Spookachtig licht van een verborgen kaars

Nergens anders heeft de Italiaanse schilder Caravaggio zo veel sporen nagelaten als in het Utrecht van de eerste helft van de zeventiende eeuw....

VOOR de schilder Gerard van Honthorst was op de 26ste juli 1620 een klein ontvangstcomité van negen man aangetreden in café 't Poortgen in Utrecht. De weg van Rome naar huis was gevaarlijk geweest. Europa was verwikkeld in een gecompliceerde religieuze twist die dertig jaar zou duren. Honthorst was net op tijd binnen de Utrechtse stadspoort. Een week later trok prins Maurits van Oranje voorbij om als contra-remonstrant in Duitsland de verfoeide Spaanse en Oostenrijkse katholieken te bevechten.

De negen mannen verdienden hun brood met kunst en ze waren protestant, mennoniet, humanist, a-kerkelijk of katholiek. Van de religieuze animositeit in de jonge republiek was in 't Poortgen aan de Ganzenmarkt 14 die dag niets te merken. Het comité was eensgezind in zijn bewondering voor de 28-jarige Utrechtse schilder die naam had gemaakt in Rome, en nu terugkeerde van zijn lange verblijf in Italië, 'het gelukkigste landschap van Europa'.

Het is lastig te begrijpen waarom juist in het voormalig katholieke bolwerk Utrecht en juist toen een uiterst succesvolle periode in de Nederlandse schilderkunst aanbrak. Gerard van Honthorst zou een jaar later de Heilige Sebastiaan schilderen. Dat doek is een van de sleutelstukken op de expositie Masters of Light in de Londense National Gallery, waar voor het eerst op deze schaal de Utrechtse caravaggisten bijeen zijn gebracht. Van Honthorst heeft de martelaar Sebastiaan, in de vijfde eeuw om zijn christelijk geloof ter dood veroordeeld, zinnelijk en koudwit geschilderd tegen een bijna zwarte achtergrond, volledig in overeenstemming met het harde caravaggeske idioom.

Nergens anders heeft de Italiaan Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) zo veel sporen nagelaten als in het Utrecht van de eerste helft van de zeventiende eeuw. Zijn extreme licht-donkerwerking (de chiaroscuro) en die wringende combinatie van realisme en kunstmatige poses, maakten diepe indruk op Utrechtse Italië-gangers als Dirck van Baburen, Hendrick ter Brugghen, Cornelis van Poelenburch en Van Honthorst.

Bijna de helft van Van Honthorsts generatie heeft zo'n tocht Utrecht-Rome ondernomen aan het begin van de Gouden Eeuw. Eenvijfde van hen keerde niet weerom, maar zij die wel terugkeerden namen het 'Italiaanse licht' van Caravaggio, Bartolemeo Manfredi en anderen mee naar Utrecht. Ze braken ruw met het maniërisme van die tijd en deden zestiende-eeuwers als Jan van Scorel tijdelijk vergeten. Anders en eerder dan in de door protestanten gedomineerde steden in Holland, ontstond in Utrecht tussen 1620 en 1650 een grote markt voor religieuze en wereldse schilderkunst.

Van Honthorst nam nog iets anders mee uit Italië: de bijnaam Gherardo delle Notti. Dat alias dankte hij aan zijn nachttaferelen waarop een kaars de enige lichtbron is, zoals Muziekgroep bij Kaarslicht uit 1623. De waspit werpt spookachtig licht op vier blijmoedige typen rondom een tafel, maar de kaars zelf blijft verscholen achter een muziekboek. De lichtbron is hierdoor nog nadrukkelijker aanwezig. Honthorst was zo tevreden over dit effect, dat hij het vaker toepaste.

Een variant op de kaarsentruc staat op naam van een andere grote Utrechtse caravaggist, Hendrick Ter Brugghen. Zijn tafereel met drie muzikanten krijgt van twee kanten licht. Een kaars in het midden van het gezelschap schijnt op de gezichten van drie muzikanten, die er een stuk ingetogener uitzien dan Van Honthorsts extraverte kwartet. Een tweede, zwakkere lichtbron komt van de achterwand en zorgt ervoor dat het verdwijnpunt niet in het zwarte niets ligt en de diepte van het schilderij beperkt blijft.

Dat Utrecht zo vroeg in de Gouden Eeuw al artistieke bloei kende, is verrassend omdat de protestantse steden in Holland in economisch opzicht veel sterker waren. Ook de katholieke band tussen de stad - Utrecht was zeven eeuwen lang de noordelijkste aartsbisschopzetel - en Italië kan niet de enige factor zijn geweest, want veel van de caravaggisten waren niet katholiek, net zomin als hun opdrachtgevers. De katholiek Van Honthorst schilderde op verzoek van protestanten, het huis van Oranje nota bene. En omgekeerd maakte een overtuigd protestant als Jan van Bijlert altaarstukken voor de katholieke schuilkerken in Utrecht.

Maar de Utrechters hadden in die jaren natuurlijk wel baat bij het elan waarmee de katholieke kerk terrein wilde terugwinnen op de protestanten. In de contra-reformatie, het katholieke tegenoffensief, was kunst een gekwalificeerd wapen. Kunst moest, schreef de Concilie van Trente voor, barok zijn, realistisch, direct en er moest een sterke emotie van uitgaan.

Caravaggio's werk sloot naadloos aan op dat uitgangspunt. Zijn schilderijen hadden een theatrale setting, de modellen pikte hij op van de straat. Hij schilderde ze soms met het vuil nog onder de nagels, iets dat de kerk minder aangenaam trof. Zo kreeg Caravaggio het altaarstuk De Dood van de Maagd (uit 1606) retour omdat de monikken die hem de opdracht hadden gegeven, vermoedden dat hij als model een verdronken prostituee had gebruikt.

De opdrachten kwamen in Utrecht niet alleen van kerken en kloosters. De toegewijde katholiek Abraham Bloemaert kreeg van het Huis van Oranje opdracht een jachthuis te decoreren. Bloemaert geldt als een centrale persoon in de Utrechtse school, al bekeerde hij zich zelf slechts korte tijd tot Caravaggio's stijl. Hij was een stuk ouder dan de generatie van Ter Brugghen en Van Honthorst, had veel van hen nog het vak geleerd en was de eerste man van het Utrechtse schildersgilde.

Gelet op de verbetenheid waarmee de religieuze strijd werd gevoerd, zou je verwachten dat ook in de kunstwereld een scheiding der geesten bestond. Maar Bloemaert was niet eens rancuneus toen hem door de protestantse gezagsdragers zijn functie bij het gilde werd ontnomenen, ten gunste van de contra-remonstrant Paul Moreelse. De vriendschap tussen deze twee schilders bleef intact en samen dronken ze in 1620 in 't Poortgen op de thuiskomst van Van Honthorst.

Een van de favoriete katholieke thema's werd majestueus geschilderd door de tot de hervormde kerk behorende Ter Brugghen. Het is een aangrijpende versie van de Heilige Sebastiaan. Deze is minder contrastrijk dan die van Van Honthorst, maar Ter Brugghen weet zeer goed de toeschouwer deelgenoot van het lijden van de heilige te maken. Precies zoals de katholieke kerk dat graag zag, want de martelaar Sebastiaan was immers slachtoffer van geloofsvervolging, zoals de katholieken in de zeventiende eeuw gebukt gingen onder een protestants regime dat hun kerken inpikte en hen uitsloot van functies in het openbaar bestuur.

Van Honthorst, Bloemaert en Ter Brugghen verdienden goed geld met de verkoop van hun werk en lesgeven. Honthorst vroeg zelfs honderd gulden per jaar per leerling, iets wat alleen Rembrandt hem tientallen jaren later durfde na te doen. Bij die creatieve bloei hoorde een levendige handel, en dat trok andere kunstenaars naar Utrecht, onder wie de bloemenschilders Ambrosius Bosschaert en Balthasar van der Ast.

Al vóór de eeuw op zijn helft was, slonk de faam van de Utrechtse school snel door toenemende oorlogsdreiging en een economische crisis. Maar de invloed van Caravaggio en zijn Utrechtse navolgers op de grootste schilders van die eeuw, Rembrandt, Steen en Vermeer, was toen al onontkoombaar geworden.

Masters of Light, National Gallery Londen. Tot 2 augustus, maandag tot en met zaterdag 10-18 uur. Zondag 12-18 uur. Catalogus £ 29,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden