Stomps, whoops en de virtuoos balkende viool

Harry Smith kocht als een bezetene 78-toerenplaten op uit de periode 1927-1932, de hoogtijdagen van de folk. Zijn selectie van 84 songs, voor het eerst uitgebracht in 1952, zou generaties muzikanten beïnvloeden....

HET IS rond de klok van enen, een koude novembernacht. Twee mannen schuifelen over de trottoirs van Harlem, New York. Hun geld hebben ze uitgegeven aan de taxi, en in het muziekcafé waar ze net vandaan komen. Ze lopen naar de metro, die hen weer terug downtown moet brengen.

Dan duikt de kleinste van de twee in een vuilnisbak, en komt weer tevoorschijn met een pakket in zijn handen. Het zijn foto's, die hij op het trottoir uitspreidt, en groepeert naar formaat en vorm. Uit de portieken maken zich nu schimmen los om te zien wat daar zoal gebeurt. Het mannetje buigt zich over de foto's, pakt ze op en deelt ze uit, één voor iedere omstander. Dan wandelt het tweetal verder, naar de metro-ingang.

Die kleine grabbelaar, dat was Harry Smith (1923). Het verhaal, afkomstig van John Cohen, muzikant van de New Lost City Ramblers, staat in het boek dat de integrale heruitgave vergezelt van een prachtig document: de Harry Smith Anthology, een reeks van zes lp's (nu als cd's uitgebracht) die officieel de Anthology of American Folk Music heet. Het is een bloemlezing van 84 songs uit de gouden tijd van de Amerikaanse folkmuziek, de periode tussen 1927 en 1932. De Anthology heeft generaties muzikanten beïnvloed.

Harry Smith heeft op tal van manieren een gooi naar de eeuwigheid gedaan. Als jongeling was hij vooral beeldend kunstenaar, maar dan zo-een die een gloednieuwe kunstvorm wilde uitvinden. Hij maakte Kandinsky-achtige schilderijen, die onder begeleiding van muziek bekeken dienden te worden. Dan zette hij zijn schilderij op een ezel, legde een plaat van Dizzy Gillespie of Perez Prado op de draaitafel en wees onderwijl met een aanwijsstok de details in het schilderij aan die met de muziek correspondeerden. In andere perioden van zijn leven was hij experimenteel filmer, dichter of muurschilder. Bij al zijn bezigheden werd hij achtervolgd door geldgebrek.

In de hippe kringen rond de universiteit van Berkeley, in de buurt van San Francisco, ontwikkelde hij zijn smaak voor benzedrine en marihuana. Later verhuisde hij naar New York, waar hij de beatdichters leerde kennen en Allen Ginsberg hielp bij diens plaatopnamen. Door zijn hang naar het mystieke werd hij de Paracelsus van het fameuze Chelsea Hotel genoemd - totdat hem wegens huurachterstand de deur werd gewezen.

Zijn liefde voor muziek vormt de rode draad door zijn omzwervingen. De eerste getuigenis ervan is een foto die in in 1941 verscheen in het tijdschrift The American Magazine: een bebrilde jongeman die met geluidsapparatuur in de weer is bij de jaarlijkse potlach van de Lummi-indianen.

In dezelfde tijd kocht hij bij het Leger des Heils in Seattle een opname van Fox and Hounds van de banjoman Uncle Dave Macon. Smith raakte voorgoed verslingerd aan de muziek uit de Amerikaanse smeltkroes, waarin alle genres elkaar een hand gaven: gospel, jazz, blues, hillbilly, cajun, cowboyliedjes, Ierse reels, Engelse balladen die in hun land van oorsprong al lang vergeten waren maar in de Appalachen nog voortleefden.

Boeken leende hij nog wel eens uit, zijn schilderijen gaf hij weg, maar platen waren zijn heiligste bezit. Smith verzamelde als een bezetene, en hij had daarbij de tijd mee. Winkels hadden tijdens de Tweede Wereldoorlog geen ruimte voor frivoliteiten als grammofoonplaten en klanten hadden geen geld om ze te kopen.

Smith was door zijn geringe lengte in staat in de romp van gevechtsvliegtuigen te klauteren, wat hem extra geld opleverde om in muziek om te zetten. Hij ging ver om zijn collectie te vervolmaken. Wat hij leende 'vergat' hij terug te geven, en vaak wist hij zijn vrienden ertoe te bewegen hun vlekkeloze exemplaar te ruilen voor zijn bekraste plaat. Waarom? Kennelijk omdat ze geloofden dat zijn verzameling een hoger doel diende.

Langzaam verfijnde hij de contouren van dat hogere doel: zijn eigen bloemlezing. De eerste stelregel: de opnamen moesten zijn gemaakt tussen 1927, toen de opnametechniek zodanig gevorderd was dat de muzikanten recht kon worden gedaan, en 1932, toen de Depressie de verkoop tot staan bracht. Want Smith zocht geen veldwerk van etnomusicologen; hij wilde commerciële 78-toeren platen, waarvoor het publiek bereid was geweest geld neer te tellen. Muziek die een rol had gespeeld in het leven van mensen.

Hij ordende niet naar geografische herkomst, niet naar instrumenten, niet naar jaar van opname. Hij maakte zelfs geen onderscheid tussen blank en zwart - zo kon het jaren duren voordat luisteraars achterhaalden dat Mississippi John Hurt helemaal geen hillbilly was, maar een zwarte muzikant.

De 84 opnamen die hij na eindeloos wikken en wegen goed genoeg had bevonden, verdeelde hij over drie sets van twee lp's: Ballads, Social Music en Songs. Op de Ballads staan de verhalen, soms grappig, vaker zo zwart als de nacht. Over de man die dronken thuiskomt en een ander in zijn bed vindt; over John Hardy die na een schietpartij in de gevangenis op zijn vonnis wacht; over de bollweevil die de katoenoogst verorbert.

Social Music is muziek om aan deel te nemen: virtuoos balkende vioolsolo's nodigen uit tot een rondedans, de cajun-accordeon vragen om de one step, stomps, whoops en jugs zijn er om bij in te haken. Op de keerzijde van de social music krijgen de over elkaar heen tuimelende stemmen van Sacred Harp Singers, congregaties, predikers, zusters en lekenkoren alle ruimte om de luisteraar weer tot inkeer te brengen.

DE SONGS tenslotte zijn persoonlijke getuigenissen. Muzikanten smeken dat hun graf na hun dood wordt schoongehouden, bezingen de voordelen van de ongehuwde staat, of verkondigen dat ze liever een mol in de grond of een salamander in de beek zouden zijn, zodat ze zich schuil kunnen houden voor de wilde mannen van het spoor.

De zes platen verschenen voor het eerst in 1952. Het was de tijd van de heksenjacht van McCarthy, voor solidariteit met de zwakkeren stond de wind verkeerd. Smith ging met zijn Anthology recht tegen de tijdgeest in. Zijn 84 liederen vormden het mozaïek van een archaïsch Amerika, waar de stemmen nog niet aan microfoons gewend waren, de teksten grimmmig en vreemd klonken, de instrumenten hard, de emoties fel en ongedempt. Muziek uit een land dat oneindig ver weg leek, maar toch op niet meer dan een generatie afstand lag. Veel van de muzikanten - John Hurt, Sleepy John Estes, Clarence Ashley - waren nog in leven en zouden later, met de folkrevival, voor het eerst van hun muziek kunnen rondkomen.

Het Smithsonian Institution, een overheidsinstelling die tien jaar geleden de catalogus van Folkways Records overnam, heeft de Anthology op een voorbeeldige manier heruitgegeven. De zes cd's zitten in een doos met daarbij een boekwerk met beschouwingen over en herinneringen aan Smith, en een facsimile van het Handbook dat bij de Anthology hoorde.

Dat Handbook is een verbazend boekje, eigenzinnig vormgegeven door Smith zelf, die ook de toelichtingen en verwijzingen schreef. De Ballads vat hij - vaak hilarisch - samen in de vorm van krantekoppen. Fatal Flower Garden wordt dan: 'Gaudy woman lures child from playfellows; stabs him as victim dictates message to parents.' Drunkards Special krijgt als kop: 'Wife's logic fails to explain strange bedfellow to drunkard.' Social Music en Songs becommentarieert hij met korte, scherpe notities. De afbeeldingen - grofkorrelige foto's of tekeningen van instrumenten uit oude gidsen van postorderbedrijven - vergroten de afstand in de tijd.

In zijn Handbook stelt Smith alvast deel 4, 5 en 6 van zijn Anthology in het vooruitzicht, die de ritmische veranderingen in de muziek tussen 1890 en 1950 zullen behandelen. Daarvan is het nooit gekomen. Geldgebrek dwong hem een deel van zijn collectie aan de bibliotheek van New York te verkopen, waarmee zijn verfijnde documentatiesysteem verloren ging.

Hij bleef zijn leven lang een geluidspionier, ondernam bizarre projecten als The study of Religion and Culture in the Lower East Side, of het vastleggen van alle geluiden die klinken op de 4th of July. In de jaren zestig grepen muzikanten als Bob Dylan en Jerry Garcia terug op zijn Anthology. Maar dat bracht hem geen welstand.

In 1990, een jaar voor zijn overlijden, kreeg hij een Grammy Award vanwege zijn verdiensten voor de Amerikaanse folkmuziek. Hij woonde toen op de Bowery, een verpauperd deel van New York. In een smoking zonder strik kwam hij zijn prijs halen. In zijn dankwoord zei hij blij te zijn dat hij lang genoeg had geleefd om mee te maken hoe de muziek van de armen eindelijk invloed kreeg op de Amerikaanse politiek. Inmiddels was hij zelf tot die armen gaan behoren.

Anthology of American Folk Music, edited by Harry Smith. Box van zes cd's met twee boeken. Smithsonian Folkways Recordings, import Bertus, ca. ¿ 200,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden