Spontaan de Matterhorn beklimmen

Een Zweedse Jan Cremer – daaraan doet de zenuwarts Axel Munthe denken, van wiens sterke verhalen uit 1929 miljoenen exemplaren werden verkocht....

Edwin Krijgsman

Alsof de duivel hem permanent op de hielen zat, zo lijkt Axel Munthe te hebben geleefd. De arts/psychiater/auteur, geboren in 1857 in het Zweedse Oskarshamn, werd door innerlijke onrust opgejaagd en vestigde zich in Parijs en vervolgens Rome, maar alleen het in de baai van Napels gelegen eiland Capri bood hem balsem voor zijn getourmenteerde geest. Capri moest ook de plek zijn waar hij zijn oude dag zou slijten en wenste te sterven, maar dat laatste deed hij uiteindelijk in Stockholm, in 1949.

Munthe kiest na zijn studie als jonge (zenuw)arts domicilie in Parijs. Hij mag er vele leden van de binnen- en buitenlandse beau monde tot zijn patiënten rekenen en gaat om met beroemdheden als de schrijver Guy de Maupassant, verwoed gebruiker van een keur aan geestverruimende middelen.

Maar Munthe zet zich ook in voor de allerarmsten, verschoppelingen die wegkwijnen in armentehuizen en psychiatrische inrichtingen – Munthes sociale gevoel is sterk, zijn hart is groot. Zijn ongebreidelde interesse voor van alles en nog wat, zijn niet te temmen energie en zijn anticonformistische gedrag (geld interesseert hem niet, en hij heeft lak aan iedere maatschappelijke hiërarchie) bezorgen hem een bewogen leven. Dat levert een aaneenschakeling van anekdotes op, die Munthe uiterst smakelijk weet op te dienen.

Een van de mooiste is Munthes reis met een doodskist naar Zweden, om het stoffelijk overschot van een jonge landgenoot, een aan tuberculose gestorven student, te repatriëren. Tot zijn grote pech reist aan boord van dezelfde trein naar het noorden ook het lijk van een oude Russische generaal mee, met eindbestemming Sint Petersburg. De tragische toedracht laat zich raden: de ontzielde lichamen worden jammerlijk verwisseld. Munthe komt er op tijd achter en weet slechts dankzij veel overredingskracht te voorkomen dat de familie van zijn jonge landgenoot voorafgaand aan de begrafenis nog een laatste blik in de kist werpt.

Soms zijn de situaties waarin de doldriest levende Munthe zich weet te manoeuvreren wel erg kras. Zo besluit hij in zijn Parijse tijd tot de beklimming van de ongenaakbare Matterhorn – spontaan, alsof het om een weekendje Ardennen gaat. ‘Ik begon waar andere alpinisten eindigen,’ tekent hij stoer op. De onderneming loopt, niet onverwacht, slecht af: het gezelschap wordt getroffen door een lawine, diverse bevroren ledematen zijn het gevolg. Maar zoals altijd zijn de goden Munthe mild gestemd en komt de Zweedse levenskunstenaar er tamelijk ongeschonden vanaf.

Na een paar jaar wordt Parijs Munthe te benauwd. Hij heeft zijn buik vol van ‘al die zenuwachtige dames’ die soelaas vinden bij zijn empathische aanpak, en neemt de wijk naar Italië. In 1890 vestigt hij zich met zijn praktijk in Rome, in het huis waar de dichter Keats woonde en stierf, bij Piazza di Spagna, waar het al snel weer een va-et-vient wordt van allerlei wonderlijke figuren, opnieuw goed voor de nodige opzienbarende verhalen.

Enkele jaren eerder heeft Munthe op Capri, vluchtheuvel in zijn jachtige leven, een bouwval en een stuk land gekocht. Daar, te midden van de goeddeels analfabete maar in zijn ogen o zo pure plaatselijke bevolking, vindt Munthe de broodnodige rust. Hij wijdt zich er aan de bouw van een huis, op de plek waar keizer Tiberius een villa had en zich ruim tweeduizend jaar eerder wijdde aan losbandigheid en wreedheden, althans zo willen sommige bronnen. Villa San Michele, waar Munthe op latere leeftijd het boek schreef dat hem beroemd maakte, is inmiddels een pelgrimsoord voor Munthe-fans van over de hele wereld.

In het laatste hoofdstuk beschrijft Munthe hoe hij, op zijn geliefde Capri, ten langen leste door de Dood wordt gehaald – iets wat hem dus in werkelijkheid niet was vergund. Het is hier dat Het verhaal van San Michele zich loszingt van de werkelijkheid – wat eraan voorafgaat wil autobiografisch zijn. Het is ook het hoofdstuk waarin de beperkingen van de schrijver Munthe aan het licht komen – een nogal larmoyant einde, met overpeinzingen over dood en leven die een sneue anticlimax vormen na al die ontwapenende levensdrang daarvoor. ‘Ik was dood en ik wist het niet,’ luidt de laatste zin.

Munthe was geen groot schrijver, of liever gezegd, hij was eigenlijk helemaal geen schrijver; schrijven was voor de Zweedse avonturier alleen maar een manier om zijn onrust te temmen. Maar Munthe was wél een groot verteller, naar wie je bij vlagen ademloos zit te luisteren, en Het verhaal van San Michele werd na verschijnen in 1929 dan ook een gigantisch succes (meer dan 30 miljoen verkochte exemplaren, in zo’n 45 talen) – overigens tot grote verbazing van de auteur zelf.

Munthes levensstijl en manier van schrijven doen denken aan de bravoure en vitaliteit van Jan Cremer uit zijn Ik-tijdperk – alles in de hoogste versnelling. De keerzijde van die Schwung is dat het boek een rommelige opbouw heeft, en je vaak naar tijdsbepalingen en chronologie moet raden.

Het is goed dat er weer een editie van dit wonderlijke boek beschikbaar is, dat meer als een curiosum beschouwd moet worden dan als een literair meesterwerk. Jammer alleen dat de tekst sterk leunt op de oude vertaling van J.E. Gorter-Keyzer uit 1930 en een goede inleiding ontbreekt. Wie vergeten boeken als Het verhaal van San Michele opnieuw onder de aandacht wil brengen, zou iets meer liefdevolle zorg moeten betrachten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden