver en de lezer, ze hebben zich net als de stadsbewoner moeten overgeven aan de desintegratie. Ook uit hun beleving van de werkelijkheid is het centrum weggevallen. Hun identiteit kunnen zij zelfs niet meer met een middagje etalages kijken samenstellen. Het is allemaal waar en het is, mede door Lehans vertrouwde literatuurkeuzen, allemaal herkenbaar - en het is onbevredigend, juist doordat het allemaal zo herkenbaar is.

Stefan Hertmans heeft het voordeel geen literatuurhistoricus te zijn, maar een dichter: hij kan zich al schrijvend een uitweg scheppen uit de chaos. In de steden die hij aandoet, slaat precies dezelfde stuurloosheid toe als die Lehan heeft beschreven, maar doordat Hertmans zijn bibliotheek verlaten heeft en op reis is gegaan kan hij het niet bij toegeeflijkheid aan het gedwaal laten. Hij moet weer terug.

En zijn terugweg wordt nog altijd mogelijk gemaakt door de literatuur. Niet de steden verschaffen hem een steeds wisselend model, een telkens inwisselbare identiteit - maar wat hij erover leest. In Tübingen wordt hij één met de bronnen van Hölderlins waanzin, al was het maar omdat hij ze kan exploreren met een gedicht van Paul Celan in de hand. Hij kan zijn ervaring, zo verwarrend als zij is, delen. Hij kiest, trouw aan Musil en het postmodernistische levensgevoel, zijn eigenschappen zelf, maar hij doet dat aan de hand van zijn boekenkast.

Het beeld dat hij daarmee oproept van de steden die hij bezoekt, verandert van een beeld dat uit scherven bijeen wordt geraapt in een reeks bewegende beelden. Hij is niet alleen een reiziger, hij is ook een lezer, die zijn papieren inruilt zodra hij zijn boek uit heeft en aan een volgend boek begint. Zo bezien stelt hij uit zijn steden telkens een nieuwe stad samen - eeuwig onderweg, eeuwig thuis.

Michaël Zeeman

Stefan Hertmans: Steden - Verhalen onderweg.

Meulenhoff; 257 pagina's; * 36,90.

ISBN 90 290 5671 1.

Richard Lehan: The City in Literature - An Intellectual and Cultural History.

University of California Press; 330 pagina's; * 59,70.

ISBN 0 520 21 256 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden