Sprookjes over de islam

Anet Bleich

Een tamelijk bont gezelschap heeft aan die uitnodiging gehoor gegeven: van Jozias van Aartsen tot Elsbeth Etty, Theo’s moeder Anneke van Gogh-Vonhoff, rabbijn Soetendorp, columnist Schoo en publicistes met een moslimachtergrond als Ebru Umar en Naema Tahir. Wellicht tegen wil en dank is de brievenreeks zo toch een echte polderbundel geworden, met voor elk wat wils.

De filosoof en, zoals hij zelf onthult, voormalig minnaar van Hirsi Ali, Herman Philipse heeft haar zelfs twee open brieven gestuurd, waarvan er eentje wegens de lengte afzonderlijk is gepubliceerd. In dit laatste pamflet neemt Philipse Ayaan en ook zichzelf in bescherming tegen het onder meer door minister van Justitie Donner geuite verwijt dat zij ‘Verlichtingsfundamentalisten’ zouden zijn.

Volgens Philipse kan iemand onmogelijk een Verlichtingsfundamentalist zijn, want dat woord is een contradictio in terminis. Een fundamentalist onderwerpt zich immers kritiekloos aan overgeleverde geloofswaarheden, terwijl ‘het in de Verlichting gaat om de beslissing en de moed zelfstandig en kritisch na te gaan denken’. Die ‘verlichte’ mentaliteit is ‘diametraal tegengesteld aan (...) geestelijke onderwerping aan een goddelijk gezag.’ Deze redenering snijdt hout, en lijkt mij zelfs onbetwistbaar. Het is daarom inderdaad aan te bevelen om het prille begrip ‘Verlichtingsfundamentalisme’ weer uit ons taalgebruik te schrappen.

Jammer genoeg maakt Philipse in het vervolg van zijn betoog duidelijk dat hij niet zozeer een ‘Verlichtingsfundamentalist’ is, maar veeleer iemand die de zoëven nog zo kernachtig geformuleerde essentie van een verlichte geesteshouding *kritisch, open, nieuwsgierig, vertrouwend op de rede en de menselijke denkkracht*- zelf niet begrijpt, althans niet toepast. Want plotseling voegt hij aan het ‘zelfstandig en kritisch nadenken over welke bewering dan ook’ nog een ander verondersteld kenmerk van de Verlichting toe, namelijk: ‘het moedige besluit slechts geloof te hechten aan beweringen waarvoor toereikend bewijsmateriaal bestaat.’

Met alle respect, waarde Philipse, dit heeft niets te maken met de Verlichting, maar is simpelweg vulgair empiricisme, een stroming in de filosofie en de wetenschap die in de jaren twintig van de vorige eeuw opgang maakte, maar allang weer is achterhaald. Zelfs in de wetenschap kun je nu eenmaal niet alles wegen of meten, laat staan in de filosofie *probeer maar eens ‘toereikend bewijsmateriaal’ te vinden voor Kants categorische imperatief! *of in de metafysica. Als Philipse kortom de klassieke godsdiensten naar de vuilnisbelt van de geschiedenis wil verwijzen met een beroep op het ontbreken van ‘toereikend bewijsmateriaal’, dan doet hij precies hetzelfde als de Russische kosmonaut Joeri Gagarin deed, die zodra hij buiten de dampkring was gekomen triomfantelijk uitriep: ‘God bestaat niet, want ik zie hem nergens.’ Philipse is dus geen ‘Verlichtingsfundamentalist’, maar ontpopt zich als een dogmatische atheïst.

Nu is er ook niets tegen atheïsme, maar, zoals we ons herinneren uit de tijd van wijlen de Sovjet-Unie, het wordt tamelijk vervelend als atheïsme wordt gebruikt als wapen tegen andersdenkenden of gelovigen. Helaas is dat precies waartoe Philipse oproept. Hij wil ten strijde trekken tegen de monotheïstische godsdiensten in het algemeen en de islam in het bijzonder. Dat leidt hem tot de volgende conclusie: ‘De bestrijding van moslimterrorisme op geestelijk vlak vraagt van ons dat we de beginselen van de Verlichting publiekelijk onderschrijven, uitleggen en verdedigen.’ Moslims moeten zich blijkbaar aan de Verlichting onderwerpen. Hoe zat het ook al weer met dat onafhankelijke, kritische en vrije denken?

De nep-Verlichter Philipse en de neoconservatief Bart Jan Spruyt hebben maar één ding met elkaar gemeen: hun weerzin tegen de islam. Bij Spruyt lijkt die zelfs nog ietsje sterker. Wie zijn boekenweekessay De toekomst van de stad doorneemt, ontkomt niet aan het angstige vermoeden dat de Dag des Oordeels aanstaande is en de Turken, anders dan in het jaar 1529, niet vóór Wenen staan, maar daar allang voorbij getrokken zijn. De vijand *te weten: de islam met haar lust tot overheersen* is onder ons, en wat nog veel erger is: de soft geworden liberale democratie heeft zich de wapens om die vijand te bestrijden uit handen laten slaan.

Gelukkig weet Spruyt wel een remedie, eentje die inderdaad op sensationele wijze breekt met de verlichte beginselen waarop onze huidige beschaving is gebaseerd. Grondrechten gelden, als hij z¹n zin krijgt, voortaan niet meer voor elke burger, nee, die moet men verdienen en dat kan alleen door ‘een gemeenschappelijk fundament van ongeschreven waarden en normen’ te onderschrijven. Aan het slot van zijn geschrift nodigt hij ‘moslim-intellectuelen in Nederland’ uit om klare wijn te schenken over de vraag of zij hiertoe bereid zijn. Dit gaat nog verder dan Philipses beoogde loyaliteitsverklaring aan ‘beginselen van de Verlichting’ *die voor Spruyt beslist niet hoeft, hij zoekt zijn heil juist in het christendom en in premoderne tradities. Hier duiken de contouren van een nieuw soort Inquisitie op.

Wie moedeloos dreigt te worden van deze bijdragen aan het debat kan troost zoeken in Naema Tahirs Een moslima ontsluiert. De Brits/Pakistaans/Nederlandse Tahir beschrijft op meeslepende wijze haar queeste naar een positie als autonoom denkend en handelend individu, moslima en feministe, geïnteresseerd in haar roots, maar kritisch voorzover die haar ontplooiing als vrouw en zelfstandig denkend wezen belemmeren. Aangrijpend, maar zonder karikaturale overdrijving is Tahirs beschrijving van de strijd die ze met haar ouders leverde om te ontkomen aan het door hen voor haar gearrangeerde huwelijk.

Tahir laat zien hoezeer deze oude traditie haar vrijheid en die van andere moslima’s bedreigt en hoe moeilijk maar ook onvermijdelijk het is om haar ouders pijn te doen door op te komen voor haar recht op vrije keuze. ‘Mijn vader lijdt en dat kan ik maar moeilijk verdragen. Hij die alles gedaan heeft om mij een goed leven te geven, die mij als kind nooit iets weigerde en altijd klaar stond om me te helpen.

‘Eén keer heb ik nee gezegd, voor mij een bevrijding, voor hem een vernedering. Ik ben niet getrouwd met de man die de familie voor mij had uitgezocht. Ik ben zelfs niet getrouwd met een Pakistaan. Ik verloochen onze eeuwenoude tradities. Ik bevrijd me uit een vastgeroeste moraal.’

In haar open brief aan Ayaan Hirsi Ali schrijft Tahir over een Pakistaanse feministe. ‘De woorden van Asma Janhangir dwongen mij voor het eerst de “heilige wetten” van mijn geloof kritisch te bekijken en ter discussie te stellen, en om er voor altijd over na te blijven denken. Ze openden mijn geest.’

Tahir en andere feministes met een moslimachtergrond maken duidelijk hoe springlevend en waardevol de idealen van de Verlichting zijn in de strijd tegen religieus fundamentalisme en bekrompenheid én tegen neoconservatieve of atheïstische dwingelandij. Want de Verlichting, met haar nadruk op open en vrij denken, met haar inzet voor gelijke, universele rechten, heeft niets gemeen met het vertellen van sprookjes over de grote boze islamwolf.

Brieven aan Ayaan Hirsi Ali. Prometheus; 150 pagina’s; ¿ 12,50. ISBN 90 446 0648 4.

Herman Philipse: Verlichtingsfundamentalisme - Open brief over Verlichting enfundamentalisme aan Ayaan Hirsi Ali; mede bestemd voor Piet Hein Donner. Bert Bakker; 44 pagina’s; ¿ 9,95. ISBN 90 351 2852 4

Bart Jan Spruyt: De toekomst van de stad - Over geschiedenis en politiek. Boekencentrum; 85 pagina’s; ¿ 7,50. ISBN 90 239 1794 4.

Naema Tahir: Een moslima ontsluiert. Houtekiet; 191 pagina’s; ¿ 16,50. ISBN 90 5240 829 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden