Stimuleer Nederlandse film

Boris van der Ham doet voorstellen om de Nederlandse filmsector, hoe succesvol die ook is, te versterken in zijn strijd tegen bureaucratie en zware concurrentie uit het buitenland....

De film Alles is Liefde maakt een zegetocht langs de bioscopen. Een film over Sinterklaas, relaties, twee mannen die in het huwelijk treden, een geëgaliseerd koninklijk huis, ontwapenende nuchterheid, en dit alles gefilmd tegen het decor van een sneeuwwit Amsterdam. Over Nederlandse identiteit gesproken! Hetzelfde geldt voor films als Simon, Zwartboek, jeugdfilms als Kruistocht in Spijkerbroek, animatiefilms en documentaires. Nederlandse films zijn van hoge kwaliteit, divers en succesvol, en trekken ook internationaal aandacht en vallen in de prijzen.

Er is dus veel potentie in de Nederlandse film. Toch worden filmmakers nog gehinderd door een gebrek aan continuïteit en een overvloed aan bureaucratische rompslomp. De grote Nederlandse publieksfilms moeten bovendien opboksen tegen grote Amerikaanse producties. Maar ook de eigenzinnige kleine films ontmoeten zware concurrentie in binnen- en buitenland. Vorige week debatteerde de Tweede Kamer over plannen dit te verbeteren. Marktpartijen zullen voortaan worden geprikkeld te investeren in films doordat de overheid 25 procent bijlegt, en ook de subsidieregeling voor publieksfilms wordt verbeterd. Dat is goed nieuws, maar er moet meer gebeuren.

Er moeten productiehuizen voor film komen. Vergelijkbaar met de al bestaande toneelproductiehuizen kunnen regisseurs, camera- en geluidsmensen, acteurs en schrijvers sneller een oeuvre opbouwen of een stroming ontwikkelen, terwijl het productiehuis de formele zaken afhandelt. Met deze aanpak, met een stevig budget, zal een grote stroom kleinere films worden afgeleverd. Buitenlandse ervaring leert dat uit zo’n aanpak regelmatig nationale en internationale successen voortkomen. Kwantiteit helpt kwaliteit.

De samenwerking tussen omroepen en filmmakers moet beter. Nu worden omroepen geprikkeld via het CoBofonds om voor een relatief klein bedrag in de productie van films te stappen, waar grote invloed tegenover staat. Voor de filmmakers werkt dat nu soms frustrerend omdat omroepen tot vrijwel niets worden verplicht, zelfs niet tot het leveren van publiciteit. Dat moet verbeteren. Naast publieke omroepen zouden ook commerciële omroepen en andere investeerders voortaan aanspraak moeten kunnen maken op fondsen als het Cobo en het Stifo. Dat stimuleert hoogwaardig tv-drama, waardoor er meer continuïteit ontstaat voor filmmakers waar de filmindustrie van profiteert.

Investeerders in film moeten maximaal kunnen profiteren van particuliere investeringen, cultureel beleggen en sponsoring. Zo krijgen de meer artistieke films ook een grotere koek te verdelen.

Er moet meer samenwerking komen tussen podiumkunsten, opleidingen en tv- en filmmakers. Professionele registraties of verfilmingen van succesvolle theaterproducties en samenwerking tussen schrijvers, regisseurs en acteurs dragen bij aan de ontwikkeling van het Nederlands drama. Op toneelscholen en kunstacademies moet meer aandacht komen voor film en tv.

Animatiefilmers moeten voor Nederland worden behouden. Door een gebrek aan opdrachten en financiële mogelijkheden verdwijnen veel talentvolle animatiefilmmakers naar het buitenland, terwijl deze filmsoort bij uitstek tot Nederlands exportproduct kan uitgroeien. Ook kan de groeiende Nederlandse game-industrie ervan profiteren. Hier kan het productiehuismodel uitkomst bieden.

Er moet een apart fonds komen voor de maatschappelijke documentaire. Het is voor opdrachtgevers en investeerders moeilijk in te schatten wat de waarde is van een documentaire voordat het journalistieke onderzoek is gedaan. Het is van democratisch en artistiek belang dat deze tak niet ontbreekt, temeer daar Nederlandse documentairemakers, als ze de kans krijgen, zeer succesvol zijn.

Naar Deens en Brits voorbeeld is het verstandig een Sectorinstituut film op te zetten die kleine en grote producenten helpt Nederlandse films in het buitenland te promoten. Voor binnenlands gebruik is het van belang dat er meer middelen komen voor de marketing van Nederlandse producties.

Tijdens de Nederlandse filmfestivals moet meer aandacht komen voor de meer commerciële films en tv-producties. Wellicht kan een nieuw festival daaraan bijdragen. Nu worden de verschillende doelgroepen niet goed benaderd door de sterke vermenging van verschillende soorten films.

De internationale filmfestivals in Nederland moeten versterkt worden. Door ingrijpen van de Tweede Kamer zijn de filmfondsen voor filmmakers uit ontwikkelingslanden maar net gered, maar internationaal vermaarde festivals als het Internationaal Documentaire Festival Amsterdam (IDFA) en het Rotterdams Filmfestival moeten meer armslag krijgen om wereldwijd de artistieke film onder de aandacht te brengen.

De afgelopen tien jaar is het marktaandeel van de Nederlandse film gestegen van een schamele 1 à 2 procent naar tussen de 10 en 15 procent. Dat is het gevolg van een succesvolle filmstimulering, mede bedacht door de onlangs overleden staatssecretaris Aad Nuis. De komende jaren kan de Nederlandse film die positie bestendigen en uitbouwen. Voorwaarde is dat er voluit wordt gekozen om zowel de experimenten en de commerciële films de ruimte te geven. Het talent ligt voor het oprapen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden