InterviewStefan Hertmans

Stefan Hertmans: ‘Je kunt de waarheid verzinnen’

Hoe schrijft de schrijver? Natuurlijk heeft Stefan Hertmans van alles verzonnen in zijn nieuwe roman De opgang, over de SS’er die ooit zijn huis in Gent bewoonde. Maar dat is juist wat het zo echt maakt. 

Stefan Hertmans: ‘Onbewust hield ik die SS’er buiten de deur. Zijn schaduw was me te zwart. Zijn wereld een wespennest. Maar naarmate de tijd vorderde, merkte ik dat ik hem niet kon vermijden.’Beeld Siska Vandecasteele

Het is allemaal begonnen met het verhaal van een huis. Niet het moderne, zelfgebouwde huis waarin Stefan Hertmans De opgang schreef, met uitzicht over de groene heuvels rond Brussel, en waar de blauwe regen bloeit aan het balkon van zijn werkkamer. Nee, het begon met het oude, vervallen huis in het Patershol in Gent, dat de jonge schrijver in 1979 in een opwelling kocht – en waar hij twintig jaar zou blijven wonen.

‘Ik heb altijd een zwak gehad voor de geur van vocht en verval in oude huizen’, schrijft Hertmans in zijn roman. ‘Misschien omdat ik als kind, niet lang na de oorlog geboren, aan de hand van mijn moeder nog langs dergelijke door bombardementen beschadigde huizen moet hebben gelopen en de geur van vochtige steen en schimmel voor mij zoiets is geworden als het beroemde madeleinekoekje van Proust. Wanneer je kind bent en nog zonder herinnering, vormt zelfs de geur van verval een bron van geluk.’

Wanneer besloot u het verhaal van het huis te schrijven?

‘Al vanaf het moment dat ik Gent verliet, in 1999, omdat mijn vrouw Sigrid Bousset de grote stad miste waar ze was opgegroeid. Ik wilde mijn herinneringen aan het huis vastleggen. Aan wat zich er allemaal had afgespeeld in de jaren tachtig en negentig. Vrienden, liefjes, tragedies. Ik had de buurt zien veranderen van volks en vervallen naar hip en trendy. Aan zo’n boek als La casa della vita, Het huis van het leven van Mario Praz, ben ik ook begonnen, maar daar schiet inmiddels geen tien procent van over. Ik heb wel vijf versies geschreven. Ik heb gevloekt op dit boek als nooit tevoren.’

Wat is er wél overgebleven van het oorspronkelijke boek?

‘De idee van de danteske opgang: de notaris die het me verkocht leidde me als een soort Vergilius over de vermolmde trappen van het huis, door de verstofte kamers. We gaan van kelder tot zolder, een umana commedia, een opgang, maar hoe hoog we ook stijgen, er is niets is te vinden. Er is geen antwoord.’

Nou, niets te vinden…

‘Geleidelijk aan heeft de geschiedenis van de vorige bewoner alles verdrongen. Ik wist dat in mijn huis aan het Drongenhof in Patershol een nazi had gewoond: ene Willem Verhulst. Op bladzijde 40 van Zoon van een «foute» Vlaming, de memoires van een oud-professor geschiedenis van wie ik nog les heb gehad, Adriaan Verhulst, was ik mijn naam tegengekomen als de huidige bewoner van het huis van zijn jeugd.

‘Onbewust hield ik die SS’er buiten de deur. Zijn schaduw was me te zwart. Zijn wereld een wespennest. Maar naarmate de tijd vorderde, merkte ik dat ik hem niet kon vermijden. Steeds luider klonk het in mijn hoofd: Stefan, zou je niet eens uitzoeken wat er tijdens de Duitse bezetting precies in je huis is gebeurd? Er was iets dat schreeuwde om verteld te worden.’

U zocht het verhaal niet, het verhaal zocht u.

‘Het is nu al de derde keer op rij dat me dat is overkomen. In het geval van De bekeerlinge, mijn vorige roman uit 2016, kreeg ik van iemand uit Monieux, het dorp in de Provence waar wij een huis hebben en de zomers doorbrengen, een wetenschappelijk artikel over een christelijke jonkvrouw uit de 11de eeuw die haar leven waagde uit liefde voor een joodse jongen. Zij waren in mijn eigen dorpje geweest! Ik zag ze als het ware naderen in de vallei onder mijn venster. Ik besloot het spoor van de bekeerlinge te volgen.’

En in het geval van Oorlog en terpentijn, uw bestseller uit 2013?

‘Dat begon toen mijn grootvader me de cahiers gaf waarin hij zijn ervaringen als frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog had opgetekend. Op zijn sterfbed, mijn hand op zijn koude hoofd, heb ik mijn grootvader beloofd: ik ga je verhaal schrijven.

‘Pas jaren later, nadat ik was gestopt met lesgeven aan de hogeschool van Gent, heb ik de schriften echt gelezen. Ik wilde vrij zijn voor ik me daaraan zou zetten. Toen ik erin begon, werd ik erdoor verpletterd. Mijn god! Ik dacht dat ik alles over hem wist, maar eigenlijk kende ik hem niet. Ik was tot tranen toe bewogen.

‘Toch dacht ik, toen ik die cahiers zat uit te tikken op mijn oude Dell-computer: dit wil geen hond lezen. Het is te ouderwets Vlaams, te omslachtig. Ik werd bevangen door een loyaliteitsprobleem: hoe blijf ik de belofte aan mijn grootvader trouw? Dat kon maar op één manier: door mezelf in het verhaal te brengen.

‘Ik schreef mijn verste herinnering aan mijn grootvader op. Ik zag hem voor me op het strand van Oostende, in zijn nachtblauwe pak, mijn strandschepje in zijn hand – en hup, daar ging ik. Het verhaal ging open.’

Een portret van Hertmans, geschilderd door zijn grootvader.Beeld Siska Vandecasteele

Wat zo bijzonder is aan Oorlog en terpentijn – en datzelfde procedé volgt u ook in De bekeerlinge en De opgang – is het vertelperspectief, de wijze waarop u uzelf in het verhaal brengt. U beschrijft niet alleen uw persoonlijke zoektocht, maar komt uw personages ook in het verleden nabij.

‘Don DeLillo heeft gezegd: ‘The contemporary writer has become the journalist of his own characters.’ Je moet niet boven je personages gaan staan, zoals Thomas Mann deed. Nee, je moet als schrijver tussen hen in gaan staan.

‘Als je dat doet, ontwikkel je plots een boel mogelijkheden die je niet hebt wanneer je de God-Schrijver bent. Je zou denken: die heeft alle touwtjes in handen. Maar ik heb ontdekt dat dat niet waar is. Het kan ook anders.’

U ziet er daarbij niet tegenop om de historische waarheid naar uw hand te zetten.

Hertmans lacht. ‘Never trust a writer, zei Nabokov. De dag dat ze de cahiers van mijn grootvader zullen kunnen lezen, zullen ze over me zeggen: de smiecht.

‘Mijn grootvader beschrijft terloops dat hij ’s morgens wakker wordt en het water in de polders ziet naderen. Dat is een historisch moment in de Eerste Wereldoorlog. Duitse troepen trokken plots dwars door België heen, omdat zij Parijs vanuit het noordwesten wilden aanvallen. Ze sneden zo één klein stukje België af.

‘Daar, in Nieuwpoort, draaide de sluiswachter Karel Cogge ’s nachts de sluizen open toen het vloed werd, bleef in zijn bootje in het riet zitten en sloot de sluizen ’s morgens weer, zodat het water niet terugkon. Dit deed hij een paar nachten achter elkaar en zo zette hij de polders blank. Het eerste grote technologische leger uit de geschiedenis, dat van de Duitsers, zonk weg in de modder.

‘Mijn grootvader vermeldt het opkomende water in één droog zinnetje, maar ik heb er in de roman – sorry dat ik het zelf zeg – een onvergetelijke scène van gemaakt. In de schemer komt een massa honden, konijnen, katten, wezels, bunzingen en ratten, de snuiten net boven de waterlijn, als een onwerelds leger de rivier overtrekken, met hun gevoelige snuiten talloze driehoeken trekkend in het gladzwarte wateroppervlak.

‘Zo moet het geweest zijn! Natuurlijk heb ik van alles verzonnen. Maar ik heb verzonnen om het echt te maken. Dat is de kern van literatuur.’

Stefan Hertmans: ‘Willem bleek uiteindelijk vatbaar voor de verkeerde ideeën. Je kunt eigenlijk niet begrijpen waarom hij doet wat hij doet. Dát blijft aan je ribben plakken.’Beeld Siska Vandecasteele

Heeft het eclatante succes van uw vorige twee boeken de kracht van uw methode bewezen? Van Oorlog en terpentijn zijn inmiddels meer dan 250 duizend exemplaren verkocht, de roman is in 26 landen vertaald.

‘Je kunt succes niet afdwingen. Al heeft de geweldige internationale respons me wel moed gegeven. Maar ik ben nooit geïnteresseerd geweest in the well written novel. Al mijn romans trokken aan het genre. Naar Merelbeke is de vertelling van een leugenaartje. Het verborgen weefsel is een soort dagboek van een Jellinek-achtige vrouw. Als op de eerste dag is een roman in verhalen. Ik heb altijd geduwd tegen de grenzen van de klassieke roman.’

De opgang lijkt een tweeluik te vormen met Oorlog en terpentijn, in methode en stijl. Na de Eerste Wereldoorlog is nu de Tweede Wereldoorlog aan de beurt.

‘De boeken reiken elkaar de hand. Je ziet Willem Verhulst in de kroegen zitten, terwijl mijn grootvader in de loopgraven zit. De goede lezer beseft dat wel. De jonge Verhulst doet alsof hij niet goed weet wat zich in de Eerste Wereldoorlog heeft afgespeeld. De lezer weet: Stefans grootvader stond daar doodsangsten uit.’

Zijn de oorlogen te vergelijken? Voor de Nederlander is ‘de oorlog’ de Tweede Wereldoorlog. Voor de Belg is ‘la Grande Guerre’ de Eerste Wereldoorlog.

‘Het is zelfs zo dat voor de Vlaming de Tweede Wereldoorlog een voortzetting is van de ellende uit de Eerste. Door alles heen speelt de cultuurstrijd in België. Paul van Ostaijen was een Vlaamse activist, die de splitsing van België nog voor zich zag. Toen had dat streven nog een emancipatorisch-progressieve kant. Vlamingen streden een terechte strijd tegen de onderdrukking van het Nederlands in Franstalig België.

‘Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de meeste soldaten Vlamingen, de legerleiding overwegend Franstalig. De Vlamingen waren vaak nogal koningsgezind, de Walen republikeins. Nu is dat omgekeerd. De verbittering van een aantal collaborateurs uit de Eerste Wereldoorlog is in de jaren dertig gaan woekeren. Uit flamingante frustratie is collaboratie ontstaan met het naziregime. Je kunt dus niet zomaar een Nederlandse NSB’er vergelijken met een Vlaamse collaborateur.’

Beeld Siska Vandecasteele

Gold het Vlaamse nationalisme als excuus voor collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog?

‘Daders stelden zich voor als slachtoffers. Dat Vlamingen een belangrijke rol in de oorlogsindustrie van de fascisten hebben gespeeld, is vaak ontkend. Maar inmiddels heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat er Vlamingen zijn geweest die aan het oostfront hebben gestreden en gewerkt in de concentratiekampen. Wat hadden zij daar te zoeken als het ze alleen te doen was om het lot van Vlaanderen?

‘Anderhalf jaar geleden heeft onze eigen minister-president, Jan Jambon, het in een interview met La Libre Belgique gepresteerd te zeggen, toen hem werd gevraagd hoe het zat met die collaboratie in Vlaanderen: ‘Ils avaient leurs raisons.’ Ze hadden wel hun redenen. Een politiek schandaal! Tot op de dag van vandaag woekert dat.’

Zag u er niet tegenop om u in deze giftige politieke kwestie te mengen?

‘Ik dacht: als ik ook maar één historisch foutje maak in mijn roman, springen ze in mijn nek en roepen dat het allemaal gelogen is. Er zijn nog altijd negationisten. Toch wil ik niet gedoodverfd worden als iemand die een tendentieus boek heeft geschreven. Ik veroordeel niet. Ik laat het leven zien van een door de oorlog verscheurde familie.’

Brieven die Hertmans heeft gebruikt voor zijn research.Beeld Siska Vandecasteele

Willem Verhulst verdedigde zich na de oorlog voor zijn misdaden door te zeggen dat hij niets verkeerd had gedaan, maar zich louter had ingezet voor Vlaanderen.

‘Een gotspe. Hij is er ongelofelijk goed vanaf gekomen. Hij werd ter dood veroordeeld, de straf werd omgezet in levenslang, in 1953 was hij op vrije voeten en twee jaar later reed hij alweer in een mooie Mercedes rond. En maar klagen over die Belgische staat.’

Zijn u tijdens het onderzoek naar Verhulst de schellen van de ogen gevallen?

‘Het is verbijsterend wat ik de afgelopen jaren bij elkaar heb gesprokkeld. Ik kwam erachter dat zijn zoon, de nauwgezette professor geschiedenis, die in de titel van zijn boek het woordje ‘fout’ tussen Duitse aanhalingstekens liet zetten, nooit inzage had gevraagd in de gerechtelijke dossiers. Kennelijk kon hij de waarheid niet onder ogen zien. Dat begrijp ik ergens ook wel. Toen ik mijn boek begon te schrijven, was Adriaan Verhulst al overleden. Een van zijn zussen, Letta, inmiddels hoogbejaard, gaf mij toestemming om de gerechtelijke dossiers in te zien. Bovendien gaf zij me de dagboeken van haar moeder Mientje, een zachtmoedige, protestantse Nederlandse.’

Verhulst ontwikkelde zich in stilte van flamingant tot een V-man, een spion voor de Sicherheitsdienst.

‘Als de SS in Vlaanderen niet de kans had gehad om alles te verbranden en we hadden de lijsten van Verhulst kunnen lezen, welke namen hadden daar dan ingestaan? Hij was wat Hannah Arendt een Schreibtischtäter noemde. Een bureaumisdadiger. Zijn vrouw Mientje en de kinders hield hij er veelal buiten. Zijn kleinkinderen, heel lieve mensen, overtuigde humanisten, zeiden tegen mij: ‘Hij was zo’n lieve opa.’

Kan het samen?

‘Omdat het samen kan, is het stof voor een roman. Als Verhulst alleen maar een Hollywood-nazi was geweest, dan had hij me lang niet zo geïntrigeerd. Ik hoop dat de lezer op momenten sympathie voor hem zal voelen.’

U schrijft zelfs, lang nadat u hebt verteld wat hij allemaal op zijn kerfstok heeft, dat u graag een sigaretje met hem had gerookt.

‘Ja, dat was toen ik ontdekte dat hij als jongeman tuinier had willen worden van keizer Wilhelm in Doorn. Dat ontroerde mij. Verhulst was in de jaren dertig geporteerd van Walden van Frederik van Eeden en van de ideeën van Kees Boeke. Wie had dat gedacht? Hij was een non-conformistische jongen, die op zoek was. Als je een foto van hem ziet uit de jaren twintig, met die mistige bril en z’n lange haren: net Neil Young. Het had misschien anders kunnen lopen. Maar Willem bleek uiteindelijk vatbaar voor de verkeerde ideeën. Je kunt eigenlijk niet begrijpen waarom hij doet wat hij doet. Dát blijft aan je ribben plakken.’

Zijn vrouw Mientje weet het ook niet.

‘De daden van haar man zorgden óók voor een huwelijksdrama. Hij keerde zich van haar af, bedroog haar met een jonge fasciste. En Mientje weerde het kwaad uit het huis. Hun dochter Letta vertelde mij terloops dat haar moeder de mooie voorkamer beneden met de prachtige stenen schouw ‘de dodenkamer’ noemde. Mientje dwong Willem om daar zijn zwarte uniform uit te trekken, zodat zijn kinderen hem er niet in zouden zien.’

In die kamer laat u Willem, die aan één oog blind is, per ongeluk een kalkstenen buste van Hitler op de schouw aan stukken schieten. Bij het oppoetsen van zijn pistool met terpentijn.

‘Ik heb zitten schateren tijdens het schrijven van die scène. Mijn grootvader hield zijn handje vast. Ik heb ook uitgezocht wie de buste van de Führer heeft gemaakt en kwam tot mijn verrassing uit bij een bevriende beeldhouwer, Koenraad Tinel. Zijn vader had ’m gemaakt.’

Stefan HertmansBeeld Siska Vandecasteele

Soms verbrijzelen de feiten de fictie.

‘Maar het kan ook omgekeerd! Ik vroeg me af: welke verzetslui in Gent zouden op de lijsten van Verhulst hebben gestaan? In mijn onderzoek stuitte ik op de naam Omer De Ras. Straffe kerel. Teruggekeerd uit Buchenwald.

‘Ik dacht: ik laat Omer De Ras Willem Verhulst tegenkomen op straat. Want ik had van de dochters van Verhulst gehoord dat hij bang was, naarmate de oorlog vorderde, om door de arbeiderswijk het Patershol te lopen. In 1943 waren de geallieerden aan de winnende hand, de oorlog was aan het kantelen. Het verzet werd heftiger. De Brusselse burgemeesters weigerden Joden aan te geven. Het begon te borrelen in België. Het is heel waarschijnlijk dat De Ras Verhulst op straat zou hebben toegesist: ‘Stukske fascist. Smeerlap. Mestkever.’

‘Deze lente was De opgang gereed. Ik stuurde het manuscript aan een goede vriend van mij, Herman Balthazar, oud-gouverneur van Oost-Vlaanderen, stammend uit een familie van goedburgerlijke socialisten. Een paar dagen later stuurde hij me een geëmotioneerde brief: ‘Dat je mijn stiefvader, Omer De Ras, hebt opgeduikeld… Hij is aangegeven, verraden, maar we wisten nooit door wie. Tot nu.’’

Toen wist u dat u goed zat.

‘Je kunt de waarheid verzinnen.’

Wie is Stefan Hermans?

Stefan Hertmans (Gent, 1951) is auteur van een omvangrijk literair oeuvre, waarvoor hij in binnen- en buitenland is onderscheiden. Hij publiceerde poëzie, romans, essays, theaterteksten en korte verhalen, doceerde jarenlang aan de Hogeschool Gent en was gastdocent aan universiteiten over de hele wereld. Hertmans, die altijd gold als een scherpzinnige, intellectuele writer’s writer, brak in 2013 door bij het grote publiek met Oorlog en terpentijn, een fascinerende mengeling van historische roman en autobiografie. Het boek werd bekroond met de AKO Literatuurprijs, de Vlaamse Cultuurprijs voor de Letteren, de Prijs Lezersjury Gouden Boekenuil en De Inktaap, en was genomineerd voor de Man Booker International Prize. Inmiddels zijn er meer dan 250 duizend exemplaren van verkocht, de roman is in 26 landen vertaald. Ook De bekeerlinge (2017) was een groot internationaal succes. De opgang zal, net als zijn twee voorgangers, onder meer verschijnen bij Hanser Verlag in Duitsland, Gallimard in Frankrijk en Alfred A. Knopf in de Verenigde Staten.

Stefan Hertmans: De opgang. De Bezige Bij; 440 pagina’s; € 24,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden