Stappen tellen

Het Van Abbe Museum toont een overzicht van het werk van Stanley Brouwn, de raadselachtige beeldend kunstenaar die zijn imago nauwkeurig bewaakt en zich uitput in het meten van de stappen die hij zet....

ij geeft geen interviews, verschijnt nooit op openingen en laat zich niet Hfotograferen. Afbeeldingen van het werk zijn schaars. Het liefst zou hij alles wat er over hem is gepubliceerd uit de bibliotheken halen en verbranden. Precies zoals hij zelf al het vroege werk heeft vernietigd.

Stanley Brouwn (Paramaribo, 1935) is by far het grootste enigma binnen de Nederlandse beeldende kunst. En dat komt niet alleen omdat hij elk museum waar hij exposeert verboden heeft biografische gegevens over hem te verstrekken. Of omdat slechts weinigen het aandurven zijn toorn te weerstaan en uitspraken van hem te publiceren (ze zijn inderdaad spaarzaam). Het komt ook door zijn werk zelf. Wandelen, lopen, stappen zetten, met in de ene hand een meetlint en in de andere een 'stappenteller' – het houdt hem al meer dan veertig jaar bezig.

Reden voor het Van Abbemuseum om over zijn oeuvre een overzichtstentoonstelling te organiseren, over de periode 1960-2005. Of dat enig inzicht zal verschaffen moet ernstig worden betwijfeld. Er waren immers in het verleden tentoonstellingen waarbij er van zijn werk niets meer te zien was dan een wit geschilderde boekenkast, waarin een paar flinterdunne catalogi lagen, samengesteld en onder strenge controle van de kunstenaar zelf.

Andere exposities lieten stroken papier zien, waarop langs een lineaal de lengte van een meter of de maat van een voet zijn getrokken. Opgeslagen boekjes waarin Brouwn zijn afgelegde en gemeten afstanden heeft getypt. Kubussen van verschillende, al dan niet gestandaardiseerde afmetingen. Een archiefkastje met drie laden, waarin respectievelijk 864, 860 en 863 kaartjes zitten met de vermelding '1 mm' – een verwijzing naar drie stappen die de kunstenaar op deze wereldbol achterliet, en die hij in al zijn historische besef heeft willen vereeuwigen. Stanley Brouwn als de Neil Armstrong van de kunst: 'It's one small step for a man, but a giant leap for mankind'.

Is de man gek? Maniakaal? Panisch voor chaos? Een dolgedraaide archivaris? Of een wandelaar met smetvrees? Zeker is dat hij tamelijk obsessief is. En erg punctueel.

Zijn gesloten oeuvre zal de bezoeker voor vele vragen stellen. Het probleem is niet hoe Brouwn te plaatsen in de kunstgeschiedenis. Zo gesloten en eigenzinnig als de kunstenaar (die in 1957 naar Nederland verhuisde) nu ook bekend mag staan, het vroege werk past perfect binnen de moderne stromingen en bewegingen van na de Tweede Wereldoorlog. Zo ogen zijn eerste tekeningetjes, gemaakt voor het obscure tijdschrift Spiraal, eind jaren vijftig, als de Cobra-krabbels van Karel Appel, Constant Nieuwenhuys of Corneille.

Voor Brouwn was het de eerste van een reeks stijlveranderingen die hij rond 1960 doormaakte. Na twee jaar gooide hij het over een andere boeg, meer in de trant van de toen populaire Nul-beweging, die een veel zakelijkere kunst voor ogen stond. Zo 'exposeerde' Brouwn in 1960 alle schoenwinkels van Amsterdam: hij stuurde uitnodigingen rond de etalages op een bepaald tijdstip te gaan bekijken. Een jaar later ontstonden zijn Fluxus-achtige 'nylonobjecten', in doorzichtig plastic zakken verpakte spulletjes en gebruiksvoorwerpen: een waterpistooltje, beha's, afwasborstels, speelgoed-indiaantjes.

Begin jaren zestig was Stanley Brouwn een kunstenaar die niet alleen experimenteerde, maar ook nerveus op zoek was naar de juiste stijl, nauwlettend kijkend naar de kunstenaars om hem heen. En naar wat op dat moment en vogue was. Wat ook een beetje de tijdgeest was: kunstenaars behoorden toen nog tot groepjes die met elkaar concurreerden. Iedereen wilde geschiedenis schrijven. Iedereen zette zich tegen de vorige generatie af in een poging de erfenis van het modernisme over te nemen. De kunstwereld was gedurende de jaren zestig verwikkeld in een permanent gevecht met zichzelf, als een interne stammenstrijd die op een open podium werd uitgevochten. Fluxus tegenover Zero, Cobra tegenover het minimalisme, conceptualisme versus barbaarse schilderkunst – richtingen waarvan Brouwn steeds een graantje meepikte, zonder zich daadwerkelijk aan te sluiten.

Dat Brouwn te midden van dat geweld überhaupt zijn eigen stijl vond, mag achteraf een wonder heten. Het leek er aanvankelijk niet op dat het hem zou lukken, daarvoor was het onderscheid tussen zijn werk en dat van collega's te klein. Een relatieve buitenstaander, dat wel, maar tegelijkertijd een van de velen die op dat moment actief waren. Bovendien besefte hij destijds niet waar precies zijn krachten lagen. Ook niet met de 'performance' waarmee hij later furore zou maken: in 1961 vroeg hij voorbijgangers op de Dam in Amsterdam om op een klein kaartje de route tussen twee opgegeven locaties te tekenen. Brouwn voorzag de kleine krabbeltjes later van de stempel This Way Brouwn. Hij zou het project over een periode van drie jaar blijven herhalen, terwijl hij ondertussen doorknutselde met gevonden sloophout, voorwerpen bleef verpakken in plastic zakjes en ook nog eens dacht aan het maken van 'eeuwigdurende film'.

Tot 1964. Toen presenteerde hij voor het eerst voorwerpen, zoals een stofblik, waarop met viltstift de maten van het object stonden geschreven. Die Gemeten objecten betekenden een doorbraak. Achteraf is het rekensommetje eenvoudig te maken. Veeg zijn This Way Brouwnproject op het stofblik met de afmetingen, en je krijgt het type kunstwerk waar hij zich de rest van zijn leven mee bezig heeft gehouden: het uitdrukken van gewandelde afstanden in maateenheden. Verschillende maateenheden. Over de jaren heen hanteerde Brouwn niet alleen millimeters, centimeters en meters, maar gebruikte hij ook de el, voet en royal cubit, een Oud-Egyptische lengtemaat van 52,5 cm.

Brouwn is in de moderne kunst zeker niet de enige wandelkunstenaar, noch de eerste die zijn schreden zo minutieus documenteerde en archiveerde. Sla het boek dat de Amerikaanse kunstcriticus Lucy Lippard in 1973 schreef, Six Years: The dematerialization of the art object from 1966 to 1972, er maar eens op na. Met name in de jaren zestig stond een generatie van artistieke systeemanalisten op die, gewapend met papier, pen, typemachine, camera en stempels, de meest uiteenlopende bewegingen probeerde vast te leggen. Kunst werd een synoniem voor registreren in tekeningen, fotosequenties, berekeningen, lijsten en statistieken. Zo begon de Japans-Amerikaanse kunstenaar On Kawara in 1969 dagelijks zijn wandelingen door stad te noteren, met een rode stift op gekopieerde plattegronden. In hetzelfde jaar volgde Vito Acconci 23 dagen lang op straat willekeurige inwoners van New York, en liep Richard Long 'vierkanten' door het Engelse landschap.

Kunstwerken bestonden niet langer uit objecten, maar uit voornemens, gedachten en activiteiten. Wim T. Schippers goot een flesje limonade leeg in de Noordzee, bij Petten. Willem de Ridder liet grote proppen papier door de straten van de Amsterdamse binnenstad rijden. Begrippen als 'not Art', 'non Art' en 'anti Art' raakten in zwang. Onder het motto dat de kunstenaar genoeg had aan zijn eigen verbeelding, veranderde het leven zelf in een kunstwerk. Wat ook zijn praktische voordelen had: kunstenaars zaten (toen al) meer in het vliegtuig dan in hun atelier. Gesleep met beelden en schilderijen bleef ze bespaard.

Onder hen bleek Brouwn een van de meest radicalen. Zouden de termen minimalisme en conceptualisme nog niet zijn uitgevonden, Brouwn had ze eigenhandig bedacht. Er is in de hele kunstgeschiedenis nauwelijks een oeuvre te bekennen dat zo tot op het bot is uitgebeend – er zit geen grammetje vlees of vet meer aan. Het is altijd weer even schrikbarend als ontluisterend hoe radicaal en elementair het werk is. Wat ook geldt voor de presentatie ervan. Brouwn stalt zijn mathematisch laboratorium doorgaans uit op de meest eenvoudige klaptafeltjes, in vitrines of gewoon op de vloer. Wie niet beter weet, denkt in een kantoor te zijn beland dat net door de fiscus is bezocht.

Het heeft hem geen windeieren gelegd. Hij kreeg er exposities door tot in alle uithoeken van de wereld, werd professor aan de Hochschule für Bildende Künste in Hamburg, was jarenlang begeleider aan de Ateliers in Amsterdam en ontving vijf jaar geleden de Oeuvreprijs van het Fonds van Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst. Aan bekendheid geen gebrek. Maar het is moeilijk te vatten waar die brede waardering, met name in de kunstwereld, voor zijn werk nu precies op gebaseerd is. Feitelijk bestaat het werk alleen uit lijntjes, getallen, kaartjes en afmetingen.

De bezoeker zal een groot beroep moeten doen op zijn verbeeldingskracht om het werk te doorgronden, laat staan tot leven te laten komen. Voor meer begrip zou aanvullende, circumstantial evidence uitkomst kunnen bieden. Wat gelijk een probleem oplevert, want veel 'indirect bewijs' bestaat er niet: de kunstenaar heeft – met succes – alle sporen van zichzelf zorgvuldig uitgepoetst. Brouwn doet aan imagobewaking: het beeld dat er over hem ontstaat, moet zijn beeld zijn.

Dat klinkt niet alleen bemoeiziek (Brouwn de controle-freak), het is ook nog eens behoorlijk egocentrisch. Brouwn die zichzelf construeert als het centrum van zijn universum. De kunstenaar als de maat der dingen. En zijn werk als een autobiografie in millimeters. Er is zelfs een woord voor gevonden: 'verbrouwniseren'. Zo bestaan er de Brouwn-el (47 cm), de Brouwnvoet (26 cm) en Brouwn-stap (86 centimeter).

Het past in theorievorming die er rond zijn werk is ontstaan. Brouwn zou objectieve maateenheden willen terugbrengen tot meer subjectieve. Daarmee appeleert hij aan het ontstaan en originele gebruik van maten: die werden altijd gebruikt in relatie tot het menselijke lichaam. Tot 1799, het jaar dat in het Napoleontische Frankrijk afmetingen en gewichten officieel werden gestandaardiseerd in het Metrische Stelsel. De motieven van Brouwns oeuvre zijn dus eigenlijk behoorlijk 'retro'. Terug naar de tijd dat afmetingen nog humaan waren (halverwege de achttiende eeuw bestonden er alleen al in Nederland 55 verschillende 'voet'-maten).

Wellicht is dat wat bij Brouwn het meest bevreemdt: zijn pogingen om kunstmatige afspraken, over hoe afstanden zijn vast te leggen, te vermenselijken stuit op het onmenselijke van zijn werk zelf. Wat ook geldt voor de volharding en halsstarrigheid waarmee de kunstenaar zich nu al meer dan veertig jaar in zijn oeuvre vastbijt. Wat op zichzelf ook wel weer fascinerend is. Brouwn vertegenwoordigt een type kunstenaarschap dat zo langzamerhand is uitgestorven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden