'Stamp er geen stamdenken in'

Breng leerlingen veel individualisme bij, betoogde Vonk-chef Kustaw Bessems vrijdag op de jaarlijkse Docentendag Maatschappijleer in het Tweede Kamergebouw. Misschien stijgt het publiek debat dan ook ooit uit boven de stammenstrijd waartoe het is verworden.

De Tweede KamerBeeld anp

Oh, I beg you, can I follow?
Oh, I ask you, wanna always
Be the ocean, where I unravel
Be my only, be the water where I'm wading
You're my river running high, run deep, run wild

Toen ik werd gevraagd om hier vanochtend tegen u iets te zeggen, was dat geloof ik vooral omdat ik dan kon vertellen hoe politici en media met elkaar omspringen. Een poosje heb ik als journalist hier aan het Binnenhof mogen werken, vandaar. En een beetje zal ik ook wel op dat onderwerp komen. Maar liever heb ik het over iets dat ik persoonlijk echt belangrijk vind, nu ik de kans krijg zo'n invloedrijk gezelschap toe te spreken. Want dat bent u. Misschien ziet u het zelf anders. Misschien denkt u dat degenen die normaal deze honderdvijftig blauwe stoelen in de plenaire zaal van de Tweede Kamer bezetten invloedrijk zijn.

Maar nee, ú mag een of twee uur in de week lesgeven aan de nieuwe generaties van dit land. En u hoeft er niet een bepaalde taal in te stampen, u hoeft ze niet één specifieke vaardigheid aan te leren, u mag het met ze hebben over de manier waarop deze samenleving is ingericht. Of hoe zij zou moeten worden ingericht. Daarmee heeft u invloed.

De zomerhit 'I follow rivers' van de Zweedse Lykke Li - of misschien kent u de lome versie van de Belgische band Triggerfinger - gaat vermoedelijk over de liefde, over de toewijding en verknochtheid die daaraan eigen zijn. Maar ik was pas te gast bij de theateropleiding in Amsterdam en daar was een student mime, Felix Schellekens, die een solo speelde waardoor ik anders naar het liedje ging luisteren. En kijken. Vooral naar alle covers die veelal jonge mensen op YouTtube hebben gezet. Met aandoenlijke ernst en wisselende zangkwaliteiten. Jonge mensen die in zeker opzicht bijzonder willen zijn - ze vermoeden dat ze goed klinken en hopen op waardering daarvoor - maar die ook hetzelfde willen zijn. Allemaal dezelfde liedjes, vaak met dezelfde maniertjes, smachtend naar goedkeuring.
En dan klinkt zo'n nummer ineens verdwaald en tastend naar houvast:

I, I follow, I follow you
Deep sea baby, I follow you
I, I follow, I follow you
Dark room honey, I follow you

Dát is de fase van het leven waarin jongeren onder uw hoede zijn: zoekend naar hun eigen identiteit, bezig te ontdekken bij wie ze horen en bij wie niet. Waarbij dat eerste - wie ben ik? - vaak wordt ontleend aan dat laatste - bij wie hoor ik? Want in je eentje ben je in een toch al onzekere periode extra kwetsbaar. Veiliger is het in de warme gloed van de groep.

En dat brengt me op mijn onderwerp van vandaag.
In de aanloop hier naartoe heb ik me de vraag gesteld: als ik zelf in die tijd één ding had kunnen leren van een docent als u nu bent, wat was dat dan geweest? Waar had ik iets aan gehad? Het antwoord is een les die ik persoonlijk toen nooit kreeg, namelijk: 'Je hoeft niet altijd ergens bij te horen.'

Mij had het geholpen als iemand had gezegd: 'Ja, iedereen zit in groepjes nu. En je zult merken dat dat straks in het volwassen leven niet anders is. Het is nu zo in de klas of op het schoolplein. En later op je werk of in je sociale leven. En het zal niet anders zijn in de samenleving daarbuiten. En een groep geeft een zeker gemak. Maar in groepsdenken schuilt ook gevaar. En afwijken heeft minstens zo veel waarde.'

Op de eerste bladzijde van het boek 'Team', de methode maatschappijleer voor het vmbo, staat: 'Leerlingen uit een klas vormen samen een groep, maar ze horen ook bij andere groepen.' En dan volgt een opdracht: 'Noem vijf groepen waar jij bij hoort.'

Op bladzijde 11, onder het kopje 'cultuur' lezen we: 'Mensen leven in groepen. Cultuur is de manier waarop mensen in een groep samenleven.'
Opdracht 23 luidt: 'Elke groep heeft eigen normen en waarden. Als je bij die groep wilt horen, moet je je aanpassen aan die normen en waarden.'
Een hoofdstuk over opvoeding in het gezin? Daar hebben we het weer: 'Om niet buiten de groep te vallen, pas je je aan. Je neemt de normen en waarden van de groep over.' En: 'Wie zich niet aan deze regels houdt, gedraagt zich niet 'normaal' en wordt niet geaccepteerd.'
Er komt geen eind aan, ik noem niet eens alles. Ik citeer weer: 'Als jongere zit je in een gezin. Waarschijnlijk heb je vrienden en zit je op een (sport)club. Misschien ga je naar een kerk of een moskee. Bij al deze groepen pas je je aan. Je wilt erbij horen. En daarvoor moet je je op een bepaalde manier gedragen.'

Misschien denken sommigen van u nu: hij overdrijft. Wat hier wordt bedoeld is alleen maar dat je je netjes gedraagt tegenover anderen. Maar dat is niet terug te vinden onder het kopje 'Erbij horen': 'Om bij een groep te horen, houd je rekening met wat anderen in de groep vinden. Je gedraagt je zoals er van je verwacht wordt. (...) Wanneer je je niet aanpast aan de groep, treedt de groep of een groepslid op als agent die jou een bekeuring geeft. 'Doe eens normaal!', 'dat doe je toch niet?'
Zelfs een passage onder de hoopvolle noemer 'Net even iets anders' bevat niets dan groepsdenken: 'Ben jij een hiphopper? Of ben je een skater, alto of gabber? luister je naar r&b, gothic of heavy metal?' Jongeren, zo leren we hier, kiezen vaak een groep die een beetje afwijkt van de groep van hun ouders. Maar wel een groep.

Want, zo leren we: 'Mensen die veel overeenkomsten hebben delen we in in groepen, bijvoorbeeld: Marokkanen, Duitsers, moslims, christenen, jongeren, ouderen, blondjes, skaters, hardrockers en ga zo maar door.'

Goed, er wordt gewaarschuwd voor stereotypen, vooroordelen en generalisaties. Je mag geen hele groepen over één kam scheren. En andere lesboeken zijn minder rigide. Een boek voor het MBO mbo dat ik las, had de meeste aandacht voor eigen identiteit.
Maar nergens wordt dat indelen in groepen op zichzelf uitdrukkelijk ter discussie gesteld.
Nergens wordt gevraagd: zijn er ook mensen die niet de hele tijd bij een groep horen? Die er niet bij wíllen horen?

Individualisme kwam ik vooral tegen als iets lastigs. Als een mogelijke bedreiging voor de normen en waarden. Persoonlijke vrijheid als een probleem bij de afweging tussen grondrechten. Een docente bezweert mij dat de aannames in het boek bij de behandeling in de klas onderuit worden gehaald. Hopelijk. Hoe dan ook zijn ze een adequate verwoording van een breder mens- en maatschappijbeeld. In het vmbo boek zien we dat het duidelijkst, omdat het daarin het eenvoudigst is verwoord.

Mij kost het in elk geval weinig moeite om in de instructies voor de vmbo-leerlingen de richtlijnen te herkennen voor de mensen die normaal hier op uw plek zitten, die hier gisteravond nog tot zo laat hebben gedebatteerd over het spoor. Daar de PVV, daar de SP en er tussenin al die andere partijen. Ik ga me heus niet verzetten tegen partijvorming of politieke organisatie - uiteraard niet - maar er is wel wat aan de hand met hoe die partijen functioneren: als sektes.

Op mijn netvlies staat nog altijd wat er gebeurde toen ik ooit Jeanine Hennis interviewde, nu minister van Defensie en toen VVD-Kamerlid. In dat interview had ze open en direct geantwoord op mijn vragen. Een zeldzaamheid aan het Binnenhof, weet ik inmiddels uit ervaring. Ze pleitte tegen het dragen van religieuze symbolen in openbare functies. Christelijke partijen waar de VVD mee samenwerkte, waren niet blij. Maar hun reactie viel in het niet bij de manier waarop Hennis intern tot de orde werd geroepen. Hennis mocht van de VVD-top geen dingen meer zeggen die geen partijstandpunt waren en buiten haar 'portefeuille' vielen. En ze zou voortaan altijd een persvoorlichter meekrijgen.
Onbeantwoord bleef hoe je van je eigen standpunt ooit een partijstandpunt kunt maken met een spreekverbod.

En dit was geen bijzonder geval. En het is ook niet typisch VVD. Het is de conventionele wijsheid in Den Haag: een verdeelde partij wint geen verkiezingen en onder verdeeldheid wordt niet slechts persoonlijke ruzie verstaan maar ook verschil van mening, hetgeen toch eigenlijk de kern van de democratie zou moeten zijn. En dat hebben die partijen niet helemaal zelf bedacht, dat is een beeld dat de media dag in dag uit uitventen. Daarin wordt weinig verschil gemaakt tussen een rel over een politicus met een schandaaltje in zijn verleden of een ideologische twist - voor het gemak heet dat hier allemaal 'gedoe'.

Voorbeelden van gedisciplineerde partijen met mooie uitslagen bij de stembus worden graag aangehaald. Dat die partijen na zo'n periode van succes meestal weer ten onder gaan in de stank van stilstaand water, wordt genegeerd. Het idee dat je ook interessant kunt zijn door levendige discussie - zie een poos lang de neoconservatieven in de VS of dichter bij huis de PvdA van Joop den Uyl - heeft weinig aanhang.

In dit parlement en binnen de partijen die er deel van uitmaken zou die vrije botsing van ideeën moeten plaatsvinden. Het zou een verzamelplek van kleurrijke figuren moeten zijn door wie het volk zich vertegenwoordigd voelt. Maar er is niets, níets dat dat stimuleert. De partijtop bereik je door in de pas te lopen. Overeind in de beeldvorming blijf je door geen risico te nemen. Er werken hier, zoals Geert Wilders wel eens heeft gezegd, veel grijze muizen. Hij doet er zelf overigens net als zijn collega's alles aan om ook zijn fractie daarmee te vullen.

In de Tweede Kamer is de groepsvorming ten minste nog geformaliseerd. Nog gekker wordt het als we buiten deze plenaire zaal kijken, in het publiek debat - op opiniepagina's, tv of Twitter. Daar is het namelijk niet veel anders.

Want wat zie je? Er komt iets in het nieuws. Direct beginnen deelnemers aan dat publieke debat de gegevens eruit te pikken waarmee zij de ideeën kunnen bekrachtigen die ze toch al hadden. En listen te verzinnen om onwelgevallige informatie juist weg te redeneren. Er wordt alleen maar gescand op munitie: zit er iets in dat je opstelling kan versterken of die van een ander kan verzwakken?

Het is niet een inhoudelijk standpunt bepalen - dat door nieuwe inzichten steviger kan worden óf kan wijzigen - maar een persoonlijke positie innemen. Niet: wat vind ik en waarom? Maar: bij wie hoor ik en hoe kan ik dat aantonen? Ben ik links of rechts? Islamofiel of islamofoob? Pro-Europa of anti? Elite of volk? Publiek of commercieel?

De Amerikaanse filosoof en activist Austin Dacey heeft mij daar eens een term voor aangereikt: 'tribalism'. Stamdenken. Het publiek debat is verworden tot een stammenstrijd.

Veel informatie is niet nodig voor die stammenstrijd. Hoe minder des te beter eigenlijk. Als we over verdachten die een grensrechter hebben doodgeschopt slechts twee dingen weten: dat ze voetballen en welke etnische afkomst ze hebben, is dat genoeg. De ene stam zal zonder verdere feiten van de zaak te kennen de verhuftering in het voetbal hekelen. De andere stam ziet er voldoende basis in om het Marokkanenprobleem aan de kaak te stellen.

Tv versterkt dit proces. Als Israël een bombardement begint in de Gazastrook, hoeven ze op de redactie van Pauw en Witteman niet lang na te denken. Ze bellen die ene zelfde Palestijnse politicoloog en iemand van Likoed Nederland, zetten beiden aan tafel, gooien er vijftig eurocent in en húp, daar komen de welbekende teksten.

Duren de bombardementen langer dan een dag? Dan zijn ook Anja Meulenbelt en Leon de Winter nog nodig om de zendtijd te vullen.
Ook internet en sociale media - al zijn het verrijkingen van onschatbare waarde - werken het stamdenken in de hand. Het internet kan een tunnel zijn. Zelfs in de meest partijdige krant van Nederland kun je bij het bladeren nog wel eens onwelgevallige berichten tegenkomen, die je aan het twijfelen brengen, je wereldbeeld veranderen. Op tv zap je daar misschien eens langs. Op internet is het een stuk makkelijker om je alleen te laven aan alles wat je verwachtingen inlost.

Een onderzoek van de Berkeley Universiteit toont aan dat mensen die eenmaal informatie op een blog hebben gelezen die aansluit bij wat ze toch al vonden, niet meer van hun mening zijn af te brengen, óók al krijgen ze direct daarna te horen dat de informatie onjuist was en worden ze van correcties voorzien. Feiten helpen dus vaak niet.

En op Twitter is de verleiding groot - ik bezwijk daar zelf ook voor - om onmiddellijk iets te vinden van wat er gebeurt. Niet laten bezinken, niet heroverwegen, meteen kleur bekennen. En probeer maar eens, nadat je je eenmaal publiekelijk hebt uitgesproken, terug te komen op je standpunt.

Het schijnt allemaal niet zo verwonderlijk te zijn. Dat groepsgedrag, waaraan het lesboek zo veel aandacht besteed, hoeft ons mensen niet te worden aangeleerd. Volgens biologen zijn we van nature groepsdieren. Hebben we dan geen keus? Jazeker wel. De bioloog Frans de Waal wijst erop dat we wel bijzondere groepsdieren zijn. We verschillen van de meeste andere groepsdieren, doordat we vaak in een klein gezelschap opereren of zelfs alleen. Die keus hebben we dus. Dat kan óók worden aangemoedigd. Ik heb begrepen dat we dat gemeen hebben met bonobo's. Of misschien aansprekender: met dolfijnen.

Het zou mooi zijn als in de klas veel aandacht was voor de bonobo in ons. Of de dolfijn dus.

Dat zou mooi zijn, indachtig het beroemde citaat van Robert Kennedy: 'Weinigen zijn bereid om de afkeuring van hun metgezellen te trotseren, de kritiek van hun kompanen, de gramschap van hun samenleving. Morele moed is een zeldzamer goed dan dapperheid op het slagveld of grote intelligentie. Terwijl juist die essentiële eigenschap nodig is voor degenen die een wereld willen veranderen, een wereld die zich slechts met veel pijn en moeite laat veranderen.'

Of zoals een hedendaagse bewonderaar van Kennedy zegt, de activiste en academica Irshad Manji - die vanuit New York onder meer met gevaar voor eigen leven hervorming binnen de islam bevecht (u herinnert zich misschien dat extremisten een bijeenkomst met haar in De Balie in Amsterdam verstoorden): 'Morele moed is: de bereidheid om je mond open te trekken als alle anderen willen dat je die dicht houdt.'

Dat kan hier in de Tweede Kamer zijn, waar bijvoorbeeld de PvdA' er Paul Kalma herhaaldelijk in navolging van zijn idealen stemde, tegen zijn fractie in, ook al werd hij onder druk gezet om dat niet te doen en kostte hem dat zeer waarschijnlijk zijn zetel.

Het kan op de departementen zijn van de ministers die hier geregeld zitten, zoals de maatschappelijk werker Fred Spijkers, die als klokkenluider bij Defensie naar buiten bracht dat ondeugdelijke mijnen levens hadden gekost en bijna twintig jaar door zijn oude werkgever kapot werd gemaakt, voordat hij gelijk kreeg en werd gerehabiliteerd.

Het kan in het publiek debat, waar de schrijver Anton Dautzenberg lid werd van pedofielenvereniging Martijn. Niet omdat hij de ideeën deelt, hij keurt pedofilie ook af, maar hij verzet zich tegen een heksenjacht waarbij pedofielen zich niet meer mogen verenigen, niet over hun gevoelens kunnen praten zonder te worden bedreigd. Het leverde Dautzenberg zelf ook bedreigingen op en kostte hem werk.

De geschiedenis kent uiteraard veel grotere en zwaardere voorbeelden van morele moed, maar deze laten zien dat zo'n keus ook voor ons, nu, dichtbij kan komen.

En de parallel met het schoolplein is hier snel gemaakt. Het schoolplein waar je hoopt dat iemand opstaat en zich verzet als een van de leerlingen - meestal een eenling - wordt vermalen in getreiter.

Maar het is niet alleen om die morele moed dat ik hoop dat u groepsdenken ter discussie zult stellen. Die hoop heeft ook te maken met die identiteitsvorming waar ik het in het begin over had.
U bent allemaal nette mensen dus u zult vast keurig onderwijzen dat je groepen niet mag discrimineren: zwarten, gelovigen, homo's of wie dan ook. Maar hoe veel aandacht is er voor mensen die van de groepsnorm geheel afwijken? Hoe goed kan de jongere zich in discussies over die groepen herkennen, wiens familie uit een heleboel verschillende etniciteiten bestaat? Hoe goed de jongere met een moslimachtergrond die in zijn hart Allah heeft verworpen? Hoe goed de leerlinge die in het mooie meisjesgroepje zit om met jongens te flirten maar óók omdat ze die andere meisjes zo mooi vindt? Hoe goed de conservatief op een linkse school?
En wat doet u als docenten? Houdt u de buitenbeentjes voor dat die zich moeten aanpassen aan de normen en waarden van de groep, om erbij te horen? Of leert u hen dat afwijken van waarde kan zijn?

In 2009 riep Time Magazine de toen pas 31-jarige Amerikaanse statisticus Nate Silver uit tot een van de honderd invloedrijkste personen ter wereld. Silver is beroemd omdat hij verkiezingsuitslagen zo goed voorspelt. De laatste keer - Obama tegen Romney - had hij anders dan andere opiniepeilers alle uitkomsten goed. Veel wordt toegeschreven aan zijn unieke talent om data te verzamelen, te begrijpen en te benutten in zijn wiskundige modellen. Maar er is nog iets met hem aan de hand: hij trapt bij zijn statistische analyses minder dan anderen in valkuilen en verkeerde aannames. Time schreef: 'Net zo goed als in het vinden van informatie is hij in het voorkomen dat zijn onderzoek alleen resultaten oplevert die zijn standpunt bewijzen.'

En Silver is zich er van bewust dat hij afwijkt van de andere bekende Amerikaanse tv-gezichten die over politiek praten, een kleine groep meningenmakers die alleen maar met elkaar bezig zijn, wat leidt tot - in Silvers woorden - het 'ergste soort groepsdenken'. In de Britse krant The Observer legde hij uit dat hij zijn eigen sukkeligheid als zijn kracht ziet. Hij zei: 'Ik heb me altijd enigszins een buitenstaander gevoeld. Ik heb altijd het standpunt van buitenaf gehad. Ik denk dat dat belangrijk is. Als je als homo opgroeit of in een huishouden dat agnostisch is terwijl de meeste mensen religieus zijn, dan zeg je van begin af aan dat er dingen zijn die de meerderheid van de samenleving gelooft en die ik niet geloof.' Vooral the numbers stuff, zoals hij dat noemt, maakte hem vanaf zijn zesde anders dan anderen.
Het is een zorg van hem nu dat hij door zijn bekendheid zijn buitenstaandersblik zal verliezen. 'Je ziet al die kansen, maar ik wil niet gecorrumpeerd worden en in die groepjes worden getrokken.'
En in een ander interview legt hij uit dat hij ook niet op grond van zijn geaardheid wil worden gerubriceerd: 'Voor mijn vrienden ben ik zeg maar in seksuele zin homo maar etnisch bekeken hetero.' Hij wil, zegt hij, óók niet wil opgaan in het conformisme van de homogemeenschap. 'Mijn belangrijkste eigenschap is dat ik onafhankelijk van geest ben. Ik wil niet Nate Silver, de homoseksuele statisticus zijn. Evenmin wil ik de witte, half-joodse statisticus die in New York woont zijn.'

Voor opdracht 17 van het boek 'Team' krijgen leerlingen een lijstje te zien met waarden. Ze moeten de drie kiezen die zij het belangrijkst vinden. 'Vrede', zit erbij. 'Eer', 'trouw', 'tolerantie'. Prachtig allemaal. Maar wie in het rijtje zoekt naar 'vrijheid' of 'autonomie' komt bedrogen uit.

'Een mening', zo leert ons het boek, 'is iets dat iemand denkt of gelooft. Je kunt het niet bewijzen.' Terwijl overtuigen met bewijzen juist is wat onze meningsvorming, ons denken verder heeft geholpen en zal helpen.

De samenleving, las ik, bestaat uit een dominante cultuur, met daarbinnen wat subculturen. Terwijl die samenleving toch op z'n minst óók uit individuen bestaat.

Een verzoek. Misschien doet u het al lang, zie het dan slechts als aanmoediging. Ik vraag het u in elk geval nu ik de kans heb: wilt u er rekening mee houden dat u dolfijnen in de klas hebt?

En wilt u eraan denken dat een van hen misschien wel de nieuwe Nate Silver is. Waarschijnlijk eentje die veel alleen zwemt.

Dankuwel.

Kustaw Bessems is chef van Vonk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden