Steden in groeispurt vastgelegd door Breitner, Israëls en collega's

Ze konden elkaar niet luchten of zien, maar vulden elkaar prachtig aan. Het stadsleven van Tachtigers George Hendrik Breitner en Isaac Israëls, en collega's, is nu te zien in Den Haag.

Isaac Israëls, Kinderen in het Oosterpark, (c. 1892-1896).Beeld Particuliere collectie

Andere tijden, ander zeer: George Hendrik Breitner, schilder van beroep, en zijn onderbuurman, Isaac Israëls, ook schilder, hadden ruzie. Dat was in 1886, aan het Amsterdamse Oosterpark. De animositeit kende een reden, een vrouw, ene Cora, gelegenheidsmodel. Op een dag zou ze voor Breitner (29) komen poseren, maar de schilder, verstrooid als altijd, vergat de afspraak, en eenmaal huiswaarts gekeerd viel er op zijn stoep van alles en nog wat te zien, maar geen Cora. Die zat namelijk binnen. Bij Israëls (21). En daar zou ze nog regelmatig terugkeren.

Vond Breitner niet leuk.

Vond Breitner he-le-maal niet leuk.

Sindsdien had hij het land aan zijn onderbuurman en dat was wederzijds, en toch ook weer niet: Israëls bewonderde Breitner namelijk. Sterker: hij keek zeer tegen hem op. Wanneer hij Breitners werk zag, kon hem de lust tot tekenen vergaan. Hij schreef daarover: 'Het is toch een verdomde geschiedenis dat ik juist met die kerel die ik zoo noodig had nooit heb kunnen opschieten maar enfin er is niets aan te doen. Ik krijg van zijn werk altijd een opdonder, als iemand die ineens iets begrijpt, dat heel eenvoudig was.' Het eigenaardige aan de kwestie is dat er sprake leek van wederzijdse jalousie de métier: beide schilders beschouwden zichzelf vermoedelijk als de zwakkere broeder. De tentoonstelling Rumoer in de stad in het Gemeentemuseum toont ze zij aan zij.

Die tentoonstelling is een vervolg op een presentatie uit 2015, Holland op z'n mooist. Dat was een puntgaaf exposé, slim verteld en zorgvuldig vormgegeven, waarin betoogd werd dat de schilders van de Haagse School in de tweede helft van de 19de eeuw het vaderlandse polderland als onderwerp herontdekten, en zo internationaal het beeld van Nederland als land van molens en koeien bestendigden. De huidige tentoonstelling is in zekere zin het negatief van die illustere voorganger: we zijn een paar decennia verder, de heren van de Haagse School zijn oud nieuws en de nieuwe generatie (Breitner, Van Looy, Israëls, Meiners, Veth, Tholen, Witsen, Karsens enzovoort), het slootkanten en knotwilgen moe, zoekt vers materiaal om te schilderen en vindt dat in de als kool groeiende steden: Den Haag, Rotterdam en, vooral: Amsterdam. Geen kwelsloten en eendenkorven, maar trams en temeiers. Vandaar: Rumoer in de stad.

Tekst gaat verder na de illustratie.

Rumoer in de stad. De schilders van Tachtig

Gemeentemuseum Den Haag, 14 april 2017 t/m 05 november 2017

Catalogus bij de tentoonstelling: Rumoer in de stad. De schilders van Tachtig
WBOOKS, euro 27,95

George Hendrik Breitner, De Dam (De Nieuwe Kerk in Amsterdam), 1891.Beeld Singer Museum Laren

Goed gemaakte en verrassende expositie

Het is een goed gemaakte en soms ook verrassende expositie met niet al te veel usual supsects. Er zijn een paar ontdekkingen: zoals het gemoedelijke slachthuisje van Tholen (zijn dat varskensblazen, daar aan het dak?), en dat merkwaardige, in gloedvol tegenlicht geschilderde zelfportret van Witsen. Ook zijn enkele zeer fraaie een-tweetjes tussen fotografie en schilderkunst te zien. Bij dat laatste kunt u denken aan Israëls indrukwekkende jeugdwerk De begrafenis van een jager (1882), dat hier wordt begeleid door de voorbereidende tekening, én een brief met daarin een schets van die tekening, én ook nog eens een briefkaart van een gelijkwaardig tafereel. Zulke verdubbelingen tillen een expositie uit boven het niveau: oude plaatjes aan de muur. Rumoer in de stad kent er meerdere.

Een titel die de lading overigens maar ten dele dekt. Rumoer in de stad had net zo goed kunnen luiden: Stilte in de stad. Of, teerhartiger: De verstilde stad. Zij toont de dynamische en jachtige kant van de oude metropool (paardentrams!), maar ook de verlatene, de melancholieke. Terecht. Witsens nevelige kades en Karsens stoombootje in de mist belichamen het Amsterdamse evenzeer als de tingeltangelkelders en de straatmadelieven van hun meer mondaine en luidruchtige collega's. Amsterdam, toont de expositie overtuigend, had vele gezichten, goed, slecht en lelijk.

De stad beleeft een groeispurt

De stad beleefde in de tweede helft van de 19de eeuw een groeispurt. Binnen enkele decennia verdubbelde haar inwonertal van een luttele 224 duizend naar een half miljoen, een toename die gepaard ging met verschuivingen in de industriële, recreatieve en ook culturele infrastructuur. Woonwijken als de Pijp en de Dapperbuurt werden uit de grond gestampt, bouwkundige kroonjuwelen (het Centraal Station, het Rijksmuseum, het Concertgebouw) verrezen. De consumptiecultuur kwam op gang. Op het Leidseplein, in het hoekpand waar nu de Apple-store zit, opende het Belgische modehuis Hirsch & Cie een Hollands filiaal; op de Nieuwendijk vergaapte het koopvolk zich aan etalages met echt elektrisch licht. Dat was de zonnige kant van de groei.

De minder zonnige kant was die van de woekeraars met hun doorgeblazen krotwoningen; van bedompte kamers waar families van tien samenhokten, zonder stromend water en sanitaire voorzieningen; van de armoede en de uitbuiting. In de waskaarsenfabriek aan de Boerenwetering sjouwden jonge vrouwen voor een hongerloon met bakken hete stearine, vaak 36 uur achteraan.

Tekst gaat verder na de illustratie.

George Hendrik Breitner, Heiwerk aan de Van Diemenstraat, 1897.Beeld Particuliere collectie

Amsterdam, sin city, waar de grachten stonken en de motregen immer neerdaalde: de schilders van Tachtig vonden er hun onderwerpen op straat. Hun werk maakt op de moderne kijker een nogal sombere indruk. Uitzonderingen daargelaten is het donker, morsig, grauw en grijs. De mensen hebben de kleur van afwaswater; de huizen hebben de kleur van afwaswater; de luchten hebben de kleur van afwaswater; alleen het afwaswater heeft niet de kleur van afwater; dat heeft de kleur van vuile sneeuw, die weer de kleur heeft van zwavel - enfin, u heeft een indruk. Die grauwheid had weinig te maken met unieke meteorologische gesteldheden, de zon zal destijds heus weleens geschenen hebben. Een uitzondering daargelaten werkten de Tachtigers in een tonaal palet, dat wel iets, maar ook weer niet zo gek veel verschilde van de vijftig tinten grijs van de mannen van de Haagse School (grijs werd vaak bruin, meer niet). Derhalve zien hun steden er vaak uit alsof ze schuilgaan onder een 'sluier van gestaag neerdalend nat'.

Ook bij Israëls en Breitner. U weet wel: buurman en buurman. Beiden woonden eerder in Den Haag (hoewel Breitner van oorsprong Rotterdammer was) en waren naar de stad gekomen om aan de Rijksakademie bij de progressieve schilder August Allebé schilder- en tekenles te volgen. Breitner en Israëls hadden nog iets gemeen: de rol die zij als kunstenaars wensten te spelen. Die had socialistische trekken: schilders van het volk zouden zij zijn. Zij wensten verslag te doen van het stadsleven in al haar schitterende lelijkheid , en dat vonden zij niet thuis, bij de kachel, maar in de afbraakbuurten en fabriekshallen. Het was daar, tussen de werkmannen en de koffiepiksters, dat ze hun schetsboeken vol tekenden. Tekeningen uit de onderwereld, zoiets.

Tekst gaat verder na de illustratie.

Isaac Israëls, Koffiepiksters, 1886.Beeld Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam

Verschillende benaderingen

Hun benadering was heel verschillend. Israëls was de betere tekenaar van de twee. Al wat hem voor de neus kwam - dames in het theater, spelende kinderen op straat, arbeidersvrouwen in de fabriek - vereeuwigde hij met fabelachtig gemak. Zijn figuren stonden altijd stevig in het vlak. Zijn tekenhand, een zwierige, vliedende hand, haperde zelden. De eerlijkheid gebiedt te bekennen dat die tekeningen waarschijnlijk het beste waren wat Israëls maakte; beter dan zijn schilderijen. Die laatsten - winkelend publiek, gezinnen op bankjes - zijn kundig, maar schetsmatig, veredelde voorstudies. Er spreekt een haast uit die gemakkelijk voor gemakzucht kan doorgaan. Alsof Israëls wel kon, maar niet zo nodig hoefde.

Bij Breitner heb je dat gevoel nooit. Die was één groot willen. Er zit iets hoekigs en ook verbetens in de schetsen die hij maakte van paarden en sloopwijken. Het kwam hem allemaal niet aanwaaien en dat zie je, maar zijn dispositie werd een voordeel: al zwoegend bewerkstelligde Breitner een niveau van sfeer, of beter: atmosfeer, die Israëls nimmer bereikte. In de tentoonstelling in Den Haag zijn daar schitterende voorbeelden van te zien. Mooi is Breitners gezicht op de kruising van de Reguliersgracht en de Keizersgracht, een schilderij dat met zijn vlammend oranje lindebomen tegen een grijze lucht de herfst toont als ware het de lente. Eveneens mooi zijn de dienstbodes in het donker op een Amsterdamse brug - de gracht slechts gesuggereerd door het lantarenlicht dat op het water valt. Werkelijk magistraal zijn Breitners impressies van de Dam, met zijn krantenhuisje, natte paarden en passerend werkvolk, een ware hindernisbaan voor je ogen, en van het Rokin, gezien vanuit Arti, de gevels ongelijkmatig als een rot gebit.

Tekst gaat verder na de illustratie.

De Breitner en Israëls van de jaren zeventig: Ed van der Elsken. Beethovenstraat, Amsterdam (1967).Beeld Ed van der Elsken

Breitner was de eerste en de laatste in zijn soort. Tegen de tijd dat hij stierf was het tekenboek al hard op weg verdrongen te worden door de rap gebruiksvriendelijker wordende fotocamera. De ironie wil dat deze trend een flinke zwengel kreeg door niemand minder dan Breitner zelf. Het waren namelijk zijn als voorstudie gemaakte snapshots die het Amsterdamse stadsgewoel als geen ander wisten te vangen. Met zijn bewogen, vaak schots-en-scheve foto's zette Breitner de standaard voor de straatfotograaf in zijn huidige, roofdierachtige hoedanigheid. Daarna volgden Jacob Olie, Ed van der Elsken, Otto Snoek en, recenter, de amateur gewapend met een smartphone en een Instagramaccount.

Apenkoets

Het verleden is een ander land en dat land, zo laat de tentoonstelling in Den Haag zien, kent merkwaardige beroepen met niet minder merkwaardige namen. Koffiepiksters, bijvoorbeeld: vrouwen die in de koffielezerijen de koffiebonen controleerden op slechte exemplaren. Of waspitten: vrouwen die waskaarsen maakten in de Koninklijke waskaarsenfabriek. Geen beroep, wel een leuk woord: de apenkoets. Een fenomeen uit Den Haag: koetsen die een voorloper waren van de taxi en die vaste standplaatsen hadden. Hun naam dankten ze aan de opvallende kleding van de koetsiers (aapjes).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden