Stad in de steigers

De primitieve fototechniek beperkte aanvankelijk zijn actieradius en zijn - verstilde - beelden. Later maakte hij van het stadsrumoer juist zijn onderwerp....

A LLEEN zijn vrienden, collega's, directe familie en de medeleden van het bouwkundig genootschap Architectura et Amicitia wisten dat Jacob Olie fotografeerde. Hij gaf foto's aan geportretteerden, nam wel eens een map mee op een debatavond van de sociëteit of stopte zijn stadsgezichten voor een lezing op een winteravond in de toverlantaarn, maar bij het grote publiek, de uitgevers en de kunsthandel was hij onbekend.

Zijn werk werd nooit gepubliceerd, tentoongesteld of verhandeld. Hij was een typische amateur, die uitsluitend voor eigen genoegen werkte. Bij zijn overlijden werd hij in het openbaar alleen herdacht als de bevlogen directeur van de eerste ambachtsschool van Nederland. Over zijn foto's werd met geen woord gerept, ze raakten vergeten.

Pas een halve eeuw later, in 1959, bleken zijn nabestaanden de duizenden glasplaatnegatieven en originele afdrukken al die tijd zorgvuldig te hebben bewaard, evenals zijn camera's en aantekenboekjes met recepten voor het lichtgevoelig maken en ontwikkelen van de glasplaten. Het Gemeentearchief in Amsterdam kocht de collectie toen aan, sindsdien kon er geen boek of kalender meer verschijnen over Amsterdam rond 1900 of er werd een beroep op die verzameling gedaan. Een tweede aankoop in 1990, van het resterende deel van zijn nalatenschap, voornamelijk bestaande uit documenten, maakt het beeld van zijn werk compleet. Jacob Olie's Amsterdam kenden we langzamerhand al, een overzichtstentoonstelling en een monografie maken nu ook Jacob Olie, de fotograaf (1834-1905), voor het eerst zichtbaar.

Olie blijkt, meer dan tijdgenoten als de schilder G. H. Breitner, de fotograferende advocaat Eduard Isaac Asser of de professional Pieter Oosterhuis, de chroniqueur van Amsterdam te zijn geweest. 'De ideale portrettist van het progressief burgerlijke Nederland van de negentiende eeuw', zegt de samensteller van de tentoonstelling en monografie, Anneke van Veen, conservator fotografie van het gemeentearchief, in haar inleiding.

In twee perioden in zijn leven, 1860-1864 en 1890-1904, maakte Jacob Olie meer dan drieduizend foto's van Amsterdam en de directe omgeving; van de straten en pleinen, havens en grachten, markten en beurzen, sloppen en stegen en, vooral, van de mensen die de stad bevolkten. Het Amsterdam van die jaren kenden we al uit de teken- en schilderkunst, maar is, een eeuw later voor ons pas werkelijk, documentair, tot leven gekomen op de foto's van Olie.

Hij was bouwkundige, tot hij onderwijzer werd leek een carrière als architect in het verschiet te liggen, zijn foto's getuigen van die belangstelling. Hij volgde de ontwikkeling van de stad, die aan het eind van zijn eeuw in hoog tempo ingrijpend veranderde, op de voet; soms zelfs stapsgewijs, dan keerde hij steeds naar een bouwplaats terug en zie je op zijn foto's torens boven de daken uitgroeien, gebouwen uit hun houten steigers rijzen, nieuwe havens oprukken, een spoorwegnet ontstaan en telefoonlijnen getrokken worden.

Er zit een historische breuk in zijn fotobeelden. Het Amsterdam dat hij rond 1860 zag, was sinds de zeventiende eeuw amper veranderd. De havens en grachten lagen vol zeilschepen. De stad was nog omgeven door verdedigingswallen en bolwerken, de industrie werd beoefend op het land erbuiten; in een woud van windmolens die graan maalden, hout zaagden, ijzer boorden of leer soepel maakten. Koets en trekschuit vormden het personenvervoer, de vracht ging met beurtschepen en karren.

Olie kwam uit een geslacht van walvisvaarders en houtvlotters op de westelijke eilanden en leefde zijn halve leven tussen hen in, op de Zandhoek waar hij werd geboren en tot zijn vierenveertigste, toen hij trouwde, bij zijn moeder was blijven wonen. De primitieve fototechniek beperkte zijn actieradius. Hij moest, als hij zijn uit vensterglas gesneden platen met een lichtgevoelige substantie had bestreken, binnen een paar minuten een foto maken en die ook weer even snel ontwikkelen - in een bedstee die hij als donkere kamer had ingericht.

Het grootste deel van zijn eerste werk maakte hij in de buurt waar hij woonde, tot hij, bij vrienden en familie elders in de stad, donkere kamers inrichtte en vandaaruit opereerde. De techniek beperkte ook zijn onderwerp. Beweging en drukte kon hij niet vastleggen. Hij maakte geposeerde portretten en stille stadsbeelden, vaak, om niet op te vallen met zijn apparatuur, vanuit een hoog standpunt genomen, een venster of zolderraam. Er is nu ontdekt dat een aantal daarvan geen losse foto's zijn, maar zorgvuldig berekende panorama's, die soms uit wel zeven verschillende opnamen bestaan.

Zijn werk als onderwijzer-directeur van de Ambachtsschool van de Maatschappij voor de Werkende Stand slokte Olie al na korte tijd op. Hij stopte abrupt met fotograferen en nam het pas weer ter hand na zijn pensionering in 1890. Zijn oude onderwerp was in de tussentijd begonnen aan een ingrijpende verandering. Amsterdam groeide in snel tempo naar een moderne, industriële metropool met de aanleg van het Noordzeekanaal, nieuwe havens en spoorlijnen. Grachten werden gedempt en kaden verbreed, smalle straten doorbroken, de oude bolwerken gesloopt.

Even ingrijpend was in die tussenperiode de fototechniek veranderd. Olie hoefde niet meer heen en weer te hollen met zelf geprepareerde negatieven. Het materiaal was gewoon te koop, nieuwe camera's waren handzamer geworden. Hij kon nu alles, een stad in beweging, vastleggen en dat ook ongemerkt op straat doen. Er is geen ander geweest, die de ontwikkeling zo nauwgezet documenteerde.

Hij kende ze allemaal, de bouwmeesters van Arti et Amicitia, en volgde hun werk op de voet. En zo zien we, in het schilderachtige decor van die oude zeventiende-eeuwse stad, het Centraal Station verrijzen, het nieuwe hoofdpostkantoor, het Paleis voor Volksvlijt, het Rijksmuseum, het Concertgebouw, het Stedelijk Museum, de Stadsschouwburg, de Beurs van Berlage, de nieuwe mondaine hotels Victoria en l'Europe, de Sarphatistraat en de eerste bouwactiviteiten in een moestuinderspolder waar later Amsterdam-Zuid uit zou ontstaan.

D E TECHNIEK, de bouwkunde, fascineerde hem, soms klom hij met de metselaars mee de steigers op. Het hoge standpunt van vroeger bleef hem boeien. Hij hield van daklandschappen en van het overzicht op het kleine gekrioel beneden. En dat vooral werd zijn nieuwe thema: de hectiek van de stad, de drukte op straat en aan de wallekant, in de haven en langs de rivieren.

De paardentram voerde al breeduit reclame, weten we nu van zijn foto's, de toen deftige Kalverstraat en Damrak hingen, net als andere winkelstraten, vol uithangborden. Er was geen blinde muur of hij werd dichtgepleisterd met reclameteksten voor verzekeringen, koloniale waren of de nieuwste huishoudelijke vinding, de trapnaaimachine. Hij zag de nieuwe tijd in een bemande ballon die boven het Paleis voor Volksvlijt zweefde, in de sissende stoomwolken van stoomboten en locomotieven die opspoten tussen de verstelde zeilen van de houten fregatten in de haven.

Vroeger, in die eerste periode rond 1860, richtte hij zich met zijn beperkte middelen in het uitdrukken van het stadsleven op een kuiper, die op de stoep voor zijn werkplaats hoepels om tonnen slaat, op een molenaar die met de hand de wieken naar de wind kruit. Ze poseerden verstild, actie kon hij niet gebruiken, beweging zou een veeg achtergelaten hebben, geen beeld. Ook later bleek hij nog gevoelig voor schilderachtige taferelen en maakte een foto van twee mannen, die met hun hele gewicht, ruggelings hangend tegen hun last, op de helling van een dijk een volgeladen handkar remmen. Vroeger had hij die spanning nooit kunnen fotograferen, nu wel. Maar zijn blik was een andere richting ingeslagen, naar een nieuwe tijd.

Jacob Olie vond de uitdrukking daarvan in de opbouw van een wereldtentoonstelling op het lege terrein achter het nieuwe Rijksmuseum; met zijn architectenblik in totalen en details van de nieuwste grootsteedse gebouwen. Zijn nieuwe Amsterdam was een drukke stad, een voetgangersstad, een stad vol verstoppingen van handkarren waar de paardentram zich voorzichtig doorheen perste.

Z IJN STADSBEELD verschafte, in het uiterlijk van de passanten, een inzicht in de absolute rangen- en standenmaatschappij van die dagen. Houding en kleding gaven exact aan wie en wat iemand was. Er ging geen mens blootshoofds over straat. De heren droegen een bolhoed of hoge hoed, 's zomers een panama; de dames een creatie naar de laatste Parijse mode; de arbeiders en jongens een pet, de dienstmeisjes een muts. Bij elk uniform hoorde een eigen hoofddeksel, al van verre was duidelijk wie iemand was, diender, deurwaarder, heier of timmerbaas.

Straten en kaden lagen opgetast met de deklasten van binnenschepen, de hele waterkant was één grote overslag van vaten, zakken, kisten en kratten, die overgeladen werden op sleperswagen en handkarren, alles met de hand gesjouwd en gehesen, gesjord en gestuwd. Sluizen en bruggen werden met mankracht bediend. In de haven ging al het verkeer tussen de schepen met vletjes. Vissers brachten hun verse waar direct van zee naar de kade van het Damrak. Overal werd gevent en gehandeld, uit vaste kramen en een leger handkarren. En overal stonden sleperspaarden te rusten met een haverzak om de hals, net als in de jaren zestig toen hij voor het eerst begon te fotograferen.

Een nieuw verschijnsel op straat moet hem opeens getroffen hebben, hij fotografeerde het een paar maal, een scheiding, voor het eerst, in het verkeer. De nieuwe stoomtrein ging de oude stad te snel en joeg de paarden schrik aan. En zo zien we groepen mensen die voor een man met rode vlag of een slagboom wachten op een passerende locomotief. Hij laat de grote verandering van zijn tijd zien in een portret van zijn naaste buurman uit de Huidekoperstraat waar hij was gaan wonen, J. Leonard Lang. De rijwielhandelaar was rond de eeuwwisseling auto's gaan verkopen. Olie fotografeerde hem in zijn eerste automobiel, een rijtuig bijna nog, maar toch. Het zal een van de eerste in de stad geweest zijn, in Olie's straatbeelden komen we verder geen auto tegen.

In de stadsdrukte die hij toen fotografeerde, van boven uit een raam of op heuphoogte op straat, vallen nu allerlei details op: een werkman die een stuk tabakspruim afbijt; een dienstmeid die de ramen lapt; een kind dat met een hoepel speelt; een bordje 'Te Huur' in een verzakt kelderraam; het gesjacher bij een kraam; de armoede van een stad in de kaalgeschoren luizenkopjes van kinderen, die een zee mensen aantrok maar hen geen woningen kon bieden.

Jacob Olie stond op de grens van twee eeuwen, en op een keerpunt in de ontwikkeling van de samenleving. Hij moet het scherp hebben gezien. Hij was een geboren verslaggever. Zijn foto's verbeelden een wereld die we ons nu niet meer kunnen voorstellen. We kunnen er alleen het decor nog van herkennen. En de emotie die hij moet hebben gevoeld. Ze vertegenwoordigen een wereld, die voorgoed verdwenen is. Wat ze laten zien, in die tweede periode van zijn fotografenleven, is het moment van verandering, van omslag; dat maakt ze zo bijzonder en de emotie zo herkenbaar.

Hij was een tijdgenoot, die verslag deed van de laatste ontwikkelingen, en af en toe nog eens omkeek, zie je, naar de schilderachtigheid van zijn oude eeuw. Zo kon hij de nieuwe beter begrijpen. In die reeks van drukke stadsportretten, bouwputten, heistellingen, de grands travaux van een ontwaakte stad, is het een onopvallend fotootje. Hij moet hem in 1893 hebben gemaakt. We zien een stukje straat. Twee hoge gietijzeren palen zijn al geplaatst. Twee mannen op een ladderwagen zijn bezig om ertussen de bedrading te spannen voor de nieuwe elektrische tram. Hun gewiekste hoogwerker is er net speciaal voor ontworpen, maar het karretje waarop hij is gemonteerd en dat ze van paal naar paal rijdt, wordt nog getrokken door een paard.

Jacob Olie (1834-1905), fotograaf van negentiende-eeuws Amsterdam. Gemeentearchief Amsterdam, 28 januari tot en met 16 april. Dagelijks, 11-17 uur.

In de serie Monografieën van Nederlandse Fotografen verschijnt bij de tentoonstelling Jacob Olie Jbz (1834-1905), door Anneke van Veen. Focus Publishing, ¿ 95,-. Paperback, alleen verkrijgbaar bij het Gemeentearchief ¿ 59,50.

Eerder verschenen: Jacob Olie, fotograaf van Amsterdam, drie wandelingen door de stad rond 1900, door Peter-Paul de Baar. Thoth, ¿ 18,50. Jacob Olie, Amsterdam gefotografeerd aan het eind van de negentiende eeuw. Met een inleiding van Hans Aarsman. De Verbeelding, ¿ 39,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.