Boekrecensie Gedichten J. J. Slauerhoff

Springlevend is de poëzie van Slauerhoff (vijf sterren)

Hein Aalders en Menno Voskuil hebben een herziene, degelijke publiekseditie gemaakt van Slauerhoffs Verzamelde gedichten. Er zit veel moois tussen het nieuw opgenomen werk.

Jan Jacob Slauerhoff. Beeld -

Het grote wonder van Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) is niet zijn jongensboekachtige levensloop: scheepsarts, avonturier én dichter. En zelfs niet dat dat overvolle leven zo verschrikkelijk kort en hevig was. De man die dichtte ‘In Nederland wil ik niet sterven,/ En in de natte grond bederven’, teerde op zijn 38ste weg in een rusthuis in Hilversum, aan de dichtersziekte tbc.

Van zijn ‘type’, de onversneden romanticus, melancholiek, bokkig, snel gekwetst, licht ontvlambaar, iemand die een spoor van verloren liefdes en verbroken vriendschappen naliet, zijn er wel meer.

Lekker leesbare poëzie 

Het bijzondere aan Slauerhoff is de tijdloosheid van zijn werk. Ik ken geen dichter uit zijn tijd die zo verstaanbaar is gebleven, zo volkomen begrijpelijk, zo springlevend. Nou ja, J.C. Bloem, die is ook leesbaar gebleven. Maar hij is wel een eenzelvige treurwilg, met zijn ‘Altijd november, altijd regen’.

Slauerhoff zou je de eeuwige puberdichter kunnen noemen. Een antiburger, een rebel, altijd verliefd en ontrouw, maar ook een vermoeide jongere die meende dat hij vele oude zielen in zich meetorste. Vrijwel iedereen die van zijn gedichten houdt, ontdekte hem als adolescent, en bleef hem lezen. Zoals W.F. Hermans, die vond dat Slauerhoffs gedichten klinken ‘als lange snikken’.

Slauerhoffs weemoed is van alle tijden. Wat is gedateerd aan dit verliefde gefluister: ‘Liefkoos mij/ zacht./ Zeg dat jij mij mooi vindt/ En alleen door te streelen/ In ’t donker, mij ziet.// Zullen we spelen/ Dat wie ’t eerste lacht,/ Moet ondergaan/ Wat de ander bedacht?’ Iedereen begrijpt nog altijd een gedicht als ‘Aan een maagd’: ‘Zie mij niet zoo aan./ Je hebt het meer gedaan,/ En niet alleen gekust./ Je kent ook de lust des vlezes!/ En verloor je door mij je rust, dan komt het doordat die lust/ Nooit uit je gedachten is geweest.’ Voor veel jongeren is Slauerhoff een openbaring: poëzie hoeft niet vervelend, vaag of aanstellerig te zijn.

Dat we zoveel weten over Slauerhoff is mede te danken aan de uitstekende biografie die Wim Hazeu in 1995 over hem publiceerde. In de jaren erna doken er nieuwe gedichten, brieven en foto’s op. Daarom maakte de biograaf voor de vierde druk een uitgebreide en herziene editie, waarin het nieuwe materiaal is verwerkt (De Arbeiderspers; € 39,99). Op het omslag staat een van de nieuwe foto’s: Slauerhoff als tevreden burgerman, in een braaf wollen vest, met zijn vrouw, de beeldschone danseres Darja Collin. Prachtig zijn ook de foto’s van de dansende Darja, naakt of in exotisch gewaad. Hun liefdesgeluk zou niet lang duren. Ze kregen een zoon, Juan, die kort na de geboorte stierf. Daarna moest hij weer dringend zwerven, zij dansen.

Schrijver, dichter, scheepsarts Jan Jacob Slauerhoff rookt een pijp in de duinen op Vlieland tijdens een vakantie als student. Waddeneilanden, Nederland, ca. 1919. Beeld Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

Ook de Verzamelde gedichten kregen een nieuwe editie. Jarenlang moesten we het doen met de edities die bezorgd waren door Kees Lekkerkerker. Het was zijn levenswerk en hij deed het met liefde. Bij elke nieuwe druk veranderde hij iets, maar de opzet bleef onlogisch en rommelig: hij ging uit van de gepubliceerde bundels, maar stopte daar verspreide gedichten zomaar tussen.

Hein Aalders en Menno Voskuil maakten nu een nieuwe, degelijke publiekseditie, waarin de gebundelde, verspreid gepubliceerde en nagelaten gedichten chronologisch staan. Ze namen zo’n honderd niet eerder in de Verzamelde gedichten gepubliceerde gedichten op, zoals studentenpoëzie, Franse gedichten, spotdichten en grafschriften. Het beste grafschrift zijn nog steeds de slotregels van ‘In memoriam mijzelf’: ‘Hij stierf in het gevecht,/ Hij leidde recht en slecht/ Een onverdraagzaam leven.’

Vervloekte vrouwen

Er zit veel moois tussen de aanvullingen. De kinderlijke studenten van het corps worden bespot: ‘Uw Kroeg is van de burgerlijke goot een nietig kolkje’. Er is een wrang in memoriam voor zijn zoontje: ‘Niets dan schaduw op een steen (…) en een klein bed violen/ Blijven de wroeging trouw,’/ Weemoedig en verholen,/ Dat ’t kind niet leven wou.’

In wanhopige, onvoltooide gedichten roept hij vrouwen aan en vervloekt hij hen: ‘Waarom, waarom, gebruik je je macht/ Niet om te verrukken maar om te verderven?/ Je weet niet eens dat soms op een nacht/ Een man om jou zacht ligt te sterven.’ Heel erg Slauerhoff is dit: ‘Ik kan niet zeggen hoe ik Holland haat./ Bij ’t woord alleen grijpt walging mij de keel./ ’k Zag ’t liefst veranderd in een groote Peel./ Waarin ’t wegzakken kon met al zijn kwaad.’ Slauerhoff lijkt een uitzondering te maken voor de provincie waar hij werd geboren: ‘Alleen voor Friesland heb ik nog een zwak’, maar de nooit afgemaakte regel erna begint omineus met ‘Al is dat…’

Slauerhoff, zijn leven en werk, is voorlopig weer even helemaal compleet, in duizenden pagina’s gedichten en een herziene biografie, en dat is goed. In deze twee regels zit de hele Slauerhoff: ‘Nu weet ik: nergens vind ik vree,/ Op aarde niet en op zee,/ Pas aan die laatste smalle ree/ Van hout in zand.’

Slauerhofftentoonstelling

Slauerhoff was een wereldreiziger, maar hij ging altijd per schip, vliegen deed hij niet. De scheepspet is het symbool geworden van de scheepsarts, aan boord ‘de pil’ genoemd, bij wie – wil de overlevering – vrouwelijke passagiers graag een kwaaltje voorwendden.

Op het eind van zijn leven was hij verliefd geworden op Caridad, uit Costa Rica. Hij was vast van plan haar te bezoeken, ‘desnoods met een vliegtuig’ (zie Hazeu’s biografie), maar de dood gooide roet in het eten.

Misschien zou Slauerhoff het mooi hebben gevonden dat luchthaven Schiphol, ter ere van zijn 120ste geboortedag (en 82ste sterfdag!) een tentoonstelling aan hem wijdt in de Airport Library. Zijn werk is in 25 talen vertaald; veel van die vertalingen zijn op de tentoonstelling te zien (tot 10 november 2018).

Er is ook een onbekend verhaal van Slauerhoff opgedoken, ‘Luctor et emergo’, in feite zijn prozadebuut. Het is te lezen in De Parelduiker (2018-4), ingeleid door Hein Aalders. Slauerhoff maakt in dit verhaal over het nieuwbakken ‘dameszwemmen’ zijn tante, oom en nicht belachelijk. Tante Jet zou zo boos zijn geweest dat zij, toen ze neef Jan tegenkwam hem zo hard met haar boodschappentas sloeg dat de krentenbollen in het rond vlogen.

J. Slauerhoff: Verzamelde gedichten

Bezorgd door Hein Aalders en Menno Voskuil
Nijgh & van Ditmar; 1.038 pagina’s; € 34,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.