Sporen in zandsteen

Deventer telt een aantal prominente gebouwen waarin veel Bentheimer zandsteen is verwerkt. In Museum de Waag aan de imposante Brink loopt de tentoonstelling 'Sporen in Zandsteen', een grensoverschrijdend project van Duitse makelij....

door Cees Gloudemans

De Waag, een monumentaal uit 1528 daterend gebouw, aan de Brink in Deventer geldt als een markante blikvanger waar geen enkele routebeschrijving om heen kan. Dat pronkstuk is nadrukkelijk aanwezig als omhulsel van een expositie in het Historisch Museum dat sinds 1915 is gehuisvest in dezelfde Waag. Sporen in Zandsteen heet de tentoonstelling. Talrijke ornamenten aan de Waag, ook de acht leeuwen op het bordes waarvan er drie door vandalen werden losgewrikt en ernstig beschadigd, zijn vervaardigd van zandsteen uit het graafschap Bentheim.

De zandstenen pilaren in de kelder van de Waag stammen uit 1528 (de bouw nam drie jaar in beslag) en dragen de merken van steenhouwers uit die tijd. Hetzelfde jaartal staat op een gevelsteen aan de buitenkant van het laatgotische gebouw. Raam- en deurposten en vensterbanken zijn ook van Bentheimer zandsteen evenals de decoratieve sierelementen tussen de baksteen, verschillende beeldjes en versierde gevelstenen en randen.

Het laatmaniëristisch bordes van de Waag werd in 1643 gebouwd door Jan Bours en Hans Willem Amshoff, twee steenhouwers uit Gildehaus in het graafschap Bentheim. Onderdelen van de balustrade en bordestrappen werden waarschijnlijk in grofgehouwen blokken vanuit Nordhorn per schip via de (Overijsselsche) Vecht vervoerd.

Zwolle fungeerde in de vijftiende eeuw als stapel(overslag)plaats - stapelrecht stelde de Hanzestad in staat tol te heffen - voor over de Vecht aangevoerde zandsteen uit Bentheim en het Baumberger heuvelgebied bij Münster. Maar het kan ook zijn dat de voor de Waag bestemde zandsteen Deventer, eveneens een Hanzestad, op een goedkopere manier heeft bereikt via onder andere de Schipbeek die iets ten zuiden van de stad in de IJssel uitmondt.

Behalve de Waag telt Deventer nog een aantal prominente gebouwen waarin veel Bentheimer zandsteen is verwerkt zoals het stadhuis, de Penninckshoek (evenals de Waag aan de Brink gelegen), de Bergkerk en Lebuinuskerk. Museum de Waag organiseert in samenwerking met de afdeling monumentenzorg van Deventer een rondleiding langs de gevels van de imposante Brink. De bezoeker van de expositie krijgt de beschrijving van de natuursteenroute gratis.

Behalve de ornamenten aan het 'eigen' gebouw bezit het museum een aantal bijzondere voorwerpen van zandsteen die uit Deventer of van elders afkomstig zijn, zoals een gevelsteen uit de Bergkerk met een afbeelding van Adam en Eva en een zandloper met doodskop uit het Deventer Pesthuis.

Op 9 september gaat ter gelegenheid van Monumentendag het depot van het pand de Drie Haringen (dat vrijwel aan de Waag grenst) open en fungeren de bakstenen keldergewelven - op zich een bezoek waard - voor de duur van één dag als een verlengstuk van de expositie. In de kelder, die bij een hoge stand van de IJssel via een waterput onderloopt, ligt een groot aantal (brokken van) uit zandsteen vervaardigde gevelstukken, raamomlijstingen en andere bouwornamenten opgeslagen.

Toch heeft de expositie niet ten doel Deventer opzichtig aan te prijzen. De tentoonstelling heeft een grensoverschrijdend karakter en maakt deel uit van het Euregio-project Handel en Wandel tussen IJssel en Berkel. Deventer is slechts een facet; de tweetalige expositie is samengesteld door Kreis Coesfeld en dan met name door het Münsterlandmuseum Burg Vischering in Lüdinghausen. 'Wij zorgen voor de aanvulling', legt Nina Herweijer, directeur van Museum de Waag (en van het Speelgoed- en Blikmuseum, ook al aan de Brink) uit.

Het omgekeerde is gebeurd met de eveneens Duits-Nederlandstalige tentoonstelling Met Erasmus naar school die Museum de Waag heeft samengesteld. 'Zonder Europees geld was dat niet mogelijk geweest', mijmert Herweijer. 'Wij zijn maar een arm museum. Dat laatste gaat ook op voor de Duitse musea waarmee we samenwerken.' Brussel verlangt wel een duidelijke relatie naar het toerisme, maar die is bij deze expositie zonneklaar aanwezig.

Met Erasmus naar School is nog tot het einde van het jaar te zien in verschillende musea in het betreffende Euregio-gebied (inl: Gemeentemusea Deventer, tel: 0570-69.37.83 of Kreis Borken, tel: 00-49-(0)2861-82.13.48/50). Sporen in Zandsteen loopt door tot volgend jaar januari en is daarna te zien in Bad Bentheim (inl: 00-49-(0)2591-79.90.14).

'Delen van Gelderland, Overijssel en Noordrijn-Westfalen, zeg maar de regio tussen Vecht en Berkel, zijn cultuur-historisch één gebied geweest. De IJssel vormde de westelijke grens. Men kon elkaar in die streek verstaan. De expositie geeft geen technisch overzicht - van ruwgehakt blok tot sierlijk bewerkte gevelsteen - , maar gaat over de wederzijdse beïnvloeding', verklaart Herweijer.

De historische verstrengeling tussen een deel van Oost-Nederland en Noordrijn-Westfalen komt tot uiting in de tentoonstelling. Toen de zandsteen in trek raakte, ging de handel in dit product gepaard met een technische en culturele uitwisseling.

Herweijer: 'Baksteen kwam na 1250 weer in gebruik. Wanneer je voor die tijd iets stevigs wilde maken, een kerk of een stadspoort, dan moest je natuursteen zien te krijgen en voor dat doel haalde je tufsteen uit Romeinse ruïnes. Zandsteen en kalkzandsteen werden in veel mindere mate verwerkt. Pas na de herinvoering van de baksteen werden zandsteen en kalkzandsteen uit Bentheim en Baumberg voor decoratieve doeleinden gebruikt. De groeves liggen hier vlak over de grens bij Bentheim en Gildehaus en iets verder weg in het Münsterland.'

Vanwege de band die al sinds de vroege Middeleeuwen tussen Oost-Nederland en West-Münsterland bestond, lag het voor de hand dat de bouwheren in de steden langs de IJssel, maar ook elders in de streek hun materiaal niet ver van huis zochten.

Duitse steenhouwers vestigden zich vanaf de vijftiende eeuw in steden als Zwolle en Kampen. Maar zij waren meer dan vakbekwame ambachtslieden. Zij beheersten ook het transport en de handel in zandsteen. Omgekeerd waren Nederlandse ambachtslieden op Duitse bouwplaatsen te vinden. Steenhouwers en bouwers nemen dan ook een centrale plaats op de expositie in.

Het zware bouwmateriaal werd aanvankelijk in door ossen of paarden getrokken wagens over een afstand van hooguit enkele tientallen kilometers vervoerd. Vanaf 1400 werd transport over water mogelijk en kwam de handel pas goed op gang. De zandsteen werd aangevoerd in potten, platbodems, via beken en riviertjes die tegenwoordig hooguit idyllische herinneringen oproepen. Met behulp van een kraan werden de steenblokken aan wal getakeld.

De Baumberger kalkzandsteen met zijn gelijkmatige gele kleur en fijnkorrelige structuur leende zich in het algemeen beter voor gedetailleerd werk. De gele, grijze of rode Bentheimer zandsteen is harder, minder gevoelig voor weersinvloeden en werd meer gebruikt voor deur- en raamposten.

De zandsteen bereikte de bouwplaatsen in Nederland in onbewerkte, voorbewerkte of volledige bewerkte vorm. De pachters van de groeves - vaak ook steenhouwers - betaalden de eigenaren, de graven van Bentheim, in vaatjes boter en vanaf de zeventiende eeuw in baar geld.

In Nederland verkregen Amsterdamse kooplieden een tijdlang het monopolie op de groeven. Voor de bouw van het Amsterdamse stadhuis, tegenwoordig het Paleis op de Dam, waren enorme hoeveelheden Bentheimer zandsteen nodig. Trouwens ook voor de Dom in Utrecht en nog een aantal historische bouwwerken in Nederland.

Tot en met 14 januari 2001 heeft Museum de Waag in Deventer het monopolie op Bentheimer en Baumberger zandsteen dankzij de grensoverschrijdende samenwerking tussen Overijssel/Gelderland en Kreis Coesfeld/Borken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden