Stille tocht voor een dolle koe

EEN MAAND geleden verdween L.H. Wiener naar de kelder. Dat wil zeggen: een boekhandelares in Amsterdam-Watergraafsmeer besloot de jongste verhalenbundel van de Haarlemse schrijver te verwijderen uit de winkel....

Niet aaien, staat er op het omslag, pal onder de auteursnaam. Er zijn uitnodigender titels te bedenken. Misantropenjaren noemde Wiener de uitgave van zijn verzamelde verhalen, die in 1990 verscheen. Eveneens een titel die solliciteerde naar kelder en ramsj, waarin het vuistdikke boek inderdaad terechtkwam.

Ten onrechte. Lodewijk Henri Wiener (1945) bewijst het, tegen de klippen op, wederom. In Niet aaien staan de dierenverhalen die hij in een periode van ruim dertig jaar heeft geschreven. De eenzelvige leraar die in het merendeel van Wieners verhalen het woord voert, ondervindt alleen vriendschap van vogels, honden en vissen. Die zwijgende kameraden weten zich met hem te verstaan. In de Verantwoording achterin schrijft Wiener dat 'Balthazar', het eerste verhaal uit Niet aaien, oorspronkelijk 'Pleidooi voor ontroering' heette. Dat vindt hij inmiddels een te plechtige titel, en daar is iets voor te zeggen, hoewel de gesneuvelde woorden precies uitdrukken waar het Wiener in deze collectie om te doen is. De vijftien korte verhalen zijn stuk voor stuk pleidooien voor ontroering.

Waarmee direct is verdisconteerd dat het nogal meevalt met de misantropie die de verteller zichzelf belieft aan te meten. Schuw kan hij genoemd worden, dat wel, wantrouwig en met een rijke ervaring in teleurgesteld worden. Een mensenvijandige heremiet echter zou zijn hartelijke omgang met dieren nooit te boek stellen en aldus openbaar maken. Wiener schrijft dat hij niet met mensen kan of wil omgaan. Uit het feit dat hij door middel van verhalen de communicatie niettemin gaande houdt, kan worden afgeleid dat hij geen volbloed nurks is.

De jongen van 14 uit 'In 1959 waren het de vissen' wil ook een keer zo'n durfal zijn als zijn oudere broer, en zet een konijnenstrik in het Zandvoortse duinengebied. Hij is terug op huis aan als de wroeging groeit: 'Mijn voetstappen knarsetandden. Hoe lang deed een konijn er eigenlijk over om dood te gaan? In een strik dan. Ik wist het niet. Zou hij erg veel pijn hebben? Dat was wel zeker. De duisternis legde zich koud en blauw op de heuvels. In de verte ging het dorp aan. Ik begon te hopen dat ik niets zou vangen.'

Zelfs gras maaien valt mij zwaar, zegt de goedbloed die in 'Mee-eters zijn welkom' een teek toestaat zich eens in de drie dagen te voeden met 's baasjes bloed. Wiener schrijft louter autobiografische verhalen, heeft hij ooit in een interview verklaard. Al zou dat niet opgaan voor deze teekgeschiedenis: ze toont aan dat er niet lang gezocht hoeft te worden naar sentiment, milde humor en blanke pit bij deze dierenvriend. Door over zijn liefde voor de woordloze schepselen te schrijven, brengt hij zijn eigen kwetsbaarheid in kaart.

Nergens wordt de tranerigheid ongenietbaar. De jongen die in 'Snoek' een flinke vangt en huiswaarts fietst, begint te twijfelen als hij in de fietstas snoekgeluiden hoort. Thuis onderneemt hij weer verwoed pogingen het beest in leven te houden. Hij is niet aandoenlijk omdat zijn oom Kornelis in een onbewaakt moment korte metten maakt met de vis. De aandoenlijkheid wordt opgewekt door de acht ingehouden pagina's die Wiener voor dit minidrama uittrekt. Hij maakt de gebeurtenis niet groter dan ze was - dan zou hij potsierlijk worden -, maar laat voelen wat de kille moord op de snoek betekende voor de jongen.

Degenen die Wiener als een solitaire somberman willen blijven zien, moeten 'Dolle koe dendert door Haarlem' lezen, om te genezen van hun vooroordeel. De opening moet voldoende zijn: 'Op vrijdagmiddag 22 maart 1991, toen ik na het laatste uur het Prinsenhof betrad, begaf een door angst voortgedreven koe zich de stad in. In de Gierstraat kwamen we elkaar tegen.'

Volgt een fraaie anekdote over de losgebroken koe, de kluchtige achtervolging door de politie en de minder lachwekkende wijze waarop het panische dier werd afgemaakt. Na lezing van het berichtje in het Haarlems Dagblad van de volgende dag, besluit Wiener tot een stille tocht op de stille zondagmorgen. De route eindigt op de plek des onheils.

Al deze verhalen zijn stille tochten. Niet hemelbestormend, niet spectaculair, wel verzorgd en lezenswaard. Veel te goed voor de kelder. En om ook nog die mensen over de streep te trekken die uitsluitend aan een boek willen beginnen als ze verzekerd zijn van een happy end: het laatste verhaal uit Niet aaien heet 'Ochtendwandeling met Arend'.

Hierin komt een sprookjesachtige steenarend voor. Maar de titel slaat ook nog ergens anders op. De man van bijna 50 die de grandioze vogel aanschouwt, wandelt namelijk niet in zijn eentje. In een buidel voor zijn buik draagt hij zijn zoon van zeven maanden met zich mee. Arend is de naam.

Arjan Peters

L.H. Wiener: Niet aaien - De dierenverhalen.

Contact; 152 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 254 2224 1.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden